(3)”. Ingevolge artikel 4.1, onder a, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn aan de gronden die blijkens de plankaart voor “woongebied” zijn bestemd, woondoeleinden beperkt tot de op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp-plan bestaande woningen toegekend. Ingevolge artikel 4.3 van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 11 van de WRO de bestemming wijzigen voor wat betreft nieuwbouw van woningen, mits: a. hoofdgebouwen voor wat betreft de schaal worden afgestemd op die van de bestaande hoofdgebouwen in de omgeving; b. de nieuwbouw overeenstemt met het bepaalde in artikel 4 “woongebied”, met inachtneming van de op de plankaart vermelde categorie. 2.
- Appellanten komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid bij afweging van alle belangen heeft kunnen weigeren het bestemmingsplan te wijzigen. Volgens appellanten heeft het college aan haar bestreden beslissing op bezwaar niet ten grondslag gelegd dat blijkens de plantoelichting slechts ruimte is voor het realiseren van de reeds bestaande restcapaciteit en heeft de rechtbank dit derhalve ten onrechte bij haar oordeel betrokken. Dit betoog treft geen doel. Het college heeft bij de bestreden beslissing op bezwaar verwezen naar de toelichting op het bestemmingsplan waarin is gesteld dat de karakteristieke kenmerken van het gebied, zoals villa’s gelegen op riante kavels en de lage dichtheid van het gebied, en de aanwezige landschapswaarden behouden moeten worden en dat van verdichting, naast de bestaande restcapaciteit, geen sprake mag zijn. Volgens het college bestaat de restcapaciteit uit de mogelijkheden tot woningbouw op een aantal in het voorheen geldende bestemmingsplan opgenomen onbebouwde bouwvlakken die ten tijde van het ter inzage leggen van het thans geldende bestemmingsplan nog niet waren benut. Door appellanten is niet bestreden dat de extra woning op het perceel niet binnen deze restcapaciteit valt. 2.
- Voorzover appellanten betogen dat in een aantal van de door hen genoemde veertien gevallen waarin het college het bestemmingsplan heeft gewijzigd, de extra woningen evenmin binnen de restcapaciteit vielen, overweegt de Afdeling dat naar door het college ter zitting naar voren is gebracht en uit de ter zitting getoonde plankaart is gebleken dat, anders dan in die gevallen, in dit geval het bouwvlak op het perceel onvoldoende ruim is om te splitsen. Voorts is de Afdeling evenals de rechtbank van oordeel dat het college terecht belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat, anders dan in de door appellanten genoemde gevallen, alleen na het slopen van de ten tijde van de terinzagelegging bestaande woning voldoende ruimte aanwezig is voor de realisering van twee woningen. Dat volgens appellanten ook in twee van de veertien door hen genoemde gevallen een woning is gesloopt dan wel verplaatst om een betere ruimte voor een tweede woning te creëren, maakt dat niet anders, omdat de sloop van de woning in die gevallen niet noodzakelijk was om twee percelen van de vereiste omvang te creëren. 2.
- Gelet op het vorenstaande kan niet staande gehouden worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om het bestemmingsplan te wijzigen. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Klein Nulent Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2004 218-398.