(2006)geen woningen staan in een gebied waar de grenswaarde wordt overschreden, omdat in 2000 en in 2010 geen woningen in de overschrijdingszone voorkomen. In de toelichting op het wegaanpassingsbesluit staat dat in aanvulling op dit rapport aanvullend onderzoek is gedaan naar het effect van de plusstrook op de luchtkwaliteit uitgaande van een snelheidsverlaging tot 100 km per uur. In de toelichting staat dat zowel voor de autonome situatie als bij de voorkeursvarianten in 2010 bij een aantal gevoelige bestemmingen en hectare grondgebied de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 wordt overschreden. Voorts staat daarin dat in 2000 noch in 2010 (zowel in de autonome situatie als bij de voorkeursvarianten) gevoelige bestemmingen voorkomen in de overschrijdingszone van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM
- Volgens deze toelichting zal zowel in 2000 als in 2010 de etmaalgemiddelde grenswaarde voor PM10 worden overschreden. In de toelichting wordt tot slot op basis van deze gegevens geconcludeerd dat de aanleg van de plusstrook als zodanig geen effect heeft op de luchtkwaliteit, zodat naast de snelheidsverlaging tot 100 km per uur tijdens openstelling van de plusstrook geen aanvullende maatregelen zijn vereist. 2.6.
- Bij brief van 22 december 2004 heeft verweerder een zogenoemd hoofdrapport "Effectbeoordeling (luchtkwaliteit) wegverbreding ZSM/Spoedwet: TNO Deelproject 25: A27 Utrecht Noord - knooppunt Eemnes" met bijlagen (no. R2004/583), en een zogenoemd bijlagenrapport "Bijlagen bij de luchtkwaliteitsberekeningen in het kader van ZSM/Spoedwet" (no. R2004/582), beide gedateerd december 2004 en afkomstig van TNO, overgelegd. Verweerder heeft deze rapporten volgens de begeleidende brief en de aankondiging in het verweerschrift doen opstellen naar aanleiding van de meergenoemde uitspraak van de Afdeling van 15 september 2004 omdat het aan het wegaanpassingsbesluit ten grondslag liggende luchtonderzoek volgens verweerder op dezelfde wijze onvolledig was als het onderzoek ten behoeve van het wegaanpassingsbesluit A2 Vught - Ekkersweijer. In het nieuwe onderzoek zijn volgens verweerder deze lacunes, zoals het ontbreken van de uurgemiddelde concentratie stikstofdioxide en de jaargemiddelde concentratie fijn stof bij ingebruikneming van de plusstrook, hersteld. Volgens het verweerschrift is, omdat de situatie toch opnieuw moest worden onderzocht, een nieuwe rekenmethode ontwikkeld en getest, een grotere gedetailleerdheid en nauwkeurigheid doorgevoerd door een uitbreiding van het aantal punten waarop de concentraties worden berekend, met behulp van luchtfoto's een exact beeld verkregen van de aard van de bebouwing langs het traject om de verdunning van de verontreiniging beter te kunnen inschatten en voorts het effect van geluidsschermen op de verspreiding van stoffen in de lucht meegenomen. Voorts is gekozen voor het presenteren van de resultaten in de vorm van contouren in plaats van de vermelding van de hectares. Volgens verweerder verschillen de resultaten van het nieuwe onderzoek aanzienlijk van het eerste onderzoek, in die zin dat de gebieden met overschrijdingen substantieel minder groot blijken dan uit de eerdere studie naar voren kwam. In het onderzoek is volgens verweerder gekeken naar locaties waar sprake is van een relevante blootstelling van de mens. 2.6.
- De Richtlijn inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit van 27 september 1996, 96/62/EG (verder: de Moederrichtlijn) en de Richtlijn betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht van 22 april 1999, 1999/30/EG (verder: de Eerste Dochterrichtlijn) zijn gebaseerd op artikel 130 S EG-Verdrag (thans artikel 175 EG). Ingevolge artikel 130 T EG-Verdrag (thans artikel 176 EG) kan een lidstaat verdergaande maatregelen treffen en handhaven. Dit komt ook tot uitdrukking in artikel 4, zesde lid, van de Moederrichtlijn. In overweging 4 van de considerans van de Eerste Dochterrichtlijn staat vermeld: "Overwegende dat de bij deze richtlijn vastgestelde grenswaarden minimumvoorschriften zijn; dat de lidstaten overeenkomstig artikel 130 T van het Verdrag strengere grenswaarden kunnen handhaven en treffen; (…)." Het oordeel van de Afdeling. 2.6.
- Uit het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Besluit luchtkwaliteit volgt dat de in dit besluit gestelde grenswaarden, behoudens de uitzondering ten aanzien van de arbeidsplaats, gelden voor de buitenlucht in zijn algemeenheid. Dit uitgangspunt kan tevens worden afgeleid uit de Nota van toelichting op het Besluit luchtkwaliteit. Noch de tekst van het Besluit luchtkwaliteit, noch de Nota van toelichting hierop bevat enig aanknopingspunt voor het standpunt van verweerder dat de grenswaarden in dit besluit alleen zien op de kwaliteit van de buitenlucht op plaatsen waar blootstelling van de bevolking aan concentraties gedurende een voor de grenswaarde significante periode plaatsvindt. 2.6.
- Aan de door verweerder opgeworpen vraag in hoeverre uit de Eerste Dochterrichtlijn zou voortvloeien dat de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit gelet op deze richtlijn moeten worden beschouwd als zogenoemde blootstellingsnormen, wordt niet toegekomen, nu het Besluit luchtkwaliteit geen enkel aanknopingspunt voor een dergelijke uitleg biedt en, daargelaten de juistheid van het standpunt van verweerder dat de eisen uit het Besluit luchtkwaliteit strenger zijn dan op basis van de Eerste Dochterrichtlijn is vereist, deze richtlijn minimumnormen bevat en het lidstaten derhalve vrij staat om strengere normen in de nationale regelgeving op te nemen. 2.6.
- Evenmin kan betekenis worden toegekend aan een toekomstige ministeriële regeling ter vervanging van het Besluit luchtkwaliteit. Nog afgezien van het feit dat deze regeling nog niet is bekend gemaakt, de ter zitting aangeboden tekst daarvan wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing dient te worden gelaten en de regeling zich ten tijde van de behandeling van de zaak ter zitting kennelijk nog in de fase van een concept bevond, is op het wegaanpassingsbesluit het Besluit luchtkwaliteit van kracht. Aan een toekomstige regeling kan ook wat betreft de interpretatie van het Besluit luchtkwaliteit geen betekenis worden toegekend. 2.6.
- Zoals door verweerder is bevestigd, kleven aan de wijze waarop ten behoeve van de voorbereiding van het wegaanpassingsbesluit onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit vergelijkbare gebreken als genoemd in meergenoemde uitspraak van de Afdeling van 15 september
- Gelet hierop had verweerder bij de besluitvorming over het wegaanpassingsbesluit een onvolledig inzicht om te kunnen beoordelen of is voldaan aan de eisen uit het Besluit luchtkwaliteit. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting beoogt verweerder de in december 2004 opgestelde TNO-rapporten alsnog aan de onderbouwing van het bestreden besluit ten grondslag te leggen. Het ex-tunc karakter van de beoordeling door de Afdeling brengt met zich dat bij het inbrengen van onderzoeken door verweerder ter nadere onderbouwing van een eerder genomen besluit dient te worden beoordeeld of deze onderzoeken kunnen worden beschouwd als een nadere aanvulling in aansluiting op en voortvloeiend uit aan het besluit ten grondslag gelegde onderzoeken of als een geheel nieuw onderzoek. In dit geval bevatten de door verweerder overgelegde TNO-rapporten niet alleen een aanvulling op het punt van de eerder bedoelde gebreken maar bevatten zij ook geheel nieuwe resultaten met betrekking tot vrijwel alle eerdere gegevens, berekend op basis van substantieel gewijzigde uitgangspunten en methoden. Nog daargelaten dat kan worden betwijfeld of het in zo een laat stadium in de procedure brengen van deze onderzoeken in overeenstemming is met een goede procesorde, verzet het ex-tunc karakter van de door de Afdeling te verrichten toets zich ertegen dat onderzoeken waarvan de uitgangspunten en resultaten zo sterk afwijken van hetgeen verweerder eerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd alsnog in de procedure kunnen worden betrokken als onderbouwing van het bestreden besluit. 2.6.
- Gelet op het voorgaande is het besluit op dit punt genomen in strijd met de nodige zorgvuldigheid en berust het niet op een deugdelijke motivering. Verweerder dient bij zijn nieuw te nemen besluit alsnog te onderzoeken wat de gevolgen van de aanleg van de plusstrook voor de luchtkwaliteit zijn en welke gevolgen dat moet hebben voor de inhoud van het wegaanpassingsbesluit en eventuele flankerende maatregelen. Hij dient hierbij tevens de stellingen van appellanten te betrekken. 2.6.
- Daarnaast wordt het volgende overwogen. Vaststaat dat, van welke rapporten ook zou worden uitgegaan, niet wordt voldaan aan de grenswaarden voor NO2 en PM10 uit het Besluit luchtkwaliteit. Voorts staat vast dat zich ter plaatse een saneringssituatie voordoet omdat ook in de huidige situatie niet aan de grenswaarden wordt voldaan. Verweerder dient zich bij het nemen van het nieuwe besluit voldoende rekenschap te geven van de vraag of de voorgenomen wegaanpassing in overeenstemming kan worden geacht met de eisen van het Besluit luchtkwaliteit. Verweerder dient in dat verband onder meer inzichtelijk te maken hoe deze activiteit past binnen de verwezenlijking van beleid dat voorziet in maatregelen die zijn gericht op het bereiken van de grenswaarden. Ten aanzien van de berekening van de 70 dB(A) contour. Het standpunt van appellanten. 2.
- Het college van burgemeester en wethouders van De Bilt en [appellanten sub 5] stellen verder dat ten onrechte is nagelaten maatregelen te nemen om geluidhinder te beperken. [appellanten sub 5] menen dat een geluidscherm zou moeten worden aangelegd ter hoogte van hun woningen. [appellanten sub 5] betwisten verder de juistheid van de door verweerder aan de berekening van de 70 dB(A) contour ten grondslag gelegde uitgangspunten, alsmede de methoden die voor deze berekeningen zijn gebruikt. Hierdoor zouden veel meer gevoelige bestemmingen buiten deze contour liggen dan feitelijk het geval is waardoor de afweging ten aanzien van de plaatsen waar dubbellaags ZOAB op basis van artikel 6, vierde lid, van de Spoedwet wegverbreding moet worden aangelegd onjuist is uitgevoerd. Zij hebben ter onderbouwing van hun stellingen het rapport "De Nes van Nemesis aan de Eem (Akoestisch onderzoek en Luchtkwaliteit)" van 10 januari 2005 van het bureau Bosvariant ingezonden. Het college van burgemeester en wethouders van De Bilt wijst in dit verband op de door hem overgelegde conclusies van de Milieudienst Zuidoost Utrecht. Het standpunt van verweerder. 2.7.
- Verweerder stelt dat de 70 dB(A) contour op juiste wijze is berekend. Uit deze berekening volgt dat ter hoogte van één woning een geluidsbelasting hoger dan 70 dB(A) wordt ondervonden. Op deze plaats zal het wegdek worden aangepast door geluidsarm asfalt met de kwaliteit van dubbellaags ZOAB aan te leggen. Aan de berekeningen ligt het rapport "A27 Wegvak Utrecht-Noord-Knooppunt Eemnes, Onderzoek naar de akoestische gegevens voor de aanleg van een plusstrook" van 16 juni 2004 van het bureau Cauberg-Huygen Raadgevende ingenieurs B.V. (verder: Cauberg Huygen) ten grondslag. Voorts heeft verweerder een rapport van 12 januari 2005 van dit bureau ingezonden genaamd "Addendum akoestisch onderzoek plusstrook A27 wegvak Utrecht-Noord-Knooppunt Eemnes". De vaststelling van de feiten. 2.7.
- In het geluidrapport van verweerder van 16 juni 2004 wordt beschreven welke rekenmethode is gebruikt en van welke gegevens is uitgegaan bij de berekeningen alsmede welke situaties zijn onderzocht. Volgens het geluidrapport van verweerder van 12 januari 2005 is naast een aanvullende berekening van de 70 dB(A) contour voor het jaar 2010 een aantal onjuistheden uit het eerdere rapport hersteld. Het gaat hierbij onder meer om het voor een weggedeelte ten onrechte uitgaan van de aanwezigheid van ZOAB in plaats van DAB. Voorts zijn de effecten van een eerder niet meegenomen geluidscherm dat bij de aanvang van het onderzoek nog niet aanwezig was alsnog doorgerekend. Volgens het rapport van [appellanten sub 5] van 10 januari 2005 is ten onrechte uitgegaan van het Reken- en Meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 omdat dit een verschil in rekenresultaat van 3 dB(A) oplevert ten opzichte van het voorschrift dat in het jaar 2000 van toepassing was. In dit rapport wordt voorts op een aantal andere punten beschreven waarom de uitkomsten van de berekeningen niet voldoende betrouwbaar zijn. Ook in de conclusies van de Milieudienst Zuidoost Utrecht wordt beschreven op welke onderdelen van onjuiste uitgangspunten zou zijn uitgegaan. Het oordeel van de Afdeling. 2.7.
- Een beoordeling van de door partijen korte tijd voor de zitting ingebrachte rapporten vergt een nader onderzoek, zonodig door middel van het vragen van een advies aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de onderbouwing van de standpunten van [appellanten sub 5] in het rapport van Bosvariant van 10 januari 2005 gedeeltelijk overeenkomt met de correcties van enkele onjuistheden in het rapport van Cauberg Huygen van 12 januari
- Gelet op het in overweging 2.6.
- genoemde motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in verband met de eisen van het Besluit luchtkwaliteit alsmede het late tijdstip waarop verweerder een rapport met deze inhoud heeft overgelegd bestaat geen grond om een onderzoek met deze strekking in dit stadium van de procedure uit te voeren. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat verweerder blijkens het rapport van Cauberg Huygen onjuistheden in het eerdere onderzoek heeft geconstateerd, waarbij de vraag is in hoeverre deze onjuistheden zouden moeten leiden tot het oordeel dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet alle relevante gegevens aan het besluit zijn ten grondslag gelegd. Gelet daarop behoeven deze argumenten van appellanten thans geen verdere bespreking. Verweerder dient bij het nemen van een nieuw besluit de stellingen van appellanten bij de beoordeling te betrekken. 2.7.
- Voor wat betreft de stelling van [appellanten sub 5] dat bij het wegaanpassingsbesluit dient te worden voorzien in de aanleg van een geluidscherm wordt gewezen op hetgeen eerder is overwogen omtrent het systeem van de Spoedwet wegverbreding. Uit artikel 6 van de Spoedwet wegverbreding vloeit voort dat geen verplichting bestaat om in het kader van het wegaanpassingsbesluit te beslissen over de noodzaak van de aanleg van een geluidscherm. Deze beslissing komt aan de orde bij het ingevolge artikel 6, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding op te stellen geluidplan. Eindoordeel. 2.
- Gelet op al het voorgaande zijn de beroepen gericht tegen het wegaanpassingsbesluit gegrond en dient dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd. 2.
- De beroepen van [appellanten sub 5] en het college van burgemeester en wethouders van De Bilt gericht tegen het verkeersbesluit zijn, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het wegaanpassingsbesluit, eveneens gegrond. Het verkeersbesluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd. 2.9.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van het college van burgemeester en wethouders van De Bilt en [appellanten sub 5] te worden veroordeeld. Verweerder dient voorts te worden veroordeeld in de proceskosten van de Stichting Groenekans Landschap, de Stichting Heidehoek Eemnes, de Stichting Stop Geluidhinder Maartensdijk en de vereniging Bewonersbelangen Copijnlaan e.o., doch niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. 2.9.
- De door het college van burgemeester en wethouders van De Bilt op het formulier proceskosten aangeduide kostenposten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en voor een aan hem uitgebracht deskundigenrapport zijn uitgevoerd door ambtenaren van de Milieudienst Zuidoost-Utrecht. Deze dienst is een zelfstandig openbaar lichaam, dat is ingesteld bij de Gemeenschappelijke Regeling Milieudienst Zuidoost-Utrecht. Hieraan is een deel van de taken van de deelnemende gemeenten op het gebied van het milieu overgedragen met als doel onder meer het vergroten van de samenwerking en specialisatie. Gezien de verwevenheid tussen de Milieudienst en de deelnemende gemeenten, waaronder gemeente De Bilt, kan ten aanzien van de gestelde kostenposten niet worden gesproken van door derden verrichte handelingen en komen deze daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellanten sub 5] niet-ontvankelijk voorzover dit ziet op de ontheffing Flora- en Faunawet, de keurvergunningen en de ontheffing van de Provinciale milieuverordening Noord-Holland; II. verklaart de beroepen gericht tegen het wegaanpassingsbesluit en het verkeersbesluit gegrond; III. vernietigt het wegaanpassingsbesluit van de minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 2004 betreffende de aanpassing van de rijksweg A27 op het traject Utrecht Noord - Knooppunt Eemnes en het verkeersbesluit voor de plaatsing en verwijdering van de in artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer genoemde verkeerstekens, alsmede voor onderborden; IV. veroordeelt de minister van Verkeer en Waterstaat in de door hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 4692,54; dit bedrag dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Verkeer en Waterstaat) onder vermelding van het zaaknummer als volgt te worden betaald:
- € 23,07 aan het college van burgemeester en wethouders van De Bilt;
- € 4669,47 aan [appellanten sub 5]; waarvan een bedrag van € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en een bedrag van € 4000,00 aan kosten voor een aan hen uitgebracht deskundigenrapport; V. gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan de volgende appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht, ieder afzonderlijk, vergoedt: € 136,00 voor [appellanten sub 5] en € 273,00 voor de Stichting Groenekans Landschap, de Stichting Heidehoek Eemnes, het college van burgemeester en wethouders van De Bilt, de Stichting Stop Geluidhinder Maartensdijk en de vereniging Bewonersbelangen Copijnlaan e.o., ieder afzonderlijk. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren w.g. Langeveld Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005 317.