(1992)toegepast. Het groeiklassebeleid is voor bedrijventerreinen uitgewerkt in de provinciale beleidsnota “Op Maat”. Vooruitlopend op de vaststelling van een uitwerkingsplan voor een stedelijke of een landelijke regio kan verweerder een van het groeiklassebeleid afwijkend besluit nemen over een woon- of werklocatie, indien redelijkerwijze buiten twijfel is dat dit in overeenstemming zal zijn met het vast te stellen uitwerkingsplan. De Afdeling acht dit (overgangs)beleid niet onredelijk. Uit de stukken blijkt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, onder meer voor de landelijke regio waarin de kern Boekel ligt, in het kader van het op te stellen uitwerkingsplan als bedoeld in het hiervoor geschetste overgangsbeleid een programma is opgesteld. Daarin is het bedrijventerrein aangemerkt als een “aanwezige restcapaciteit bedrijventerrein”. Gelet op het overgangsbeleid heeft verweerder vooruitlopend op de vaststelling van een uitwerkingsplan dit in afwijking van het groeiklassebeleid bij de beoordeling van het voorliggende plan in aanmerking kunnen nemen. 2.3.
- Wat de flora en fauna in het plangebied betreft stelt de Afdeling vast dat het plangebied niet is aangewezen als speciale beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn, of is aangemeld in het kader van de Habitatrichtlijn als habitatgebied, dan wel op grond van de Flora- en faunawet of de Natuurbeschermingswet gebiedsbescherming geniet. Blijkens de stukken heeft de gemeenteraad de in het gebied voorkomende natuurwaarden onderzocht. Volgens de resultaten van dit onderzoek komen in het plangebied geen bijzondere plantensoorten noch bedreigde soorten voor zoals bedoeld in de Flora- en faunawet. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in het kader van de bestemmingsplanprocedure zich op het standpunt had moet stellen dat een verdergaand onderzoek had dienen te worden verricht naar de in het plangebied voorkomende flora en fauna. 2.3.
- Aan de gronden ten westen van het perceel van appellanten is de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” toegekend. De afstand van de gevel van de woonboerderij van appellanten tot aan de dichtstbijzijnde grens van de tot “Bedrijfsdoeleinden” bestemde gronden bedraagt ongeveer 25 meter. Deze gronden zijn ingevolge artikel 4, lid A.1, onder a, van de planvoorschriften bestemd voor lichte en middelzware industriële en ambachtelijke bedrijven bedrijfsdoeleinden, voor zover geen inrichtingen zijnde als bedoeld in ingevolge artikel 41 van de Wet geluidhinder en voor zover passend binnen de milieucategorieën 2 en
- In artikel 4, lid A2, aanhef onder 2, sub, c, van de planvoorschriften, beschrijving in hoofdlijnen, voor zover hier van belang, is het volgende bepaald. “Bij uitbreiding of vestiging (of gronduitgifte) zal de volgende richtlijn worden toegepast: aan de voorschriften is een Staat van Bedrijfsactiviteiten als bijlage toegevoegd met milieuhinderlijke bedrijven. Bedrijven behorend tot milieucategorie 3 zijn niet overal rechtstreeks toelaatbaar. Dit is afhankelijk van de afstand welke aan deze categorie is toegedeeld: 50 of 100 meter. Bij de vestiging van een categorie 3-bedrijf dient met deze afstanden rekening te worden gehouden.” In artikel 4, lid B, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is bepaald dat de oppervlakte van een bouwperceel niet minder dan 1.000 m2 en niet meer dan 3.500 m2 mag bedragen. Ingevolge artikel 4, lid E, aanhef, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen ten behoeve van vergroting van de maximale oppervlakte van een bouwperceel tot maximaal 5.000 m2 , voor de nieuwvestiging van een bedrijf. 2.3.
- Ten aanzien van het bezwaar van appellanten inzake de toelaatbaarheid van de in het plan voorziene categorie 3-bedrijven binnen 100 meter vanaf de gevel van hun woonboerderij overweegt de Afdeling het volgende. Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit goedkeuring onthouden aan het betrokken plandeel voorzover dat betrekking heeft op gronden die liggen binnen 50 meter vanaf de gevel van de woonboerderij van appellanten. Verweerder is van mening dat de aanbevolen afstanden voor een categorie 3-bedrijf 50 tot 100 meter bedragen, en dat vestiging van dergelijke bedrijven binnen 50 meter vanaf de gevel van de woonboerderij van appellanten niet aanvaardbaar is. De Afdeling stelt evenwel vast dat ingevolge de planvoorschriften binnen een afstand van 100 meter van de gevel van de woonboerderij van appellanten categorie 3-bedrijven kunnen worden gevestigd waarvoor blijkens de Staat van Bedrijfsactiviteiten een afstand van 100 meter van toepassing is. Verweerder heeft bij het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom hij deze afstand wel aanvaardbaar vindt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van appellanten is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” dat betrekking heeft op de gronden die liggen binnen een afstand van 100 meter, gemeten vanaf de zijgevel van de woonboerderij van appellanten, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart. 2.3.
- Aangaande het bezwaar van appellanten inzake het bedrijf [belanghebbende] overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bedrijf in het plangebied is gevestigd en kan worden aangemerkt als een afvalverwerkingsbedrijf. Blijkens de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt een dergelijk bedrijf als een categorie 3-bedrijf aangemerkt en geldt een aan te houden afstand van 50 meter. Volgens de plantoelichting is bij het opstellen van deze Staat van Bedrijfsactiviteiten aangesloten bij de VNG brochure “Bedrijven en milieuzonering”. De Staat van Bedrijfsactiviteiten wijkt niet af van de Brochure ten opzichte van de aanbevolen afstanden voor deze bedrijven. Niet is gebleken dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen instemmen met de keuze van de gemeenteraad om bij dergelijke bedrijven uit te gaan van een afstand van 50 meter. Evenmin is gebleken dat het bedrijf niet als een categorie 3-bedrijf is aan te merken. Ter zitting hebben appellanten aangevoerd dat het bedrijf [belanghebbende] in strijd met de verleende milieuvergunning activiteiten uitoefent op gemeentegrond buiten de inrichting. Dit bezwaar is niet gericht tegen het plan en kan dan ook niet in deze procedure aan de orde komen. Ten aanzien van de stelling van appellanten dat het bedrijf door uitbreiding van de kavelgrootte tot boven de 5.000 m2 niet passend is op een bedrijventerrein bij de kern Boekel, stelt de Afdeling vast dat het plan niet in deze mogelijkheid voorziet. 2.3.
- Wat betreft het bezwaar van appellanten inzake de welstandseisen overweegt de Afdeling het volgende. De planvoorschriften bij de tot “Bedrijfsdoeleinden” bestemde gronden waarborgen dat de beoogde bebouwing wat betreft zijn ruimtelijke eigenschappen past in de omgeving. In een bestemmingsplan kunnen in beginsel geen welstandsnormen worden opgenomen. Appellanten hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarom het opnemen van welstandsnormen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk zijn. Ten aanzien van het bezwaar van appellanten dat de gemeenteraad geen Welstandsnota zal opstellen overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Gelet op het vorenstaande behoefde verweerder derhalve geen aanleiding te zien om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden. 2.3.
- Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich, behoudens hetgeen onder 2.3.
- is overwogen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van appellanten is in zoverre ongegrond. 2.3.
- Betreffende het bezwaar van appellanten inzake de wijzigingsbevoegdheid overweegt de Afdeling het volgende. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” met de aanduiding “wijzigingsbevoegdheid” betreffende het perceel van appellanten. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat de feitelijke situatie niet als zodanig is bestemd. Verder heeft verweerder goedkeuring onthouden aan artikel 5, lid D, onder 1, van de planvoorschriften. Verweerder heeft hierbij overwogen dat dit artikellid voorziet in de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om de bestemming “Woondoeleinden” te wijzigen in “Bedrijfsdoeleinden” terwijl deze laatste bestemming bedrijfswoningen niet toelaat. Nu reeds een woning op het perceel staat en de planvoorschriften de bestaande woonsituatie niet waarborgen acht verweerder deze wijzigingbevoegdheid rechtsonzeker. Anders dan appellanten stellen heeft de onthouding van goedkeuring aan het betrokken plandeel ook gevolgen voor de in artikel 5, lid D, onder 2, van de planvoorschriften neergelegde bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om gronden betreffende hun perceel met de aanduiding “gebied met wijzigingsbevoegdheid” bij de bestemming “Woondoeleinden” te wijzigen in de bestemming “Verkeersdoeleinden”. Immers, het college van burgemeester en wethouders is ingevolge dit artikellid niet meer bevoegd tot het vaststellen van een wijzigingsplan voor de desbetreffende gronden. Dit bezwaar mist derhalve in zoverre feitelijke grondslag. Voorzover appellanten stellen dat verweerder uitdrukkelijk aan artikel 5, lid D, onder 2, van de planvoorschriften goedkeuring had moeten worden onthouden overweegt de Afdeling het volgende. Door de onthouding van goedkeuring aan het betrokken plandeel is in zoverre aan de bezwaren van appellanten tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf, maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan. De Afdeling vat het beroep van appellanten daarom aldus op dat zij zich er tegen verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag liggen. Verweerder is bij zijn bestreden besluit ingegaan op de bedenkingen van appellanten terzake. Hij heeft in dit verband overwogen dat voor een goede infrastructurele afronding van het plangebied de beoogde ontsluiting aan de noordzijde van het plangebied noodzakelijk is en dat het hem niet expliciet is gebleken dat de bestreden wijzigingsbevoegdheid geen realiteitswaarde heeft. Appellanten hebben niet aangegeven waarom deze motivering onjuist zou zijn. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder deze motivering in redelijkheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn besluit. Het beroep van appellanten is in zoverre ongegrond. 2.
- [appellanten sub 2] voeren in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover dat voorziet in de aanleg van een zogenoemde buffervijver nabij hun agrarische bedrijf. Appellanten voeren aan dat zij in de uitbreidingsmogelijkheden van hun bedrijf kunnen worden beperkt. Verder vrezen zij verschillende vormen van overlast en waardevermindering van hun bedrijf. 2.4.
- De gemeenteraad heeft de mogelijkheid een buffervijver aan te leggen in het plan opgenomen gelet op de waterhuishouding van het gebied. De gemeenteraad is van mening dat de wens van appellanten om het gebied vrij te houden voor uitbreidingsmogelijkheden van hun bedrijf niet in verhouding staat tot het algemeen belang van de aanleg van de buffervijver. Deze heeft volgens de gemeenteraad geen gevolgen voor de stand van het grondwater in de omgeving. 2.4.
- Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. 2.4.
- Aan de gronden die betrekking hebben op de aanleg van buffervijver heeft de gemeenteraad de bestemming “Water” toegekend. Ingevolge artikel 9 van de planvoorschriften zijn deze gronden onder andere bestemd voor primair de realisatie van een waterpartij van minimaal 0.61 hectare voor berging van hemelwater afkomstig van het aangrenzende bedrijventerrein. Appellanten exploiteren een agrarisch bedrijf ten westen van het plangebied. Hun perceel grenst aan de oostzijde aan de in het plan voorziene buffervijver. De gemeente heeft met het waterschap onderzoek verricht naar alternatieven voor de waterhuishouding van het in het plan voorziene bedrijventerrein. Uit dit onderzoek is gebleken dat de voorkeur uitgaat naar een centrale waterberging in de vorm van een buffervijver aangezien ondergrondse berging niet afdoende zou zijn voor het gehele terrein. De door appellanten gevreesde veranderingen van de grondwaterstand hebben zij niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is gebleken dat de door appellanten gevreesde vormen van overlast zo groot zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid niet heeft kunnen voorbijgaan. Verder is niet gebleken dat appellanten concrete plannen hebben voor uitbreiding van hun bedrijf waarmee verweerder op voorhand rekening diende te houden. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van het agrarische bedrijf betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat verweerder om die reden goedkeuring aan het plan had dienen te onthouden. 2.4.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond. 2.
- Ten aanzien van [appellanten sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellanten sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 16 december 2003, 921288, voorzover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" dat betrekking heeft op de gronden die liggen binnen een afstand van 100 meter, gemeten vanaf de zijgevel van de woonboerderij van appellanten, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart; III. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] voor het overige en van [appellanten sub 2] geheel ongegrond; IV. gelast dat provincie Noord-Brabant aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat. w.g. Dolman w.g. Soede Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005 270-387.