(1988)of een provinciale of een gemeentelijke Monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; b. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en deze ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; c. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken en hun gebruikers in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en deze ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd. 2.
- In geschil is het oordeel van de voorzieningenrechter dat appellanten in beroep geen gronden hebben aangevoerd op grond waarvan de sloopvergunning kon worden geweigerd. 2.
- Appellanten voeren tevergeefs aan dat de voorzieningenrechter er ten onrechte van is uitgegaan dat in artikel 8.1.6 van de Bouwverordening de gronden waarop een sloopvergunning kan worden geweigerd, limitatief zijn opgenomen. Zoals de Voorzitter van de Afdeling heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 maart 1994, Gst. 1994, 6988, 10, is met artikel 8 van de Woningwet beoogd om in de bouwverordening voorschriften te doen opnemen in het belang van de veiligheid bij het slopen. Gelet daarop, en de bewoordingen van het artikel in aanmerking genomen, is de Afdeling evenals de voorzieningenrechter van oordeel dat een sloopvergunning alleen kan en moet worden geweigerd indien zich een van de weigeringsgronden genoemd in artikel 8.1.6 van de Bouwverordening voordoet. Mitsdien heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat de omstandigheid dat het bestemmingsplan Wijnhavenkwartier, dat onder meer betrekking heeft op de kavel waarop de Zwarte Madonna staat, nog niet in rechte onherroepelijk is geworden, geen grond vormt voor het weigeren van de sloopvergunning. Hetzelfde geldt voor het betoog van appellanten dat de sloopvergunning moet worden vernietigd omdat er voor de op de plaats van de Zwarte Madonna geplande nieuwbouw voldoende alternatieve locaties zijn en omdat de sloop in hun ogen onaanvaardbaar is vanwege een enorm gebrek aan goede en betaalbare huurwoningen. 2.
- Het hoger beroep, voorzover ingesteld door de overige appellanten, is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep voorzover ingesteld door I.M. M. en J.F.G. V. niet-ontvankelijk; II. bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink w.g. Mathot Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005 413.