(1992)". Blijkens laatstgenoemd streekplan is de GHS opgebouwd uit natuurgebieden, natuurontwikkelingsgebieden, ecologische verbindingszones en multifunctionele bossen. 2.10.
- Niet betwist is dat aantasting van de GHS ten gevolge van de aanleg van de golfbaan zal plaatsvinden in de zogeheten gebieden 3 en
- 2.10.
- Ter zitting heeft het debat zich toegespitst op de vraag of het zogeheten deelgebied 6, waar ongeveer zeven jaar geleden bos is aangeplant, enige relevant te achten natuurwaarden vertegenwoordigt. Van de zijde van appellanten sub 1 en 2 is betoogd dat zulks niet het geval is, zodat geen sprake is van een aantasting van GHS-natuur dan wel van slechts een zeer geringe aantasting daarvan. 2.10.
- Gelet op de tekst van het streekplan: "In de GHS zijn alle bestaande bosgebieden ondergebracht" en gelet op de streekplankaart, dient jonge aanplant als GHS-natuur in de zin van het streekplan dient te worden aangemerkt. Ter zitting is dit bevestigd. Dit geldt eveneens voor multifunctioneel bos. Nu jong bos en multifunctioneel bos onder de planologische bescherming van de GHS zijn gebracht kan het betoog van appellanten sub 1 en 2 niet slagen. 2.10.
- Een beperkte mate van aantasting van GHS-natuur is een omstandigheid die geacht moet worden bij de vaststelling van het streekplan te zijn betrokken. Provinciale Staten hebben daarin kennelijk geen mogelijke uitzondering willen zien, nu daarover in het streekplan niets is opgenomen. Beperkte aantasting(en) van GHS-natuur kunnen derhalve niet gelden als bijzondere omstandigheden, die aanleiding kunnen geven tot afwijking van het streekplan. 2.10.
- De overige naar voren gebrachte omstandigheden, waaronder de vooruitgang die het golfterrein qua natuur betekent ten opzichte van het agrarisch gebied, kunnen evenmin als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Afdeling betreft dit omstandigheden die inherent zijn aan de aanleg van een golfbaan en derhalve geacht worden als zodanig te zijn verdisconteerd in de beleidslijnen. 2.
- In verband met het vorenstaande heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat het college van gedeputeerde staten met het verlenen van de verklaring van geen bezwaar in redelijkheid niet heeft kunnen afwijken van de in het streekplan neergelegde beleidslijn. In verband hiermede heeft de rechtbank dan ook met juistheid overwogen dat het college van burgemeester en wethouders onder deze omstandigheden geen gebruik had mogen maken van de verleende verklaring van geen bezwaar. 2.
- Appellanten sub 1 en 2 betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een onvoldoende ruimtelijke onderbouwing. Hiertoe betogen appellanten dat artikel 19, eerste lid, van de WRO niet het vereiste stelt dat een gemeentelijk structuurplan, wil het als een goede ruimtelijke onderbouwing kunnen gelden, als een rechtszekerheid biedend concreet plan moet worden aangemerkt. 2.
- Uit vorenstaande met betrekking tot de afwijking van het streekplan, volgt reeds dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het project is immers in strijd met de in het streekplan neergelegde beleidslijnen. 2.
- De Afdeling stelt vast dat het structuurplan Breda Noord Oost Teteringen (hierna: het structuurplan) voorziet in de aanleg van een 18 holes golfbaan. Hierbij is echter het voorbehoud van de economische uitvoerbaarheid gemaakt. Verder stelt de Afdeling vast dat de thans voorliggende vrijstelling niet in overeenstemming is met het in het structuurplan neergelegde uitgangspunt dat de bestaande bossen gehandhaafd blijven. Bovendien kan er niet aan worden voorbijgegaan dat de golfbaan, waarvoor de vrijstelling is verleend, zal worden aangelegd op gronden die in het van latere datum dan het structuurplan daterende streekplan 2002 zijn aangeduid als "GHS" met de nadere aanduiding "Natuur". In verband met het vorenstaande, is de Afdeling van oordeel dat onder deze omstandigheden bij de ruimtelijke onderbouwing van het project niet had kunnen worden volstaan met de verwijzing naar het structuurplan, daterend uit
- 2.14.
- Ten aanzien van de projectomschrijving van 22 januari 2002 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat deze evenmin als een voldoende ruimtelijke onderbouwing kan worden aangemerkt, aangezien hierin slechts een beschrijving van het project wordt gegeven. In verband met het vorenstaande heeft de rechtbank, zij het op andere gronden, terecht geoordeeld dat geen sprake is van een voldoende ruimtelijke onderbouwing, zodat handhaving van de verleende vrijstelling in strijd is met het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WRO. 2.
- Appellanten sub 4 betogen dat de rechtbank een aantal beroepsgronden tegen het milieu-effect rapport ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Uit de stukken blijkt evenwel dat bedoelde beroepsgronden niet door appellanten sub 4 maar door anderen zijn aangevoerd. Niet gebleken is dat appellanten sub 4 deze gronden destijds niet zelf naar voren hadden kunnen brengen. In verband met de goede procesorde, kunnen deze thans kennelijk door hen overgenomen gronden niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken. 2.
- Appellanten sub 4 en 5 betogen dat de rechtbank ten onrechte een aantal van de door hen naar voren gebrachte beroepsgronden onbesproken heeft gelaten. De Afdeling volgt appellanten daarin niet. In een geval als het onderhavige, waarin op enkele van de in beroep aangevoerde gronden wordt beslist tot vernietiging van het besluit op bezwaar, bestaat voor de rechtbank immers geen gehoudenheid ook alle overige tegen het besluit op bezwaar aangevoerde gronden te bespreken. 2.
- Appellanten sub 4 betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hydrologische effecten van de aan te leggen golfbaan in het kader van de procedure tegen de verleende Ontgrondingenvergunning aan de orde kunnen komen. Hiertoe hebben appellanten er op gewezen dat deze toets slechts beperkt is tot de effecten van de ontgrondingen. Voorts hebben appellanten gewezen op de verplichting op grond van artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro) om bij de voorbereiding van een vrijstelling overleg te plegen met de besturen van de betrokken waterschappen. 2.17.
- Dit betoog faalt. Hoewel in het kader van de Ontgrondingenvergunning uitsluitend de hydrologische gevolgen van de ontgrondingen aan de orde zijn geweest, blijkt uit het milieu-effect rapport en de aanvulling daarop, die ten behoeve van het voorliggende project zijn opgesteld, dat de hydrologische situatie in het gebied ten opzichte van de bestaande toestand zal verbeteren. Voor het oordeel dat de in het milieu-effect rapport en de aanvulling daarop getrokken conclusies met betrekking tot de hydrologische gevolgen van de aanleg van de golfbaan onjuist zouden zijn, biedt het betoog van appellanten sub 4 geen grond. Het college heeft deze conclusies dan ook aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen. Voorts is ter zitting onweersproken gesteld dat het overleg met de besturen van de betrokken waterschappen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De opgeworpen grieven kunnen dan ook niet slagen. 2.
- Met betrekking tot het door appellanten sub 4 gedane verzoek aan het college om een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb wordt overwogen dat het college blijkens de beslissing op bezwaar heeft nagelaten om op dit verzoek te beslissen. Het college heeft in zoverre in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Awb gehandeld. Bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar dient derhalve tevens te worden beslist op het door appellanten sub 4 gedane verzoek om vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb. 2.
- Appellanten sub 5 betogen tenslotte dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat door wijziging van de inrichtingsschets van de golfbaan in voldoende mate aan hun belangen is tegemoet gekomen. Dit betoog slaagt. Nu het project niet van een goede ruimtelijke onderbouwing was voorzien, kan aan een oordeel omtrent de verrichte belangenafweging niet meer worden toegekomen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte een oordeel gegeven omtrent de verrichte belangenafweging ten aanzien van appellanten sub
- 2.
- Het hoger beroep van appellanten sub 5 is gegrond. De hoger beroepen van appellante sub 1, appellante sub 2 en appellanten sub 4 kunnen niet slagen. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, waarop zij berust, te worden bevestigd. 2.
- Van proceskosten van appellanten sub 5 die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Ook overigens bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant niet-ontvankelijk; II. verklaart het hoger beroep van appellanten sub 5 gegrond; III. bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waarop zij rust; IV. gelast dat de gemeente Breda aan appellanten sub 5 het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 205,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren w.g. Steinebach-de Wit Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005 328.