(2003)kan worden afgeleid dat de oprichting van een caravanstalling ter plaatse volgens het provinciale beleid aanvaardbaar kan worden geacht, wordt vastgesteld dat het college bij de beslissing op bezwaar dit streekplan niet in aanmerking kon nemen, reeds omdat dit na de datum van het bestreden besluit is vastgesteld. Het betoog dat geen sprake is van strijdigheid met het gemeentelijk beleid behoeft vanwege de strijdigheid met het provinciale beleid derhalve geen afzonderlijke bespreking meer. 2.
- Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op elk afzonderlijk argument terzake van de in beroep gestelde bijzondere omstandigheden die een afwijking van het provinciale beleid rechtvaardigen. Dit brengt volgens appellanten met zich dat sprake is van schending van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), en van schending van artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Deze wijze van afdoening dient derhalve vernietiging van de aangevallen uitspraak en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank tot gevolg te hebben, aldus appellanten. 2.7.
- Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Het beroep van appellanten heeft, nu het gaat om een weigering vrijstelling te verlenen, betrekking op de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen, zodat deze bepaling van toepassing is. 2.7.
- Uit de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 september 2001, nr. 49 684/099, in de zaak Hirvisaari tegen Finland, NJB 2001, p. 2094, nr. 49, volgt dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM met zich brengt dat de rechter weliswaar verplicht is zijn beslissing te motiveren, doch dat die bepaling geen gedetailleerde behandeling vereist van elk argument dat wordt aangevoerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit hetgeen is aangevoerd niet is kunnen blijken dat appellanten in zodanige bijzondere omstandigheden verkeren dat het college het belang van bescherming van het buitengebied had moeten laten wijken voor het belang van appellanten. Bij dit oordeel zijn alle door appellanten gestelde relevante omstandigheden betrokken. Er bestaat geen aanleiding te oordelen dat de gegeven motivering niet toereikend is. Dat uit de tekst van de uitspraak niet blijkt welke afzonderlijke argumenten de rechtbank onder de noemer 'overigens' heeft geschaard leidt niet tot het oordeel dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Evenmin leidt dit tot de conclusie dat de uitspraak niet overeenkomstig artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, is gedaan op de grondslag van het beroepschrift. 2.
- Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt en ook overigens valt niet in te zien dat het beleid, op grond waarvan het college heeft geweigerd vrijstelling te verlenen, leidt tot een belemmering van het vrij verkeer van goederen, diensten of personen als bedoeld in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. 2.
- Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 december 2004 is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voorzover het is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 18 oktober 2004, AWB 03/512-I; II. bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 31 december 2004, AWB 03/512-III. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein Nulent Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005 218-381.