(2001)” niet valt aan te merken als een stedelijke uitbreidingslocatie, maar als een stedelijke inbreidingslocatie. Ten slotte stelt verweerder zich met de gemeenteraad op het standpunt dat de gestelde wateroverlast niet wordt vergroot. Blijkens het bestreden besluit heeft hij daartoe, evenals de gemeenteraad, van belang geacht dat de hemelwaterafvoer zal worden losgekoppeld van het rioolstelsel en dat voorzieningen aan het rioolstelsel zullen worden getroffen. 2.
- Aangaande de bezwaren van appellanten inzake wateroverlast en bodem- en grondwaterverontreiniging overweegt de Afdeling het volgende. Het plangebied wordt aan twee zijden begrensd door het bestaande bedrijventerrein Kruisstraat. Ter plaatse was voorheen het varkensveredelingsbedrijf Bovar gevestigd. Appellanten wonen ten westen van het plangebied aan de [locatie], waar tevens hun weg- en waterbouwbedrijf is gevestigd. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was het betrokken gebied in het streekplan “Noord-Brabant 2002; Brabant in balans” (verder te noemen het streekplan) aangeduid als beschermingszone rond de zeer kwetsbare grondwaterwinning Nuland. Blijkens de stukken, in het bijzonder de plantoelichting, is het de bedoeling dat de hemelwaterafvoer van het beoogde bedrijventerrein zal worden losgekoppeld van het rioolstelsel. Dit hemelwater zal, waar mogelijk, worden ingezet bij bedrijfsprocessen en voor het overige via infiltratiezones in het groen worden afgevoerd. Het op de verharde oppervlakten gevallen regenwater zal, blijkens de stukken, in de grond worden geïnfiltreerd. Hieruit leidt de Afdeling af dat er geen hemelwater van de verharde oppervlakten zal worden afgevoerd via het riool. Dit is anders dan in de situatie bij genoemd varkensveredelingsbedrijf, toen de hemelwaterafvoer wel was aangesloten op het rioolstelsel. Voorts was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit duidelijk dat verbeteringen aan het voor het plangebied van belang zijnde rioolstelsel zouden worden getroffen. Ter uitvoering van het Gemeentelijk Rioleringsplan 1998-2007 zijn daarvoor kredieten opgenomen in de gemeentelijke begrotingen voor 2001 en
- De Afdeling is van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of het plan in verband met de door appellanten aangevoerde bezwaren aanvaardbaar is, niet tot in detail behoeft vast te staan welke voorzieningen met het oog daarop getroffen zullen worden. Voldoende is dat aangenomen mag worden dat het plan niet tot ernstige bezwaren in de door appellanten gestelde zin zal leiden. Naar het oordeel van de Afdeling is dit het geval. In de hiervoor geschetste omstandigheden heeft verweerder kunnen aannemen dat het plan niet zal leiden tot vergroting van de wateroverlast en van de risico’s op bodem- en grondwaterverontreiniging. Gelet op het bovenstaande acht de Afdeling het, anders dan appellanten hebben betoogd, ook niet nodig dat het bestemmingsplan zelf waarborgen bevat dat bepaalde voorzieningen ter voorkoming van wateroverlast en bodem- en grondwaterverontreiniging worden getroffen. Om dezelfde reden kan verweerder niet worden verweten dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door voorbij te gaan aan het verschil van mening tussen appellanten en het gemeentebestuur over de vraag welke voorzieningen precies zullen worden getroffen en over de technische verdiensten daarvan. 2.7.
- Met betrekking tot waterwingebieden geldt blijkens het streekplan als algemene beleidslijn dat bij nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding van bestaande bebouwing, zowel op stedelijke inbreidings- en uitbreidingslocaties als in het buitengebied, de risico’s voor de kwaliteit van het grondwater zo klein mogelijk dienen te blijven en dat er indien nodig aanvullende, beschermende maatregelen worden getroffen, die redelijkerwijs nodig zijn om grondwatervervuiling te voorkomen. Aanvullend op deze beleidslijn geldt, voorzover hier van belang, voor stedelijke uitbreidingslocaties in de 100-jaarszone van zeer kwetsbare grondwaterwinningen, dat bedrijventerreinen alleen zijn toegestaan als er sprake is van duidelijke ruimtelijke voordelen en nadat er een zorgvuldige afweging van de locatie ten opzichte van alternatieve locaties buiten deze zone heeft plaatsgevonden. 2.7.
- De Afdeling overweegt dat de aanvullende beleidslijn, aan de hand waarvan appellanten strijdigheid met het streekplan hebben gesteld, enkel van toepassing is op stedelijke uitbreidingslocaties. De Afdeling is evenwel van oordeel dat verweerder het plangebied niet heeft hoeven aanmerken als een uitbreidingslocatie maar dit heeft kunnen beschouwen als een inbreidingslocatie. Van belang is in dit verband dat het plangebied aan twee zijden wordt begrensd door en is gelegen in een binnenhoek van het bestaande bedrijventerrein Kruisstraat. Gezien de uit de stukken blijkende aard en hoeveelheid aan bebouwing van het voorheen ter plaatse gevestigde varkensveredelingsbedrijf, kan verder worden geoordeeld dat het gebied in ruimtelijk opzicht al verwantschap vertoonde met dit bedrijventerrein. Aan voormeld oordeel draagt ook bij dat het plangebied voorafgaand aan het onderhavige plan tezamen met het bestaande bedrijventerrein was begrepen in het bestemmingsplan “Bedrijven 1978” en dat het gebied op de kaarten van het streekplan is aangeduid als “Bebouwing Noord-Brabant
(2001)”. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder het standpunt heeft kunnen innemen dat alleen voornoemde algemene beleidslijn op het plan van toepassing is. Gezien hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat verweerder tevens het standpunt heeft kunnen innemen dat het plan zich verdraagt met deze beleidslijn en, mitsdien, dat het streekplanbeleid inzake waterwingebieden zich niet tegen het plan verzet. 2.7.
- Voorzover appellanten stellen dat verweerder ten onrechte vooruit is gelopen op de wijziging van de grondwaterbeschermingszones, overweegt de Afdeling dat verweerder eerst en vooral heeft getoetst aan het toepasselijke streekplanbeleid dat uitging van de ligging van het plangebeid binnen de beschermingszone van de zeer kwetsbare grondwaterwinning Nuland. Blijkens het bovenstaande heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat dit streekplanbeleid zich niet tegen het plan verzet. Onder deze omstandigheden behoeft niet nader te worden ingegaan op dit bezwaar. 2.7.
- Het streekplanbeleid inzake voormalige agrarische bedrijfslocaties waarmee appellanten blijkens het beroepschrift het plan in strijd achten, is van toepassing op gebieden die in het streekplan zijn aangeduid als “Agrarische Hoofdstructuur”. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, in het bijzonder de streekplankaarten, en in aanmerking genomen de hiervoor aangegeven feitelijke ligging van het plangebied, is de Afdeling van oordeel dat dit niet tot deze agrarische hoofdstructuur valt te rekenen. Van strijdigheid van het plan met het streekplan in de door appellanten gestelde zin, is derhalve geen sprake. 2.7.
- Eerst ter zitting hebben appellanten aangevoerd dat het plan strijdig is met het Besluit luchtkwaliteit. De Afdeling acht dit in strijd met de goede procesorde. Daarbij neemt zij in aanmerking dat niet is gebleken dat appellanten deze stelling niet eerder in beroep hadden kunnen inbrengen. Deze dient dan ook buiten beschouwing te blijven. 2.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is voor het overige ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover dat betrekking heeft op de basiszoneringslijst; II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. de Rooy Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005 59-461.