(1991)(hierna: Brrm 1991) bedragen betaalbaar gesteld, gebaseerd op een restauratiesubsidie die 30% van de subsidiabele restauratiekosten bedraagt. 2.
- De Staatssecretaris heeft bij het besluit van 19 juli 1999 op grond van artikel 17 van het Brrm 1997 een restauratiesubsidie van ƒ 12.491,00 (€ 5.668,17) verleend. Bij de beslissing op bezwaar heeft de Staatssecretaris met toepassing van artikel 36 van het Brrm 1997 artikel 17, eerste lid, in zoverre buiten toepassing gelaten, dat de subsidie niet wordt verleend op basis van 20, maar 30 procent van de resterende subsidiabele restauratiekosten, omdat een strikte toepassing van het in dat artikel neergelegde percentage, gelet op de uitzonderlijk lange duur van het subsidietraject, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2.
- Appellant heeft betoogd dat de rechtbank, gelet op het uitzonderlijk lange subsidietraject en de tussentijdse wijzigingen in de regelgeving, ten onrechte heeft overwogen dat de Staatssecretaris bij de beslissing op bezwaar op goede gronden het subsidiepercentage met toepassing van de hardheidsclausule heeft kunnen bepalen op
- 2.4.
- Het betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet staande kan worden gehouden dat de Staatssecretaris bij de toepassing van de hardheidsclausule, in aanmerking nemend dat bij de eerdere subsidieverstrekkingen eveneens een percentage van 30 van de subsidiabele restauratiekosten is gehanteerd, niet in redelijkheid het subsidiepercentage op 30 heeft kunnen stellen. Het standpunt van de Staatssecretaris dat vanwege de voorgeschiedenis en het uitzonderlijk lange subsidietraject, waaronder ook de termijn waarbinnen hij een beslissing op bezwaar heeft genomen, sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, noopte hem niet om bij de toepassing van de hardheidsclausule alsnog de subsidiepercentages toe te passen uit de vóór het Brrm 1991 geldende regelgeving. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking, dat niet staande kan worden gehouden, dat de Staatssecretaris door reeds een verhoging toe te passen in redelijkheid aan appellant niet voldoende is tegemoet gekomen. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat. w.g. Polak w.g. Wilbers-Taselaar Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005 71-362.