(3)verbonden dat op de plaats van het huidige af te graven talud van de Geerdinkhofweg na overleg met de betrokken bewoners groen moet worden herplant in de vorm van bomen en/of struiken. Van de 337 te kappen bomen op het talud van de Bijlmerdreef en van de 's-Gravendijkdreef zullen 175 bomen in laanbeplanting worden herplant. Voorts raakt de verlaging van de 's-Gravendijkdreef en de Geerdinkhofweg slechts een klein deel van de wijk Geerdinkhof. Deze wijk blijft aan drie zijden omgeven door de groene Bijlmerweide. Gelet hierop is het standpunt van verweerder dat de parkachtige omgeving van deze wijken niet in belangrijke mate zal veranderen door het afgraven van de taluds, niet onjuist of onredelijk. Voorts is niet in geding dat de dreven vanuit provinciaal beleid geen beschermde status hebben. De taluds staan weliswaar in verbinding met de Bijlmerweide, die tot de provinciale ecologische hoofdstructuur behoort, maar maakt daarvan geen deel uit. Voorts is er, mede gelet op het oordeel van de Afdeling in haar uitspraak van 18 mei 2005 in de zaak met nummer 200409211/1, betreffende het hoger beroep van een aantal appellanten tegen de verleende kapvergunning, geen aanknopingspunt dat de beplanting langs de 's-Gravendijkdreef tot aan Groenhoven en ten noorden van de Geerdinkhofweg van hoge ecologische waarde is. Gelet hierop is het standpunt van verweerder dat de dreeflichamen niet van grote landschappelijke en ecologische waarde zijn evenmin onjuist of onredelijk. 2.4.
- Voor zover appellanten betogen dat verweerder heeft miskend dat de dreven tot het oorspronkelijke inrichtingsconcept van de Bijlmermeer horen en deel uitmaken van het culturele erfgoed van het stadsdeel, faalt ook dit betoog. In het Structuurplan Amsterdam van 26 maart 2003 is uitdrukkelijk afstand genomen van het oorspronkelijke inrichtingsconcept van de Bijlmermeer en worden de verhoogde dreven beleidsmatig niet langer beeld bepalend geacht. Verder komen de dreven niet voor op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie en is ook anderszins niet gebleken dat verweerder de dreven ten onrechte niet als cultureel erfgoed heeft aangemerkt. 2.4.
- Appellanten betogen verder dat de gevolgen van de ontgronding voor de grondwaterstand ondeugdelijk zijn onderzocht. Zij verwachten een hogere grondwaterstand en meer wateroverlast onder en rondom hun woningen als gevolg van het verlagen van de dreven, het verwijderen van het groen en het aanleggen van meer verhard oppervlak. Zij trekken ook de objectiviteit, de representativiteit en de actualiteit van de MER-rapporten in twijfel. Het afgraven van de dreeflichamen is geen activiteit waarvoor ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met onderdeel C van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Gelet hierop staat het "Milieueffectrapport Vernieuwing Bijlmermeer, Amsterdam Zuidoost" (hierna: het MER), dat - zoals is geoordeeld in de uitspraak van 1 oktober 2003 in de zaak met nummer 200202033/1, Laag Koningshoef, onverplicht - is opgesteld ten behoeve van de besluitvorming over het bestemmingsplan "De Nieuwe Bijlmer" als zodanig niet ter beoordeling in deze procedure. Aan het MER komt in deze procedure slechts informatieve betekenis toe voorzover daarin informatie staat over het ontgraven van de dreeflichamen (MER-deelrapport 'Aspect bodem') en over de effecten daarvan op het grondwatersysteem (MER-deelrapport 'Aspect water'). In het MER wordt geconcludeerd dat de ontgraving van de dreven - met inbegrip van de verwijdering van de bomen - op zich geen effect heeft op het grondwatersysteem. Alleen indien de ontgraving gepaard gaat met gewijzigd grondgebruik verwacht het rapport een effect op de grondwaterstand. De Commissie voor de milieueffectrapportage komt in haar toetsingsadvies tot dezelfde slotsom. Het door de Stichting advisering bestuursrechtspraak (hierna: Stab) in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2003 in de zaak met nummer 200206026/1, uitgebrachte deskundigenbericht bevestigt dat de grondwaterstand na ontgraving van de dreven nagenoeg niet zal wijzigen. Van de huidige inrichtingsplannen in samenhang met het verwijderen van groen is volgens het MER en het deskundigenbericht een licht positief effect op de grondwaterstand te verwachten. Het rapport van Fugro Ingenieursbureau B.V., houdende aanvullende berekeningen, van oktober 2003 bevestigt de cijfers van de MER en komt eveneens tot de conclusie dat de herinrichting van het gebied zal leiden tot verlaging van de grondwaterstanden. Appellanten stellen tegenover deze deskundigenrapporten niet een tegenrapport waaruit blijkt dat de conclusies van de genoemde rapporten ondeugdelijk zijn. In de door appellanten overgelegde notitie van De Straat Milieu-adviseurs van 29 november 2003 worden alleen kanttekeningen geplaatst bij het MER en het deskundigenbericht van de Stab, maar wordt niet geconcludeerd dat de conclusies van de hiervoor genoemde rapporten ondeugdelijk zijn. De stelling van appellanten dat het MER niet meer actueel zou zijn, hebben zij desgevraagd ter zitting niet aannemelijk gemaakt. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het niet onjuist of onredelijk is dat verweerder de genoemde rapporten aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd en op de inhoud daarvan is afgegaan. 2.4.
- Appellanten betogen voorts dat het ontgronden van de dreven met inbegrip van het verwijderen van de bomen en het aanleggen van een stadsstraat tot een toeneming van de geluidsoverlast op de aanliggende woningen zal leiden en tot een toeneming van de lokale luchtverontreiniging van fijn stof en stikstofdioxiden doordat dit verkeer op maaiveldniveau wordt gebracht. Voorts stellen zij dat verweerder heeft miskend dat een hoge dreef met ongelijkvloerse kruisingen verkeersveiliger is en bij dijkdoorbraak een veilige vluchthaven voor bewoners. Voor zover deze bezwaren gevolgen betreffen van de verwijdering van de bomen, zijn deze in de uitspraak van 18 mei 2005, betreffende het hoger beroep van een aantal appellanten tegen de verleende kapvergunning, gewogen. Voor zover deze bezwaren gevolgen betreffen van de aanleg van een stadstraat met kruisende infrastructuur, kunnen deze bezwaren - zoals hiervoor onder 2.4.
- overwogen - niet worden beschouwd als bij de ontgronding betrokken belangen, maar kunnen deze worden ingebracht bij de vaststelling van de planologische regeling waarin de aanleg van de stadstraat wordt voorzien. Dat verlaging van de dreven op zichzelf de door appellanten gestelde gevolgen zal hebben, is niet aannemelijk gemaakt. Verder hebben de verhoogde dreven geen status van vluchtplaats bij overstroming als gevolg van dijkdoorbraak en worden deze als zodanig ook niet vermeld in een calamiteitenplan. Verweerder heeft dit belang dan ook niet bij zijn afweging behoeven te betrekken. 2.4.
- Voorzover appellanten betogen dat verweerder ten onrechte de door hen aangedragen alternatieve plannen niet in zijn besluitvorming heeft betrokken, overweegt de Afdeling dat verweerder gehouden is op basis van de aanvraag te beoordelen of de vergunning gelet op het bepaalde in artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet en na afweging van alle in artikel 3, tweede lid, van die wet bedoelde belangen kan worden verleend en welke voorschriften daaraan moeten worden verbonden. Ter toetsing staat dan ook slechts de vraag of verweerder de vergunning zoals deze is aangevraagd na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen verlenen. 2.
- Voorschriften en schadevergoeding. 2.5.
- Appellanten betogen dat verweerder heeft miskend dat de waarde van hun woningen door het verlagen van de dreven en door het verdwijnen van het groen zal verminderen. Zij stellen dat verweerder hen bij het bestreden besluit een naar redelijkheid te bepalen schadevergoeding had moeten toekennen en aan de vergunning het voorschrift had moeten verbinden van een ruimere herplantplicht als aangegeven in het advies van de Commissie voor de bezwaar en beroepschriften van 14 juni 2004 naar aanleiding van het bezwaarschrift van appellanten tegen de verleende kapvergunning alsmede het voorschrift dat de plateaus voor de Gouden Leeuw en Groenhoven ook in de toekomst in stand zullen blijven. Voorzover appellanten beogen te stellen dat verweerder hen bij het bestreden besluit op de voet van artikel 26, eerste lid, van de Ontgrondingenwet een schadevergoeding had moeten toekennen, overweegt de Afdeling dat een daadwerkelijke schade niet is vastgesteld. Voorts is in artikel 28 van de Ontgrondingenwet bepaald dat, indien bij een beschikking als bedoeld in artikel 8 geen vergoeding is toegekend, zij kan worden aangevraagd. Mede gelet op de uitspraak van 18 mei 2005, betreffende het hoger beroep van een aantal appellanten tegen de verleende kapvergunning, is er geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder een voorschrift tot bredere herplanting van groen aan de vergunning had moeten verbinden. De vraag of de plateaus voor de Gouden Leeuw en Groenhoven ook in de toekomst in stand dienen te blijven, behoefde verweerder niet bij zijn besluitvorming op de voorliggende aanvraag, waarvan die plateaus geen deel uitmaken, te betrekken. 2.5.
- Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle bij de ontgronding betrokken belangen in redelijkheid aan de belangen die zich tegen de ontgronding verzetten, een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de ontgronding zijn gediend. Uit hetgeen appellanten hebben aangevoerd kan de Afdeling evenmin de conclusie trekken dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. 2.5.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het mede is ingesteld door de appellanten [appellanten G] en [appellant D], voor zover het mede is ingesteld door de appellanten die vermeld staan op bijlage 2 bij het beroepschrift en die appartementen bewonen in de woontorens Groenhoven en Gouden Leeuw met een huisnummer boven de 300 alsmede voor zover het mede is ingesteld door de appellanten die vermeld staan op bijlage 2 bij het beroepschrift en die woningen bewonen in de wijk Geerdinkhof met huisnummer 33 tot en met 36, 61 tot en met 65, en 87 en hoger; II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Nolles Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005 291.