(2)p/r” voor een autoreparatiebedrijf en een reparatiebedrijf in landbouwmachines, voorzover deze bedrijven behoren tot categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Blijkens bijlage 2 van de plantoelichting zijn de laatstgenoemde bedrijfsactiviteiten toelaatbaar aan de rand van woonwijken, in het algemeen gescheiden door een weg of een groenstrook. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Vast staat dat de dichtstbijzijnde woonwijk op een afstand van ten minste 60 meter van het bedrijventerrein ligt en dat het bedrijventerrein van de woonwijk wordt gescheiden door een weg aan de noordzijde en door een groenstrook aan de oostzijde van het bedrijventerrein. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die woonwijk op zodanige afstand van de gronden met de bestemming “Maatschappelijke en bedrijfsdoeleinden (MB)” is gelegen, dat het woon- en leefklimaat van de bewoners in de woonwijk niet ernstig zal worden aangetast. Appellante heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat zij trillingshinder zal ondervinden van de nog op te richten bedrijven. Met betrekking tot het bezwaar van appellante dat zij lichthinder zal ondervinden van het bedrijventerrein, overweegt de Afdeling dat het plan voorziet in de mogelijkheid tot aanleg van een strook van ongeveer 10 meter breed langs het bedrijventerrein ten behoeve van “Groenvoorzieningen”. Blijkens de doeleindenomschrijving zijn de gronden met die bestemming onder meer bestemd voor beplantingen, bermen en bermsloten. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eventuele overlast als gevolg van het kunstlicht op het bedrijventerrein kan worden beperkt. 2.
- Met betrekking tot het bezwaar van appellanten tegen de ontsluitingsweg en de daaruit voortvloeiende verkeersoverlast op de Jaagweg en de Dorpsstraat, overweegt de Afdeling als volgt. Het standpunt van verweerder dat de ontsluitingsweg moet worden verplaatst naar de locatie zoals nu is opgenomen in het plan, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de percelen [locatie 6] en [locatie 7] gegarandeerd kan worden, acht de Afdeling niet onredelijk. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de afstand van de ontsluitingsweg tot aan de percelen van appellanten minstens 100 meter is en dat de bestemming “Groenvoorzieningen” ten oosten van het bedrijventerrein is opgenomen om het zicht vanaf de gronden aan de Monnickendammerrijweg op de weg te beperken. Voorts verwacht de Afdeling niet, gelet op het beperkte aantal bedrijven dat op het bedrijventerrein kan worden gevestigd, dat de toeneming van het verkeer op de Dorpsstraat en de Jaagweg zodanig zal zijn dat dit tot ongewenste verkeerssituaties zal leiden. 2.
- Met betrekking tot de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de huizen in de omgeving van het bedrijventerrein, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. 2.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangevochten plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen. De beroepen zijn ongegrond. De besloten vennootschap “[appellanten sub 4]” en andere 2.
- Appellanten hebben in beroep gesteld dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” met nadere aanduiding “WI twee” gelegen achter het perceel [locatie 1], nu het plan niet voorziet in een ontsluitingsmogelijkheid voor de nieuw te bouwen woningen achter hun bedrijfspand. Zij vrezen dat de ontsluitingsmogelijkheid op grond van een reeds bestaande erfdienstbaarheid op een deel van hun perceel zal worden aangelegd en dat het nieuwe woongebied een aanzienlijke verkeersbelasting van de Dorpsstraat tot gevolg zal hebben. Voorts denken zij geluidshinder te zullen ondervinden als gevolg van de ontsluitingsweg en de parkeerplaatsen achter het bedrijfspand op hun perceel. 2.
- De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat nog niet vast staat dat de ontsluiting op het perceel [locatie 1] zal worden aangelegd. Het plan biedt immers ook de mogelijkheid om die aan de oostzijde van het pand op het perceel [locatie 2] aan te leggen, aldus de gemeenteraad. 2.
- Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. 2.
- Met betrekking tot het bezwaar van appellanten dat het nieuwe woongebied een aanzienlijke verkeersbelasting van de Dorpsstraat tot gevolg zal hebben, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, sub 1 en 2, van de planvoorschriften dienen de gronden met de bestemming “Woondoeleinden” met de nadere aanduidingen “WI twee” en “WI vier” op eigen terrein in de benodigde parkeerbehoefte te voorzien volgens de norm van 1,3 parkeerplaats per woning. Dit betekent dat er in totaal acht parkeerplaatsen op de percelen [locatie 8] en achter [locatie 2] moeten worden aangelegd. Gelet op het deskundigenbericht zullen er gemiddeld 40 verkeersbewegingen per etmaal via de ontsluitingsweg gaan plaatsvinden. Dit betekent dat er, uitgaande van de dag- en avondperiode, gemiddeld per uur twee à drie auto’s over de ontsluitingsweg zullen rijden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder er in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat de toeneming van het autoverkeer in de steeg als gevolg van het nieuwe woongebied niet zodanig is dat dit tot ernstige gevolgen zal leiden voor de doorstroming van het verkeer op de Dorpsstraat. 2.30.
- Voorzover appellanten hebben aangevoerd dat geen of onvoldoende onderzoek is gedaan naar de geluidsbelasting en de geluidsnormering, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op artikel 74, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 77 van de Wet geluidhinder, behoeft bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan geen akoestisch onderzoek te worden ingesteld indien voor de desbetreffende wegen een maximumsnelheid geldt van 30 kilometer per uur. Blijkens de plantoelichting wil de gemeenteraad een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur vaststellen voor de wegen binnen het plangebied. Hier maakt de ontsluitingsweg ten behoeve van de nieuw te bouwen woningen achter het bedrijf van appellanten ook deel van uit. De Afdeling ziet geen aanleiding te veronderstellen dat niet van de invoering van een 30 kilometerregime mag worden uitgegaan. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht aangenomen dat bij de planvoorbereiding geen akoestisch onderzoek behoefde te worden ingesteld. Verweerder heeft er voorts in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat, gelet op het aantal parkeerplaatsen dat moet worden aangelegd, de maximumsnelheid van het verkeer op de ontsluitingsweg en het aantal verkeersbewegingen per etmaal, als gevolg van het plan geen grote geluidsbelasting zal optreden voor appellanten. 2.30.
- Vast staat dat de gronden ten noordoosten van het bedrijfspand op het perceel [locatie 1] zijn bestemd als “Woondoeleinden” met de nadere aanduiding “WI twee”. Ingevolge de doeleindenomschrijving van artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming “Woondoeleinden” bestemd voor woningen met bijbehorende erven en tuinen. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften. Naar het oordeel van de Afdeling behoeft een ontsluiting ten behoeve van een woning op de gronden met de bestemming “Woondoeleinden” niet in strijd te zijn met de doeleindenomschrijving behorende bij die bestemming. In dit geval gaat het echter om een ontsluitingsweg ten behoeve van zes woningen, te weten twee op het perceel [locatie 8] en vier op het perceel dat ligt achter [locatie 2]. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet worden staande gehouden dat een ontsluitingsweg ten behoeve van een dergelijk aantal woningen op die plaats passend is binnen de doeleindenomschrijving van de gegeven bestemming. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad en verweerder binnen de bestemming “Woondoeleinden” evenwel willen voorzien in een ontsluitingsweg. Onder deze omstandigheden is een op deze verkeersfunctie toegesneden bestemming aangewezen. Verweerder heeft dit miskend. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet op het standpunt kunnen stellen dat het desbetreffende plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel, zoals nader is aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. Voorzover appellanten hebben betoogd dat de erfdienstbaarheid die op hun perceel is gevestigd als gevolg van de te bouwen woningen achter hun perceel onredelijk verzwaard zal worden, merkt de Afdeling nog het volgende op. De gemeenteraad dient op grond van artikel 30 van de WRO binnen een jaar met ingang van de dag na deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen met inachtneming van het besluit van verweerder. In dit zogenoemde “artikel 30-plan” dient de gemeenteraad bij de afweging van de betrokken belangen tevens rekening te houden met de rechten en plichten die voortvloeien uit de erfdienstbaarheid. 2.
- Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 3] en [appellante sub 5] bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. Wat betreft het beroep van [appellanten sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 4] en andere, dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellanten sub 4] en andere, voorzover gericht tegen de goedkeuring van de mogelijkheden bebouwing op te richten op de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" met nadere aanduiding “WI twee” en “WI vier” die betrekking hebben op de gronden achter de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep van [appellanten sub 2], geheel, het beroep van [appellanten sub 4] en andere, voorzover ontvankelijk, en het beroep van [appellant sub 1], deels, gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 19 november 2002, kenmerk 2002-17990, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan:
- artikel 11, derde lid, onder j, van de planvoorschriften;
- het plandeel met de bestemming "Tuinen (T)", voorzover het betrekking heeft op de parkeerplaats en het toegangspad naar de parkeerplaats op het perceel [locatie 4];
- het plandeel met de bestemming “Wooncomplex (WC)”;
- het plandeel, zoals nader is aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart; IV. onthoudt goedkeuring aan het genoemde onder III.; V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd; VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en [appellante sub 5], geheel, en het beroep van [appellant sub 1], voor het overige, ongegrond; VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. Deze bedragen dienen door de provincie Noord-Holland te worden betaald aan:
- [appellant sub 1] € 442,05, waarvan € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- [appellanten sub 4] en andere € 483,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 1] en [appellanten sub 2], elk afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt en aan [appellanten sub 4] en andere het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht (€218,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. O. de Savornin Lohman, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat. w.g. van Buuren w.g. Kooijman Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2004 177-449.