(1999), heeft het perceel de bestemming “Gemengde bebouwing”. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn de gronden bestemd voor Gemengde bebouwing aangewezen voor winkels en overige consumentenverzorgende dienstverlening, met uitzondering van smartshops. Ingevolge artikel 1, sub 40, van de planvoorschriften wordt onder smartshop verstaan: een ruimte voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van psychotrope stoffen aan de uiteindelijke verbruiker of gebruiker. 2.
- Appellante komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat in het pand [locatie] een smartshop was gevestigd als bedoeld in artikel 1, sub 40, van de planvoorschriften. Appellante heeft gesteld dat niet is komen vast te staan dat in het pand artikelen werden verkocht die psychotrope stoffen bevatten. 2.
- Het betoog van appellante faalt. In de toelichting op de derde wijziging is gesteld: “Psychotrope stoffen zijn middelen die een wijziging teweegbrengen in de zielstoestand en de geestelijke functies van mensen. Deze stoffen kunnen variëren van paddestoelen, kruidentheesoorten, hennepwijn tot herbal XTC. Koffie, “gewone” theesoorten, drop, tabak, e.d. vallen vanzelfsprekend niet onder deze psychotrope stoffen.” Voorts wordt in de considerans van de derde wijziging van het bestemmingsplan gesteld dat het groeiend aantal smartshops in het plangebied het gemengde karakter van dit gebied aantast en dat om die reden is besloten tot een regeling voor het tegengaan van verdere uitbreiding van het aantal smartshops. Gelet hierop is de Afdeling, evenals de rechtbank, van oordeel dat het dagelijks bestuur een juiste uitleg aan de planvoorschriften heeft gegeven door een smartshop aan te merken als een winkel die zijn identiteit in belangrijke mate ontleent aan de verkoop van in beginsel legale, niet-traditionele drugs, zoals gedroogde paddestoelen en geestverruimende kruidensoorten, en zich aldus onderscheidt van supermarkten en drogisterijen. Anders dan appellante betoogt, is daarmee voldoende duidelijk welke winkels als smartshop dienen te worden aangemerkt. Gelet op de rapporten van de brigadier van politie, de foto’s van de etalageruit van het pand en de overige stukken kan niet worden staande gehouden dat het dagelijks bestuur zich niet op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat in het pand in strijd met het bestemmingsplan een smartshop als bedoeld in artikel 1, sub 40, van de planvoorschriften was gevestigd, zodat het dagelijks bestuur bevoegd was handhavend op te treden. Aan het eerst in hoger beroep aangevoerde betoog van appellante dat de omschrijving van het begrip smartshop een ongerechtvaardigde beperking is van het recht op vrije vestiging dient, wat daar overigens van zij, te worden voorbijgegaan, nu niet valt in te zien dat dit niet eerder had kunnen worden aangevoerd. 2.
- De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhavend optreden had behoren te worden afgezien. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk w.g. Wilbers-Taselaar Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2004 71.