(1973)van de betreffende percelen, alsmede relevante wijzigingen in dat gebruik nadien. Bij gebruik van gronden in strijd met de vigerende bestemming is het aan degene die zich op overgangsrecht beroept om aan te tonen, dan wel aannemelijk te maken dat er sprake is van gebruik dat door het overgangsrecht wordt beschermd. Dat geldt ook in een geval als het onderhavige, waar sprake is van de opslag van bouwmaterialen, waarvan de omvang en samenstelling voortdurend wisselt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, waar foto’s zijn getoond, wordt niet onaannemelijk geacht de stelling van appellant dat er op perceel no. […] in 1973 al sprake was van enige opslag. De Afdeling heeft op grond van het getoonde bewijsmateriaal de aard en omvang daarvan echter niet kunnen vaststellen. Wel is gebleken dat nadien, in ieder geval vanaf 1995, de aard en omvang van de opslag in relevante mate is gewijzigd en toegenomen, waardoor de afwijking van de vigerende bestemming(en) is vergroot. Onder deze omstandigheden komt appellant geen geslaagd beroep op het overgangsrecht toe. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. Het college was derhalve bevoegd terzake handhavend op te treden. 2.
- Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.
- Van een concreet zich op legalisatie is geen sprake. Met de rechtbank kan niet worden geoordeeld, dat de uitbreiding van de opslag vanaf 1995 zolang door het college is gedoogd, dat daartegen niet kon worden opgetreden. Er bestaan voorts onvoldoende aanwijzingen voor appellants stelling, dat het college tot 2002 alle opslag op perceel no. […] geheel heeft willen ontzien. Nu niet is gebleken dat de aangevallen uitspraak – voor zover deze ziet op perceel no. […] – om andere redenen niet in stand kan blijven, dient deze te worden bevestigd. 2.
- De Afdeling komt tot een gelijkluidend oordeel voor wat betreft perceel no. […]. In dat verband wordt nog overwogen, dat niet is komen vast te staan, dat op dit perceel ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” in 1995 opslag plaatsvond. Nadien is door het college tegen incidentele opslag opgetreden. 2.
- Gezien het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat. w.g. Van Ettekoven w.g. Schortinghuis Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2004 66.