(2003)opgenomen voorschriften betreffende de brandveiligheid. De voorzieningenrechter heeft in de aangevallen uitspraak daarover onder meer geoordeeld dat – kort weergegeven - het standpunt van het college dat bij de toetsing aan het voorschrift betreffende de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geen rekening behoeft te worden gehouden met de aanwezigheid van het pakhuis onjuist is en het besluit van 17 december 2003 wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering vernietigd. 2.
- De onderhavige procedure leent zich niet voor een beoordeling van de juistheid van dat oordeel. Dit zal in de bodemprocedure dienen te geschieden. 2.
- In opdracht van [verzoekster sub 1] is door Adviesburo Nieman B.V. een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de brandoverslagrisico’s die kunnen ontstaan ten gevolge van een uitslaande brand in het pakhuis ‘Oud Wilhelmina’ en zijn de vluchtmogelijkheden in de nieuwbouw bij brand in het pakhuis bezien. Bij dat onderzoek is uitgegaan van de werkelijke situatie. Gelet op de conclusies van het rapport van genoemd adviesbureau van 28 mei 2004, die onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden, acht de Voorzitter aannemelijk dat, wanneer aan de zuidgevel en het dak van het pakhuis en/of langs de galerijen van de nieuwbouw bepaalde voorzieningen worden getroffen, een situatie ontstaat die voldoet aan de voorschriften op het punt van de brandveiligheid en – daarvan uitgaande – dat het bouwplan kan worden uitgevoerd en de bouwvergunning in stand zal blijven. Het college heeft zich bereid verklaard de kosten voor de voorzieningen aan het pakhuis voor zijn rekening te nemen. 2.
- Gelet hierop en op de betrokken belangen, bestaat aanleiding voor het treffen van na te melden voorlopige voorziening. Daarbij is wat betreft de voorziening dat het college hangende de hoger beroepen geen nieuwe beslissing op de bezwaarschriften hoeft te nemen mede in aanmerking genomen dat de bodemzaak versneld zal worden behandeld. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 2.
- Het griffierecht zal door de Secretaris van de Raad van State aan verzoekers worden terugbetaald.
- Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam geen nieuwe beslissing op de bezwaarschriften hoeft te nemen voordat de Afdeling op de hoger beroepen heeft beslist; II. heft bij wijze van voorlopige voorziening de schorsing door de voorzieningenrechter van het besluit van 2 juni 2003, kenmerk G1/0259 SWD 2001, tot zes weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar op, totdat de Afdeling heeft beslist op de hoger beroepen of het geschil op andere wijze tot een einde is gekomen; III. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht (beide € 409,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Boer Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2004 201.