(6)" het aantal toegestane bergingen bij woonschepen binnen deze bestemming nader aangegeven, zodat 12 bergingen mogelijk worden gemaakt. Dit komt overeen met het aantal thans afgemeerde woonschepen. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat het uit een oogpunt van ruimtebeslag ook feitelijk mogelijk is om in de desbetreffende plandelen twaalf bergingen met de in het plan aangegeven afmetingen te plaatsen. Nu op deze plandelen reeds enige bergingen staan is het aan appellante om in onderling overleg tussen haar leden tot een regeling te komen, waarbij alle 12 gewenste bergingen kunnen worden gerealiseerd. De Leidse Vaart is een smalle weg met smalle bermen. Ter plaatse van de in-/uitrit van de caravanstalling ten zuiden van het Steengrachtkanaal ter hoogte van de woonschepen Leidse Vaart 42 en 44 en de in-/uitrit van het bedrijventerrein ter hoogte van de woonschepen Leidse Vaart 32 en 33 is om redenen van verkeersveiligheid van de mogelijkheid van het plaatsen van een berging afgezien. Voorts is hierbij rekening gehouden met de woningen Leidse Vaart 24b, 24d en
- Dat onder deze omstandigheden de bergingen niet in alle gevallen ter hoogte van de woonschepen zijn voorzien en dat in plaats daarvan is gekozen voor een drietal zogenoemde clusters van bergingen is, gelet op de ruimtelijke situatie ter plaatse, niet onredelijk. Wat betreft de door appellante gestelde behoefte aan parkeerplaatsen is ter zitting gebleken dat het voor alle eigenaren van de woonschepen mogelijk is de auto nabij het woonschip te parkeren. 2.
- Voor zover appellante stelt dat een bestemming "Erf" meer gepast is voor de in geding zijnde plandelen, wijst de Afdeling op de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De gemeenteraad heeft in dit geval de gronden ter hoogte van de woonschepen de bestemmingen "Verkeersdoeleinden (V)" en "Groenvoorzieningen (GR)" met de nadere aanduiding "(s)" gegeven. Het plan maakt op de als zodanig bestemde gronden onder meer beplantingen en andere groenvoorzieningen, bergingen, wegen, andere verhardingen en parkeerplaatsen mogelijk. Gelet op hetgeen appellante in beroep met betrekking tot de door haar gewenste gebruiksmogelijkheden van deze gronden heeft aangevoerd bestaat voor een andere bestemming geen aanleiding. 2.
- Wat betreft het betoog dat bij de renovatie van het wegdek van de Leidse Vaart in afwijking van het bestek ten onrechte een deel van de berm bij de weg is betrokken en verhard, waarbij persoonlijke bezittingen van de eigenaren van de woonschepen zijn verwijderd, merkt de Afdeling op dat deze grief als zodanig in deze procedure niet ter beoordeling staat. Hetgeen appellante op dit punt heeft aangevoerd heeft betrekking op de feitelijke situatie ter plaatse. In dat verband blijkt uit de stukken dat een klein gedeelte van de groenstrook ter hoogte van de woonschepen Leidse Vaart 30 en 32 bij de rijverharding is getrokken om het in- en uitrijden van de ontsluitingsweg van het bedrijventerrein veiliger en minder lastig te maken. Het desbetreffende gedeelte van de berm dat thans is verhard is bestemd als "Verkeersdoeleinden". Ingevolge artikel 23 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden echter niet alleen bestemd voor wegen maar tevens voor onder meer andere verhardingen, bermen, picknickplaatsen, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de bestemming waarin het plan voor de door appellante bedoelde berm voorziet, niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. 2.
- Het plan voorziet in woonschepen waarvan de lengte en breedte niet meer dan 15 meter, respectievelijk 4 meter mogen bedragen. Uit de stukken blijkt evenwel dat een aantal van de twaalf aanwezige woonschepen deze afmetingen overschrijdt. Het plan voorziet derhalve niet in een bestemming overeenkomstig de bestaande situatie. Het vorige bestemmingsplan, "Landelijk gebied 1981", voorzag, met uitzondering van de ligplaats van de woonschepen Leidse Vaart 32 en 33, niet in ligplaatsen voor woonschepen, zodat vast staat dat het gebruik als ligplaats voor de overige woonschepen in beginsel in strijd was met de in het vorige plan opgenomen bestemming. In artikel 33 van de planvoorschriften van dat plan is bepaald dat gronden en bouwwerken die bij het van kracht worden van het plan in gebruik zijn op een wijze of tot een doel strijdig met de bij dit plan aan de grond gegeven bestemming, op deze wijze of tot dit doel in gebruik mogen blijven. Aangezien het in geding zijnde gedeelte van de Leidse Vaart reeds lang voor het van kracht worden van het vorige bestemmingsplan in gebruik was als ligplaatsen voor woonschepen, is dit gebruik, gelet op de aangehaalde bepaling, in het vorige plan onder het overgangsrecht gebracht. Zoals in overweging 2.9.
- is weergegeven, mag ingevolge artikel 53, eerste lid, van de planvoorschriften (van het voorliggende plan) het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet. Het derde lid van dat artikel, waarin is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan - daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan - en waartegen van overheidswege wordt of alsnog kan worden opgetreden, is immers niet van toepassing, nu het gebruik in het vorige plan onder het overgangsrecht was gebracht. De stelling van verweerder dat deze woonschepen, voor zover ze de in het plan voorziene afmetingen overschrijden, onder het overgangsrecht zijn gebracht, is derhalve op zichzelf juist. Ter zitting is echter gebleken dat het niet aannemelijk is dat het gebruik van de woonschepen die de in het plan voorziene afmetingen overschrijden binnen de planperiode zal worden beëindigd. In het kader van de belangenafweging die de gemeenteraad dient te maken bij het bepalen van de bestemming van het bestaande gebruik van de woonschepen, dat op grond van het vorige plan mocht worden voortgezet, is van belang dat ter plaatse reeds sinds de jaren vijftig woonschepen liggen en dat dit gedeelte van de Leidse Vaart geen deel uitmaakt van een in het streekplan Zuid-Holland West opgenomen ecologische zone. Uit de stukken en het onderzoek ter zitting is verder gebleken dat door verweerder ontheffingen worden verleend op grond van de Verordening watergebieden en pleziervaart Zuid-Holland voor ligplaatsen in de Leidse Vaart voor woonschepen langer en breder dan de thans in het plan opgenomen maten, waarbij wordt aangesloten bij de bestaande afmetingen van de in geding zijnde woonschepen. In dat verband is vast komen te staan dat voor dit gedeelte van de Leidse Vaart in de genoemde verordening een maximale lengte en breedte wordt gehanteerd van 20 meter, respectievelijk 5 meter. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van de gemeenteraad een bestemming die voorziet in de bestaande afmetingen van de woonschepen in beschouwing te nemen. Eerst wanneer het toekennen van een positieve bestemming in strijd zou komen met een goede ruimtelijke ordening kan de raad in overweging nemen het bestaande gebruik, voor zover dat de in het plan voorziene afmetingen overschrijdt, onder het overgangsrecht te brengen. Daarvoor is echter vereist dat aannemelijk is dat deze overschrijding binnen de planperiode zal worden beëindigd. Nu in dit geval die verwachting niet bestaat, zijn de woonschepen, voor zover zij de in het plan voorziene afmetingen overschrijden, ten onrechte onder het in artikel 53 van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht gebracht. Conclusie 2.
- Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich wat betreft artikel 10, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 10, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften. Wat betreft de overige bestreden plandelen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is voor het overige ongegrond. Proceskosten 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van de Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van de Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart, voor zover het betrekking heeft op artikel 10, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften, gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 18 mei 2004, kenmerk DRM/ARB/03/14938A, voor zover daarbij artikel 10, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften is goedgekeurd; III. onthoudt goedkeuring aan artikel 10, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften; IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd; V. verklaart het beroep van [appellant sub 1] geheel en het beroep van de Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart voor het overige ongegrond; VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door de Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 25,00; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellante; VII. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan de Vereniging van Woonbooteigenaren Leidsevaart het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat. w.g. Dolman w.g. Van Dorst Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005 357.