(1992)is erop gericht aard, omvang en functie van bedrijvigheid en daarmee de bedrijventerreinen af te stemmen op de aard, omvang en functie van de desbetreffende kern. Daarbij geldt voor groeiklasse-3-kernen, zoals de kern Someren, een beperkte bovenlokale functie voor de dorpen in de naaste omgeving. Verder is in de nota “Op Maat” vermeld dat bij een bedrijventerrein in groeiklasse 3 wordt uitgegaan van een maximale kavelgrootte van 5000 m2 voor een individuele vestiging van een bedrijf, toelating van bedrijven in de categorieën 2, 3, 4, en met toepassing van een vrijstellingsbevoegdheid toelating van categorie 5-bedrijven. Als de ruimtebehoefte groter is, dient het desbetreffende bedrijf zich te vestigen in een kern in een hogere groeiklasse of in een nabij gelegen stadsregio. Verder is in de plantoelichting vermeld dat het plan is uitgewerkt binnen de kaders van voornoemde nota “Op Maat”. Tevens is vermeld dat het merendeel van de percelen in het plangebied een omvang heeft van ongeveer 1.500 m2 á 1.750 m2 met uitzondering van een perceel van 3.700 m2 op de hoek Dorserweg en de Muldersweg, ten zuiden van het plangebied. Blijkens de plantoelichting beoogt de vereniging "Mineralenverwerking Someren" een mestverwerkingsbedrijf te vestigen in het plangebied. De Afdeling stelt evenwel vast dat op de plankaart geen bouwpercelen zijn aangegeven. Aan de op de plankaart aangegeven kavels komt geen betekenis toe, nu daartoe in het plan geen voorschriften zijn gesteld. Het bestemmingsplan staat derhalve er niet aan in de weg dat de bestemmingsvlakken of delen daarvan als bouwperceel worden gebruikt die groter zijn dan 5.000 m
- Aldus kunnen bouwpercelen ontstaan die groter kunnen zijn dan verweerder blijkens zijn beleid voor het betrokken bedrijventerrein aanvaardbaar heeft geacht. Bovendien is het daardoor mogelijk grootschalige bebouwing op te richten die niet overeenkomt met het karakter van het gebied. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 2.8.
- Verder overweegt de Afdeling het volgende. Ingevolge artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 3 juni 1996, nr. H01.95 0265 (BR 1996, 897) heeft overwogen, wordt blijkens de wetsgeschiedenis met dit artikel beoogd het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Uit het artikel vloeit voort dat de in een bestemmingsplan vervatte vrijstellingsregeling niet ertoe kan strekken dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling kan verlenen van de op de plankaart aangegeven bestemmingen. Een vrijstellingsregeling mag evenmin tot effect hebben dat de bestemming van de grond wordt gewijzigd. Toepassing van de in artikel 3, lid IV, onder 1, van de planvoorschriften neergelegde vrijstellingsbevoegdheid kan tot gevolg hebben dat de aard van het bedrijventerrein verandert. Het gebruik maken van de vrijstellingsbevoegdheid heeft immers tot gevolg dat behalve de toegelaten ambachtelijke, licht industriële en groothandelsbedrijven in de categorie 2 en 3 waarvoor een afstand van 30 tot 100 meter geldt ook categorie 4-bedrijven kunnen worden toegelaten waarvoor een afstand geldt van 200 tot 300 meter. Afgezien daarvan blijkt uit het bestreden besluit noch uit de plantoelichting dat het toelaten van categorie 4-bedrijven uit planologisch oogpunt is afgewogen. Gelet op het vorenstaande is er geen sprake van een ondergeschikte verandering van het plan, zodat dit voorschrift in strijd is met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. 2.
- Uit het in 2.8.
- en 2.8.
- overwogene volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit dient, voorzover goedkeuring is verleend aan het plan wegens strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht en met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te worden vernietigd. Gelet op het vorenstaande volgt dat rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plan. In verband hiermede behoeven de overige bezwaren van appellanten geen bespreking. 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 18 mei 2004, nummer 961348, voorzover het de goedkeuring van het plan betreft; III. onthoudt goedkeuring aan het plan, voorzover het is goedgekeurd; IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellanten; VI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat. w.g. Cleton w.g. Soede Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005 270-387.