200404115/1. Datum uitspraak: 24 november 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2. de stichting "Stichting Brabantse Milieufederatie", gevestigd te Tilburg, de vereniging “Natuurvereniging Mark en Leij”, gevestigd te Chaam en het zelfstandig bestuursorgaan “Staatsbosbeheer”, gevestigd te Driebergen-Rijssenburg (hierna: de BMF e.a.). appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 24 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Alphen-Chaam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 januari 2002, het bestemmingsplan “Kampeerhoeve De Goudberg” vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 september 2002, no. 815351, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. De Afdeling heeft het besluit van 10 september 2002 bij uitspraak van 13 mei 2003, no. 200205650/3, geheel vernietigd. Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 maart 2004, no. 815351/985310, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 14 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2004, en appellanten sub 2 bij brief van 27 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2004, beroep ingesteld. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Alphen-Chaam. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2004, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, gemachtigde, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. A.M. Mohnen, advocaat te Venlo, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.M. van de Laar, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Alphen-Chaam, vertegenwoordigd door mr. L.H.J. Verhoeven en mr. R.L. van der Molen, ambtenaren van de gemeente, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. 2.2. Met het plan wordt beoogd het kampeerbedrijf aan de Goudbergseweg in Strijbeek planologisch te regelen. 2.3. De BMF e.a. stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij hebben bezwaar tegen het plandeel met de detailbestemming “Kampeerdoeleinden” dat voorziet in kampeerplaatsen en een speelweide, voorzover het plandeel is gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) en de Groene Hoofdstructuur (hierna: GHS), subzone “overig bos- en natuurgebied”. Zij voeren aan dat het plangebied in het begrenzingenplan “De Mark” is aangewezen als reservaatsgebied en dat niet is voldaan aan de voorwaarden van het streekplanbeleid waaronder aantasting van de EHS en de GHS kan worden gerechtvaardigd. Voorts stellen appellanten dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de in en om het plangebied levende diersoorten welke worden beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet, de Habitatrichtlijn en de Conventie van Bern. Evenmin is door verweerder op deze bedenking ingegaan. Ten slotte stellen appellanten zich op het standpunt dat de speelweide ten onrechte is vergroot en dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat het gebruik van de gronden als speelveld geen grotere aantasting van de natuurwaarden tot gevolg heeft dan gebruik voor agrarische doeleinden. 2.3.1. De gemeenteraad heeft de voortzetting van het kampeerbedrijf van [appellant sub 1] binnen de bestaande vergunning op grond van de Wet op de Openluchtrecreatie aanvaardbaar geacht en heeft daarom aan de gronden onder meer de bestemmingen “Kampeerhoeve” en “Kampeerdoeleinden” toegekend. De gemeenteraad heeft het voorts wenselijk geacht de omvang van de speelweide te vergroten om de mogelijke druk op het omliggende natuurgebied te verkleinen. 2.3.2. Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan goedgekeurd. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bestaande situaties in beginsel ook dienovereenkomstig bestemd behoren te worden, waarbij in dit geval is aangesloten bij de vergunde situatie. Voorts stelt hij dat het plan grotendeels overeenkomt met de bestaande situatie en de kampeerhoeve “De Goudberg” niet als te verplaatsen bedrijf is aangewezen op grond van het streekplanbeleid inzake bestaande verblijfsrecreatiebedrijven. Het gebruik als speelweide zal niet of nauwelijks een grotere aantasting van de natuurwaarden betekenen dan het tot nu toe toegestane agrarische gebruik, aldus verweerder. 2.3.3. Appellanten stellen dat in het plangebied en in de directe omgeving daarvan de vinpootsalamander, de alpensalamander, de groene kikker, de bruine kikker, de heikikker en de levendbarende hagedis voorkomen. De Afdeling overweegt dat de bescherming van diersoorten als bedoeld in het Verdrag van Bern wordt beheerst door het Gemeenschapsrecht, nu onder meer de Habitatrichtlijn hierin door middel van de soortenbescherming voorziet. In dit verband overweegt de Afdeling voorts dat de soortenbescherming uit de Habitatrichtlijn inmiddels is geïmplementeerd in de Flora- en Faunawet die grotendeels op 1 april 2002 in werking is getreden. De door appellante genoemde diersoorten vallen derhalve onder de bescherming van de Flora- en Faunawet. Naar het oordeel van de Afdeling is niet aannemelijk dat, gelet op de reeds langdurige aanwezigheid van het kampeerterrein, voorzover bestaand, binnen het gebied, het bepaalde in de Flora- en Faunawet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Dat verweerder hier in zijn besluit niet expliciet op in is gegaan, acht de Afdeling in de gegeven omstandigheden niet een zodanig gebrek in motivering dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit in zoverre zou moeten leiden. 2.3.4. Het provinciale beleid is neergelegd in het Streekplan Noord-Brabant 2002 (hierna: het streekplan). Het plangebied ligt binnen de GHS. Volgens paragraaf 3.4.5., van het streekplan, voorzover hier van belang, is de zogenoemde externe bescherming van de GHS gebaseerd op het “nee, tenzij-principe”. Hier is uitbreiding van stedelijk ruimtebeslag alleen toelaatbaar als daar zwaarwegende maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen, en pas nadat een onderzoek heeft aangetoond dat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten de GHS, of andere oplossingen waardoor de aantasting van de natuur- en hiermee samenhangende landschapswaarden wordt voorkomen. De Afdeling overweegt, anders dan appellanten stellen, dat het bovengenoemde streekplanbeleid niet van toepassing is op de kampeerhoeve “De Goudberg”. Dit beleid ziet uitsluitend op de uitbreiding van steden en dorpen, de aanleg en uitbreiding van bedrijventerreinen en de aanleg en aanpassing van niet-recreatieve infrastructuur en het ziet daarmee niet op recreatieve voorzieningen. Verweerder heeft dit beleid terecht niet betrokken bij zijn besluitvorming. 2.3.5. Ingevolge het streekplanbeleid inzake de zogenoemde interne bescherming van de GHS en AHS-landschap, voorzover hier van belang, geldt voor de verhouding tussen enerzijds de GHS en de AHS-landschap en anderzijds recreatie het specifieke beleid dat is geformuleerd in paragraaf 3.4.9. In deze paragraaf is het streekplanbeleid inzake verblijfs- en dagrecreatie geformuleerd. Het uitgangspunt hierbij is dat er een gezonde verhouding dient te bestaan tussen de toeristisch-recreatieve activiteiten en de draagkracht van het gebied waarin deze plaatsvinden. In dit streekplanbeleid wordt een onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe locaties voor verblijfsrecreatie. Voor nieuwe locaties voor verblijfsrecreatie in de GHS, subzone overig bos- en natuurgebied komen alleen bestaande en voormalige (agrarische) bouwblokken in aanmerking. Voor bestaande verblijfsrecreatiebedrijven binnen de GHS wordt een onderscheid gemaakt in bedrijven die zich ter plaatse verder kunnen ontwikkelen en bedrijven waarvoor verplaatsing naar minder gevoelige plekken wordt nagestreefd. Welke bedrijven voor verplaatsing in aanmerking komen moet duidelijk worden in het kader van het project ‘Revitalisering Landelijk Gebied’. Voor bestaande recreatiebedrijven die ter plaatse gevestigd mogen blijven biedt het streekplanbeleid onder de volgende voorwaarden uitbreidingsmogelijkheden.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.