(1999). Uit deze stukken blijkt het voornemen tot de aanleg van groenverbindingszones tussen natuurgebieden. Voorzover het de omgeving van het plangebied betreft, is het beleid gericht op de aanleg van groengebieden en voorziet het in een ecologische verbindingszone tussen de natuurgebieden in de Haarlemmermeer en Spaarnwoude. Verweerder heeft geen aanleiding behoeven te zien voor de conclusie dat er geen provinciaal en rijksbeleid is dat aanleiding geeft tot de gekozen bestemming. 2.6.
- Op de plankaart van het streekplan Noord-Holland Zuid heeft het plangebied de aanduiding recreatiegebied. In de toelichting op de streekplankaart wordt recreatiegebied als volgt omschreven: “Bestaande of toekomstige zone waar de basisfunctie primair is gericht op intensieve en minder intensieve dag- en of verblijfsrecreatie in bestaande en toekomstige buitenstedelijke of stadsrandsituaties. Deze gebieden kunnen mede een functie bezitten voor landschaps- en natuurbouw; soms ook voor landbouw.” Het plangebied heeft een oppervlakte van bijna 18 hectare. Daarvan is ongeveer 11 hectare bestemd voor intensieve verblijfsrecreatie en de daarbij behorende voorzieningen. Ongeveer 7 hectare van het plangebied heeft de bestemming "Groenverbindingszone". Ingevolge artikel 8, tweede lid van de planvoorschriften zijn hier toegestaan minder intensieve recreatieve functies zoals groenvoorzieningen, waterpartijen, wandelpaden en beperkte vormen van bebouwing, zoals schuilhutten. Nu het plangebied voornamelijk intensieve en minder intensieve recreatieve functies omvat, en een recreatiegebied volgens het streekplan mede de functie natuurbouw kan bezitten, heeft verweerder geen reden hoeven zien om de in het plan voorziene bestemming "Groenverbindingszone" niet in overeenstemming met het streekplan te achten. Dat het perceel niet als ecologische verbindingszone is aangegeven op de streekplankaart maakt dit niet anders. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat het plangebied ligt buiten de in het streekplan aangegeven rode contour, die de grens aangeeft van het gebied waarbuiten geen verstedelijking mag plaatsvinden. De aanleg van een nieuw complex tuinhuisjes is ingevolge het provinciale beleid verstedelijking. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat de gemeenteraad in het plan op passende wijze het provinciale en rijksbeleid heeft uitgewerkt. Hij heeft dan ook geen aanleiding behoeven te zien appellanten te volgen in hun stelling dat de gemeenteraad het plan op oneigenlijke gronden in procedure heeft gebracht. 2.6.
- Ten aanzien van de stelling van appellanten dat de bestemming gezien de feitelijke situatie ter plaatse niet kan worden verwezenlijkt overweegt de Afdeling het volgende. Het perceel betreft grotendeels een open terrein, en volgens eerdergenoemde beleidsstukken bestaat voor het gebied het voornemen tot het verwezenlijken van groenverbindingen. In verband hiermee heeft verweerder geen reden behoeven te zien om aan te nemen dat wat betreft dit open gedeelte van het plandeel met de bestemming "Groenverbindingszone" niet zal worden voldaan aan de doeleindenomschrijving van artikel 8 van de planvoorschriften. In een hoek van het plandeel met de bestemming "Groenverbindingszone" zijn echter reeds vijf tuinhuisjes gebouwd. Verweerder heeft in zijn besluit niet aangegeven hoe deze bestemming op die gronden verwezenlijkt kan worden. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 3 juni 2003, 2002-48220, voorzover het betreft het plandeel met de bestemming "Groenverbindingszone" zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart; III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond; IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland te worden betaald aan appellanten; V. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. Klein Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 maart
- 176-448.