200400282/1 en 200400283/1. Datum uitspraak: 19 januari 2005 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [plaats], en de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluiten van 17 mei 1999, kenmerk NL 94023 en NL 94024, heeft verweerder (voorheen de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en thans de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) krachtens artikel 4, derde lid, onder b, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) bezwaar gemaakt tegen het voornemen van appellante om gemengd stedelijk afval, vergelijkbaar met huishoudelijk afval, uit te voeren naar Duitsland. Bij besluiten van 21 september 1999, kenmerk IMA 1999-12465 en IMA 1999-13750, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder de hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraken van 20 augustus 2003, no. 199902938/2 en 199902821/2, heeft de Afdeling de besluiten van verweerder van 21 september 1999 vernietigd. Bij brieven van 9 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2004, heeft appellante beroep ingesteld tegen het niet tijdig (opnieuw) nemen van besluiten op haar bezwaarschriften tegen de besluiten van 17 mei 1999. Bij besluiten van 28 januari 2004, kenmerk IMA 2003-28322 en IMA 2004-3924, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder opnieuw op de tegen de besluiten van 17 mei 1999 gemaakte bezwaren beslist. Verweerder heeft deze bezwaren wederom ongegrond verklaard. Naar aanleiding van de besluiten van 28 januari 2004 heeft appellante de gronden van haar beroepen van 9 januari 2004 bij brieven van 2 maart 2004 en 19 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2004 respectievelijk 22 maart 2004, aangevuld. Bij brief van 11 juni 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Laan en mr. B. Liefting, advocaten te Hoorn, en ing. G.P.J. Visser, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. Ahraoui, ing. A.H.J. Dijkzeul en M.A. Span, ambtenaren van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 6:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht blijft het bestuursorgaan, indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, verplicht een besluit op de aanvraag te nemen. Ingevolge het derde lid van dit artikel doet het bestuursorgaan, indien het een besluit op de aanvraag neemt, daarvan onverwijld mededeling aan het orgaan waarbij het bezwaar of beroep tegen het niet tijdig beslissen aanhangig is. Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. 2.2. Uit artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de beroepen van appellante van 9 januari 2004, aangevuld bij brieven van 2 maart 2004 en 19 maart 2004, worden geacht mede te zijn gericht tegen de besluiten van 28 januari 2004, nu deze besluiten niet tegemoet komen aan de beroepen van appellante. 2.3. Appellante heeft op 2 april 1999 op grond van de Verordening kennisgevingen gedaan voornemens te zijn van 1 mei 1999 tot en met 30 april 2000 50.000.000 kg gemengd stedelijk afval, vergelijkbaar met huishoudelijk afval, over te brengen naar de MVA Weisweiler GmbH & Co. KG te Duitsland alsmede 50.000.000 kg van voornoemde afvalstoffen over te brengen naar de MVA Köln te Duitsland. De verwerkingswijze van deze afvalstoffen is op de kennisgevingsformulieren met kenmerken NL 94024 en NL 94023 aangemerkt als handelingen van verwijdering als bedoeld in de bij de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, (hierna te noemen: de Richtlijn) behorende bijlage IIA onder D10 ‘verbranding op het land’. De onderhavige afvalstoffen worden verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie (AVI) met energieterugwinning. 2.4. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder zijn primaire besluiten van 17 mei 1999, waarbij hij krachtens artikel 4, derde lid, onder b, sub i en iii, van de Verordening bezwaar maakt tegen de overbrenging van voornoemde afvalstoffen, gehandhaafd. Verweerder heeft aan zijn besluiten om bezwaar te maken de overweging ten grondslag gelegd dat, nu in Nederland ruimschoots voldoende eindverwijderingscapaciteit in de vorm van stortplaatsen aanwezig was, uitvoer van te verwijderen, brandbare, afvalstoffen als de onderhavige dient te worden tegengegaan. Dit is volgens verweerder vast Nederlands beleid en in overeenstemming met zowel het destijds geldende Tienjarenprogramma Afval 1995-2005 uit december 1995 (hierna te noemen: het TJP.A-95) en de daaropvolgende wijzigingen (Wijziging TJP.A-95 uit februari 1997 en de Tweede Wijziging TJP.A-95 uit mei 1999) alsmede het in de Richtlijn en de Verordening opgenomen zelfverzorgingsbeginsel. Verweerder is van mening dat de Nederlandse eindverwijderingsstructuur, bestaande uit een net van afvalverbrandingsinstallaties en stortplaatsen, in stand moet worden gehouden, ook bij tijdelijke volcapaciteit van de afvalverbrandingsinstallaties. De continuïteit van deze eindverwijderingsstructuur komt volgens verweerder in gevaar indien bij een overschot aan brandbaar afval uitvoer toch wordt toegestaan. Verweerder voert daarbij in de eerste plaats aan dat er geen sprake zal zijn van een overschot aan brandbaar afval als het aanbod wordt gerelateerd aan de totale beschikbare verwijderingscapaciteit in Nederland. Het realiseren van zelfverzorging impliceert volgens verweerder het storten van het gehele overschot aan brandbaar afval op de Nederlandse stortplaatsen, ook wanneer dit overschot op enig moment in de praktijk groter is dan aanvankelijk geprognosticeerd. Hij wijst er in de tweede plaats op dat een overschot aan brandbaar afval, vanwege grote fluctuaties in het aanbod in een jaar, niet per definitie leidt tot een situatie waarin de vollast van de AVI’s gedurende het gehele jaar is gegarandeerd. Er moet derhalve voor worden gewaakt dat er zich bij het zonder meer toestaan van het uitvoeren van (minder dan) het totale geplande jaaroverschot aan in een AVI te verwijderen afvalstoffen onderbezetting van de AVI’s voordoet, hetgeen kan betekenen dat de AVI’s wekenlang geen vollast hebben. Ontheffing van het stortverbod als onderdeel van de Nederlandse eindverwijderingsstructuur is, anders dan de export, een doeltreffend en flexibel middel om de vollast in de AVI’s te garanderen, aldus verweerder. In de derde plaats vergroot instemming met uitvoer van brandbaar huishoudelijk afval de kans dat een AVI in financiële problemen komt, waardoor het bestaan van het geïntegreerd en toereikend net van verwijderingsinstallaties in gevaar komt. Verweerder wijst er voorts op dat bij uitvoer niet alleen het net van verwijderingsinstallaties in gevaar komt maar ook de afvalbeheersstructuur. In deze structuur zijn, zo stelt verweerder, de eindverwijderingsmogelijkheden, verbranden en storten, wat betreft de capaciteit, maar ook in financieel opzicht, op elkaar afgestemd. De tarieven worden bepaald door aanbod en verwerkingscapaciteit in Nederland. Voorts zijn de krappe planning van de AVI-capaciteit in combinatie met het gebruik van stortverboden en stortheffingen volgens verweerder randvoorwaarden om de markt te stimuleren tot intensivering van de preventie en nuttige toepassing van afvalstoffen. Door uitvoer toe te staan lekt volgens verweerder echter een onaanvaardbare hoeveelheid afvalstoffen weg naar Duitsland, omdat de tarieven van de Duitse AVI’s op een lager niveau liggen dan de tarieven voor definitieve verwijdering in Nederland. De uitvoer van brandbaar huishoudelijk afval heeft een negatief effect op de verbrandingstarieven van de AVI’s, hetgeen bij het vervullen van een openbaar nutsfunctie als bij huishoudelijk afval, niet acceptabel is, aldus verweerder. Volgens verweerder neemt het prijsdrukkend effect van uitvoer van brandbaar huishoudelijk afval tevens de financiële prikkel weg voor preventie en nuttige toepassing van de afvalstoffen in eigen land, waarop het beleid - dat in overeenstemming is met de voorkeursvolgorde - is gebaseerd. Verweerder is gezien het vorenstaande dan ook van mening dat het belang van een gezonde verwijderingsstructuur zwaarder weegt dan het vrije handelsverkeer van afvalstoffen. 2.5. Appellante betoogt dat verweerder zijn besluiten om bezwaar te maken ten onrechte heeft gehandhaafd. Zij bestrijdt het standpunt van verweerder dat de continuïteit van de Nederlandse verwijderingsstructuur in gevaar komt. Daarbij voert zij allereerst aan dat verweerder met zijn bestreden besluiten geen rekening heeft gehouden met de uitspraken van de Afdeling van 20 augustus 2003. Verweerder heeft volgens haar wederom niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige overbrengingen van in totaal 100.000.000 ton in relatie tot het overschot aan brandbaar afval dat in 1999 bestond, welk overschot enkele malen groter was dan het overschot waarvan in de Tweede Wijziging van het TJP.A-95 werd uitgegaan, het beleid op lange termijn zou frustreren en de continuïteit van de Nederlandse verwijderingsstructuur in gevaar zou brengen. Voorts draagt verweerder volgens appellante slechts economische argumenten aan die geen reden kunnen zijn om export tegen te houden. Verweerder gaat er naar haar mening ten onrechte aan voorbij dat de onderhavige afvalstoffen niet voor verbranding in Nederlandse AVI’s in aanmerking komen, aangezien deze AVI’s op vollast draaien. Ook worden in de onderhavige gevallen preventie en hergebruik door het toestaan van uitvoer niet negatief beïnvloed; het betreft immers afvalstoffen die niet voor hergebruik in aanmerking komen. Van concurrentie tussen de Nederlandse en Duitse AVI’s is dan ook geen sprake, zo stelt appellante. Verder betoogt zij dat het afval in Duitsland op een hoogwaardiger wijze, te weten verbranding met energieterugwinning, wordt verwerkt, hetgeen op grond van zowel de Europese als de Nederlandse voorkeursvolgorde de voorkeur geniet boven storten in Nederland. Verweerder kon zich in de onderhavige gevallen derhalve niet beroepen op het zelfverzorgingsbeginsel ten behoeve van de nationale verbrandingscapaciteit, aldus appellante. Het maken van bezwaar tegen de voorgenomen uitvoer op grond van het zelfverzorgingsbeginsel ter bescherming van de binnenlandse stortplaatsen acht appellante bovendien in strijd met artikel 5 van de Richtlijn, nu dit artikel gezien de hierin gebezigde terminologie volgens haar niet op het storten van afvalstoffen betrekking heeft. Indien het zelfverzorgingsbeginsel ook van toepassing is op stortplaatsen, dient het streven naar zelfverzorging allereerst op communautair niveau plaats te vinden, aldus appellante. Zij is voorts van mening dat het ongeclausuleerd en in algemene zin bezwaar maken tegen export op grond van het zelfverzorgingsbeginsel ingeval van voldoende binnenlandse eindverwerkingscapaciteit onhoudbaar is. Exportbeperkende maatregelen om een volledige capaciteitsbenutting te realiseren van Nederlandse verwijderingsinstallaties gaat naar de mening van appellante verder dan strikt noodzakelijk is om de binnenlandse verwijderingsinfrastructuur in stand te houden. Appellante concludeert dat de toepassing van het nationale zelfverzorgingsbeginsel, zoals dit is verwoord in het TJP.A-95, in strijd is met artikel 29 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: artikel 29 EG). Het volgen van dit beleid resulteert naar de mening van appellante feitelijk in een exportverbod voor te verwijderen afvalstoffen. 2.6. Ingevolge artikel 4, derde lid, onder b, van de Verordening kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming, rekening houdend met geografische omstandigheden en de behoefte aan gespecialiseerde installaties voor bepaalde soorten afvalstoffen, gemotiveerde bezwaren maken tegen de voorgenomen overbrenging, indien deze niet in overeenstemming is met de Richtlijn, in het bijzonder de artikelen 5 en 7:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.