(1992)" van 18 maart 1992, is het oostelijke gedeelte van de polder Mijnden aangemerkt als weidevogelgebied. Verder vermeldt het "Natuurgebiedsplan Vecht en Plassengebied" dat het gehele reservaatsgebied in de polder Mijnden in het natuurgebiedsplan dient te worden opgenomen als nieuw natuurgebied. Daarbij wordt gewezen op de aanwezige weidevogels en de bijzondere sloot- en oevervegetaties. De plantoelichting bevestigt dat de polder Mijnden van belang is voor weidevogels en doortrekkende en overwinterende vogels. Tevens is volgens de plantoelichting de soortenrijkdom van grasland het grootst op de meest vochtige en minst intensief gebruikte percelen zoals in delen van de polder Mijnden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze gegevens onjuist zijn. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de genoemde bestemming recht doet aan de ter plaatse aanwezige waarden. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van de GLTO is in zoverre ongegrond. 2.
- Verder stelt de GLTO dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 22 van de planvoorschriften, voorzover daarin wordt uitgegaan van een teeltvrije zone van 1,50 meter voor ruwvoederteelt. Zij betoogt voorts dat ten onrechte op de veehouder de bewijslast rust indien een kleinere teeltvrije zone in de rede ligt. Tevens kan appellante zich er niet mee verenigen dat ruwvoederteelt slechts mogelijk is voor eigen gebruik, omdat zij onbeperkte mogelijkheden voor ruwvoederteelt wenst. 2.17.
- De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan niet verplicht tot het aanhouden van een teeltvrije zone. 2.17.
- Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan voorzover hier van belang goedgekeurd. Aangaande ruwvoederteelt stelt verweerder dat dit in het plangebied grotendeels rechtstreeks is toegestaan. Het plan verplicht bovendien niet tot het aanhouden van een teeltvrije zone, aldus verweerder. Hij is van mening dat ruwvoederteelt ten behoeve van derden afbreuk kan doen aan het karakter van het plangebied. 2.17.
- In artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften voorzover hier van belang, is bepaald dat in relatie met de bestemmingen op gebiedsniveau, het op de betreffende gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) verboden is de in tabel 6 aangegeven werken of werkzaamheden aan te leggen of uit te voeren. Tabel 6, letter d, van de planvoorschriften in samenhang bezien met de daarin aangegeven zwarte bolletjes en het daarbij behorende, verklarende onderschrift, vermeldt dat het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen ter voorziening in de eigen behoefte ingevolge artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften hoe dan ook is verboden op gronden met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" ter plaatse van de bestemming "Natuur- en landschapsdoeleinden" alsmede binnen een afstand van 4 meter daarvandaan. Voor gronden met de genoemde gebiedsbestemming ter plaatse van beschermde archeologische monumenten en archeologisch waardevolle terreinen, alsmede ter plaatse van de aanduiding "Buitendijkse gronden" geldt een aanlegvergunningstelsel voor het scheuren van grasland. Op alle overige gronden met de genoemde gebiedsbestemming is het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen ter voorziening in meer dan de eigen behoefte rechtstreeks toegestaan. De tabel vermeldt dat voor de gronden met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en natuurwaarden" die tevens de bestemming "natuur- en landschapsdoeleinden" hebben alsmede de gronden die op een afstand van 4 meter daar vandaan liggen en op gronden die zijn aangeduid als "buitendijkse gronden" ingevolge artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften een algeheel verbod geldt voor het scheuren van grasland. Voor de overige gronden met deze gebiedsbestemming geldt een aanlegvergunningstelsel. Ook voor gronden met de gebiedsbestemmingen "Gebied met natuur- en landschapswaarden met agrarisch medegebruik" en "Gebied met cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden" vermeldt de tabel dat ingevolge artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften een algeheel verbod geldt voor het scheuren van grasland. In artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften, is - zoals vermeld in tabel 6 - voor bepaalde gebieden een gebruiksverbod opgenomen voor het scheuren van grasland ten behoeve van de ruwvoedergewassen (anders dan gras) ter voorziening in de eigen behoefte. In artikel 22, derde lid, van de planvoorschriften is bepaald dat een aanlegvergunning kan worden verleend indien kan worden aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad. In artikel 22, vierde lid, van de planvoorschriften -voorzover hier van belang- is bepaald dat van onevenredige schade wat betreft natuurwaarden in ieder geval geen sprake is indien bij het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen ter voorziening in de eigen behoefte een teeltvrije zone wordt aangehouden met een breedte van ten minste 1,50 meter vanaf de slootkant. Het plangebied heeft grotendeels de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" zonder een nadere bestemming dan wel aanduiding, zodat het scheuren van grasland daar noch verboden, noch aanlegvergunningplichtig is. In het plangebied is het scheuren van grasland ten behoeve van ruwvoederteelt ter voorziening in de eigen behoefte dan ook grotendeels bij recht toegestaan. Verder volgt uit artikel 22, vierde lid, van de planvoorschriften slechts dat indien een teeltvrije zone van 1,50 meter wordt aangehouden en sprake is van teelt voor de eigen behoefte een aanlegvergunning zal worden verleend. In afwijking van hetgeen appellante stelt verplicht het plan derhalve niet tot het aanhouden van een teeltvrije zone. Gesteld, noch is de Afdeling gebleken dat het aanlegvergunningstelsel niet noodzakelijk is ter bescherming van de toegekende te verwerkelijken bestemming. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het aanlegvergunningstelsel op dit punt leidt tot een onevenredige beperking van de bedrijfsvoering van de agrariërs. De door appellante gestelde bewijslastverdeling dan wel de eventuele legeskosten van het aanvragen van de aanlegvergunning maken dit niet anders. 2.17.
- Zoals overwogen onder 2.17.
- is in artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften voorzover hier van belang, bepaald dat in relatie met de bestemmingen op gebiedsniveau, het op de betreffende gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) verboden is de in tabel 6 aangegeven werken of werkzaamheden aan te leggen of uit te voeren. In tabel 6, onder e, is het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen (anders dan gras) ter voorziening in meer dan de eigen behoefte als werkzaamheid vermeld. Voor deze werkzaamheid is voor gronden met de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschapswaarden", "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en natuurwaarden", "Gebied met natuur- en landschapswaarden met agrarisch medegebruik" en "Gebied met cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden" in de tabel een zwart bolletje opgenomen. Blijkens het bij dit bolletje behorende onderschrift zijn werkzaamheden die op deze wijze zijn aangeduid hoe dan ook (op bepaalde locaties) verboden ingevolge de bijzondere gebruiksvoorschriften (artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften). Artikel 43, vijfde lid, van de planvoorschriften bevat echter geen gebruiksverbod voor het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen (anders dan gras) ter voorziening in meer dan de eigen behoefte. Dit neemt niet weg dat voor deze werkzaamheden ingevolge artikel 22, eerste lid, in samenhang bezien met tabel 6 van de planvoorschriften een aanlegvergunningenstelsel geldt. Gesteld, noch is de Afdeling gebleken dat het aanlegvergunningstelsel niet noodzakelijk is ter bescherming van de toegekende te verwerkelijken bestemmingen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het aanlegvergunningstelsel op dit punt leidt tot een onevenredige beperking van de bedrijfsvoering van de agrariërs. 2.17.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van de GLTO is in zoverre ongegrond. 2.
- Voorts stelt de GLTO in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het in artikel 22 van de planvoorschriften opgenomen aanlegvergunningenstelsel heeft verleend, voorzover de agrariërs voordat zij een sloot dempen moeten aantonen dat er geen waardevolle sloot- en oevervegetatie aanwezig is en voorzover de aanleg van dammen niet rechtstreeks toelaatbaar is. 2.18.
- Voor het dempen van sloten heeft de gemeenteraad een aanlegvergunningvereiste opgenomen, omdat moeilijk is te overzien welke waardevolle vegetaties in de toekomst in de sloten en langs slootkanten zullen voorkomen. Volgens hem is de aanleg van dammen in het plangebied grotendeels rechtstreeks toelaatbaar. Een aanlegvergunning is uitsluitend vereist op gronden waar de aanleg van dammen schade kan aanrichten aan natuur-, cultuurhistorische en archeologische waarden, zodat een nadere afweging is vereist. 2.18.
- Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij heeft ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. 2.18.
- Wat betreft het aan de agrarische gebiedsbestemmingen verbonden aanlegvergunningstelsel overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 14, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voorzover zulks noodzakelijk is om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming en voorzover zulks noodzakelijk is ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming. Ingevolge tabel 6, onder a, en noot 2 behorende bij artikel 22 van de planvoorschriften bestaat geen aanlegvergunningplicht voor het dempen van sloten in de lengterichting van kavels voor gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" indien en voorzover dit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Dit tenzij het gaat om een gebied met de perceelsbestemming "Natuur en landschapsdoeleinden", inclusief een zone van 4 meter daaromheen (voor deze gronden geldt een algeheel verbod) of om beschermde archeologische monumenten, archeologisch waardevolle terreinen of buitendijkse gronden (voor deze gronden geldt het vereiste van een aanlegvergunning). Volgens deze tabel, is in gebieden met de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden met agrarisch medegebruik" het dempen van sloten in de lengterichting van de kavels hoe dan ook verboden, evenals in gebieden met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en natuurwaarden" ter plaatse van de bestemming "Natuur- en landschapsdoeleinden", alsmede binnen een afstand van 4 meter daarvandaan. Uit de tabel volgt dat voor deze werkzaamheden op de overige agrarische gronden een aanlegvergunningplicht geldt. De gronden in het plangebied hebben grotendeels de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" zonder de perceelsbestemming "Natuur en landschapsdoeleinden", zonder dat deze zijn gelegen in een zone van 4 meter daaromheen en zonder dat het beschermde archeologische monumenten, archeologisch waardevolle terreinen of buitendijkse gronden betreft. Derhalve geldt in het grootste deel van het plangebied geen aanlegvergunningvereiste voor het dempen van sloten indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. Niet in geschil is dat op gronden waarvoor voor deze werkzaamheid een aanlegvergunningvereiste geldt mogelijk waardevolle sloot- of oevervegetaties voorkomen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat een aanlegvergunningvereiste voor die gronden niet kan bijdragen aan de bescherming van de aan de gronden gegeven bestemming en dus niet noodzakelijk is. Voorts is niet aannemelijk dat dit aanlegvergunningvereiste tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden. Dat de aanvrager van de aanlegvergunning dient aan te tonen dat er geen waardevolle sloot- en oevervegetatie aanwezig is, maakt dit niet anders. Evenmin maakt dit dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. 2.18.
- Ingevolge tabel 6, onder b, behorende bij artikel 22 van de planvoorschriften, is het aanleggen van dammen uitsluitend vergunningplichtig ter plaatse van buitendijkse gronden, ter plaatse van archeologische monumenten en archeologisch waardevolle terreinen en in gebieden met de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden met agrarisch medegebruik". Niet in geschil is dat de aanleg van dammen in het plangebied grotendeels rechtstreeks is toegestaan en dat de gronden waarvoor een aanlegvergunningstelsel geldt, gebieden met bijzondere waarden betreffen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat een aanlegvergunningvereiste voor die gronden niet kan bijdragen aan de bescherming van de aan de gronden gegeven bestemming en dus niet noodzakelijk is. Voorts is niet aannemelijk dat dit aanlegvergunningvereiste tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden. 2.18.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van de GLTO is in zoverre ongegrond. 2.
- De GLTO betoogt dat verweerder ten onrechte het plan heeft goedgekeurd, voorzover het kleinschalige natuurontwikkeling op agrarische gronden mogelijk maakt. Zij voert hiertoe aan dat natuurontwikkeling ten koste gaat van de voor de land- en tuinbouw beschikbare gronden en tevens leidt tot aantasting van belangrijke waarden. 2.19.
- De gemeenteraad acht het van belang dat de natuurwaarden in het plangebied worden beschermd, derhalve staat het plan bij recht niet in de weg aan kleinschalige natuurontwikkeling, tenzij ter plaatse sprake is van bijzondere archeologische waarden. 2.19.
- Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder stelt dat het toestaan en stimuleren van kleinschalige natuur in overeenstemming is met het provinciale beleid. 2.19.
- Het plangebied ligt buiten de ecologische hoofdstructuur. Het provinciale beleid voor nieuwe natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur is verwoord in de provinciale notitie "Witte gebieden" van 11 september
- Het provinciale beleid is erop gericht behoud en vernieuwing van de natuur- en landschapswaarden in de "Witte gebieden" te bewerkstelligen. Daarbij speelt de ontwikkeling van natuur- en landschap op het agrarisch bedrijf en bij andere particuliere grondgebruikers een rol. Ingevolge artikel 22, tabel 6, onder n, van de planvoorschriften is kleinschalige natuurontwikkeling op agrarische gronden zonder meer toelaatbaar, met uitzondering van gronden met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" dan wel met de gebiedsbestemming "Gebied met cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden" ter plaatse van archeologisch waardevolle monumenten en archeologisch waardevolle terreinen. Ingevolge artikel 1, onder 39, van de planvoorschriften wordt in het plan onder kleinschalige natuurontwikkeling verstaan de kleinschalige aanleg van natuurlijke beplanting, poelen, terrasoevers en dergelijke, anders dan bij wijze van inrichting van particuliere tuinen/terreinen bij woningen en andere niet-agrarische functies. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met het provinciale beleid. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot een ernstige beperking van de bedrijfsvoering van agrariërs. Het beroep van appellante geeft ook anderszins geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van de GLTO is in zoverre ongegrond. 2.
- Ten slotte stelt de GLTO dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van natuur- en landschapsdoeleinden voor agrarische gronden. Zij betwist dat de natuurgebieden binnen de planperiode zullen worden verwezenlijkt, zodat deze wijzigingsbevoegdheid in strijd is met het "Beleidsplan Natuur en Landschap van de provincie Utrecht
(1992)", kan in een bestemmingsplan, anders dan appellante stelt, een wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen indien onzeker is of de nieuwe bestemming binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat niet alle gronden waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in het Natuurgebiedsplan Vecht en Plassengebied zijn aangewezen voor nieuwe natuur niet maakt dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid illusoir is. Ook anderszins heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat binnen de planperiode geen toepassing zal kunnen worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid. Overigens merkt de Afdeling op dat voor het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid niet vereist is dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aannemelijk is dat deze bevoegdheid binnen de planperiode zal worden toegepast. Verweerder heeft in zoverre geen aanleiding behoeven te zien om goedkeuring aan de wijzigingsbevoegdheden te onthouden. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen de GLTO in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van de GLTO is in zoverre ongegrond. 2.
- [appellant sub 7] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Natuur- en landschapsdoeleinden" met de subbestemming "Water en oevers met natuurwaarden", voor zijn woonschepenligplaats. Hij voert hiertoe aan dat de ligplaats van zijn woonschip ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Verder volgt volgens appellant uit de Koninklijke besluiten van 2 april 1985 en 6 november 1985 dat de ligplaatsen ten behoeve van woonschepen, waaronder ook de onderhavige ligplaats, als zodanig dienen te worden bestemd. Hij stelt tevens dat de ligging van het schip ter plaatse door zowel de gemeenteraad als verweerder is aanvaard, aangezien het schip daar sinds 1968 aanwezig is en daartegen niet handhavend is opgetreden. Verder wijst hij op een tweetal brieven waaruit volgens hem blijkt dat geen bezwaar bestaat tegen de ligplaats op deze gronden. Verder betoogt appellant dat het schip ten onrechte is aangemerkt als weekendschip. 2.21.
- De gemeenteraad heeft vanwege de aanwezige natuurwaarden aan deze gronden de bestemming "Natuur- en Landschapsdoeleinden (NL)" met de subbestemming "Water en oevers met natuurwaarden" toegekend. Een weekendschip ter plaatse acht de gemeenteraad gelet op deze waarden niet wenselijk. 2.21.
- Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het als zodanig bestemmen van de ligplaats van het pleziervaartuig van appellant in strijd is met het provinciale beleid. Hij wijst daarbij op de grote natuur-, landschappelijke en visuele belevingswaarden van het gebied. Voorts betwist verweerder dat sprake is van een schip. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen de deplorabele staat van het vaartuig en het ontbreken van een ontheffing op grond van de provinciale Woonschepenverordening. 2.21.
- Gelet op hetgeen de Afdeling heeft overwogen in rechtsoverweging 2.5.
- kan in de Koninklijke besluiten van 2 april 1985 en 6 november 1985 geen grond worden gevonden voor het standpunt dat alle ligplaatsen voor woonboten zonder meer positief dienen te worden bestemd. Ten aanzien van de stelling van appellant dat gelet op het reeds bestaande gebruik de gronden dienen te worden bestemd als "Woonschepenligplaats" overweegt de Afdeling als volgt. In de in artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen doeleindenomschrijving is bepaald dat de gronden op de kaart aangewezen voor "Woonschepenligplaats" zijn bestemd voor het permanent afmeren van woonschepen. Ingevolge artikel 1, onder 32, van de planvoorschriften wordt onder woonschip verstaan elk vaartuig of drijvend voorwerp dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt als woning. Niet in geschil is dat het vaartuig van appellant sinds 1991 niet meer als woning in gebruik is. Het vaartuig van appellant is derhalve geen woonschip in de zin van genoemd artikelonderdeel. Verweerder heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat op grond van het bestaande gebruik de desbetreffende gronden niet als "Woonschepenligplaats" behoefden te worden bestemd. Voorzover appellant betoogt dat hij om andere redenen genoemde bestemming wenst, overweegt de Afdeling als volgt. Het vaartuig van appellant was in de voorheen geldende planologische regeling niet als zodanig bestemd. Verder is geen ontheffing van de provinciale Woonschepenverordening verleend voor genoemd vaartuig. Het toekennen van de bestemming "Woonschepenligplaats" betekent derhalve nieuwvestiging van een woonschip in het buitengebied. In de Handleiding is het provinciale beleid verwoord dat woonschepen in het buitengebied in beginsel onwenselijk zijn. Slechts voor bestaande woonschepen kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Dit beleid acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van de bestemming "Woonschepenligplaats" aan deze gronden in strijd is met het bovengenoemde provinciale beleid. Dat voor de genoemde ligplaats een ontheffing van de APV is verleend maakt niet dat verweerder niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden, aangezien bij het verlenen van deze gemeentelijke ontheffing, in tegenstelling tot bij het verlenen van de provinciale ontheffing, de belangen van natuur en landschap niet worden betrokken. Evenmin heeft verweerder in het feit dat het vaartuig ter plaatse reeds vanaf 1968 is afgemeerd zonder dat daartegen handhavend is opgetreden, noch in de door appellant genoemde brieven, aanleiding behoeven te zien van zijn beleid af te wijken. Ten aanzien van de brieven heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat deze dateren van 27 en 28 maart 1968, waarna een aanpassing van het provinciale beleid heeft plaatsgevonden. Ook anderszins is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder niet aan zijn beleid kon vasthouden. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond. 2.
- [appellant sub 8] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Natuur- en landschapsdoeleinden" met de subbestemming "Water en oevers met natuurwaarden", voor zijn ligplaats aan de [locatie]. Appellant voert hiertoe aan dat de ligplaats van zijn woonschip ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Verder heeft verweerder miskend dat voor het schip een gemeentelijke ligplaatsvergunning is afgegeven, aldus appellant. 2.22.
- De gemeenteraad heeft de bestemming "Natuur- en landschapsdoeleinden" met de subbestemming "Water en oevers met natuurwaarden" aan de desbetreffende gronden toegekend. Volgens de gemeenteraad is het als zodanig bestemmen van de ligplaats niet wenselijk gelet op de grote landschappelijke en potentiële natuurwaarden van de oever. Derhalve heeft de gemeenteraad slechts een tijdelijke ontheffing onder voorwaarden voor de desbetreffende ligplaats verleend. 2.22.
- Verweerder heeft geen reden gezien dit plangedeelte in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat geen ontheffing van de provinciale verordening is verleend en het toevoegen van een ligplaats in het landelijk gebied in strijd is met het provinciale beleid. Verder wijst hij op de landschappelijke en natuurwaarden van het gebied. 2.22.
- Zoals reeds overwogen in rechtsoverweging 2.5.
- acht de Afdeling het provinciale beleid, dat gedoogsituaties waarin een provinciale ontheffing voor de ligplaatsen ontbreekt niet kunnen blijven voortbestaan, in het algemeen niet onredelijk. Niet in geschil is dat appellant niet beschikt over een provinciale ontheffing voor de ligplaats van zijn woonschip en dat het gebruik van de gronden als ligplaats ook in strijd was met de voorheen geldende bestemming. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het als zodanig bestemmen van de ligplaats van het woonschip van appellant in strijd is met het bovengenoemde provinciale beleid. Dat voor de genoemde ligplaats een ontheffing van de APV is verleend maakt niet dat verweerder niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden, aangezien bij het verlenen van deze gemeentelijke ontheffing, in tegenstelling tot het verlenen van de provinciale ontheffing, de belangen van natuur en landschap niet worden betrokken. Evenmin heeft verweerder in het enkele feit dat het woonschip ter plaatse reeds vanaf 1978 is afgemeerd zonder dat daartegen handhavend is opgetreden, aanleiding behoeven te zien van zijn beleid af te wijken. Ook anderszins is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond. 2.
- Ten aanzien van [appellanten sub 9] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het college van burgemeester en wethouders van Loenen en de GLTO is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Loenen, [appellanten sub 9] en de GLTO gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 17 februari 2004, no. 2004reg000042i, voorzover het betreft: a. de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden, deelgebied met cultuurhistorische waarden" voorzover toegekend aan de stroomruggen; b. de onthouding van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming "Woonschepenligplaats" voor de ligplaatsen met WORES nummers […]; III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], handelend onder de naam "Hydrotec International", [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4] [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 11] en [appellanten sub 12] geheel en de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Loenen, [appellanten sub 9] en de GLTO voor het overige ongegrond; IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht in de door [appellanten sub 9] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 666,01, van welk bedrag € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Utrecht te worden betaald aan deze appellanten. V. gelast dat de provincie aan appellanten genoemd onder I het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (273,00 voor het college van burgemeester en wethouders van Loenen en de GLTO en € 136,00 voor [appellanten sub 9]) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Rop Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2005 270-425.