200407365/1. Datum uitspraak: 10 augustus 2005 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [plaats], en het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (Overijssel), verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 20 juli 2004, kenmerk 63587, heeft verweerder krachtens artikel 8.22, tweede lid, en artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer verscheidene voorschriften die zijn verbonden aan de aan appellante op 25 november 1992 en 4 december 1998 verleende vergunningen voor een mengvoederproductiebedrijf gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], ingetrokken, gewijzigd en aangevuld, en nieuwe toegevoegd. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 1 september 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Bij brief van 5 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 21 december 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. R. van Eck, advocaat te Groenlo, en [directeur], is verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft. 2.2. Appellante heeft ter zitting de beroepsgronden inzake anonieme bedenkingen en voorschrift 7.27 ingetrokken. 2.3. Verweerder acht het beroep op nader door de Afdeling te bepalen onderdelen niet-ontvankelijk omdat terzake geen bedenkingen zijn ingebracht tegen het ontwerp van het besluit dan wel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de weerlegging van bedenkingen onjuist zou zijn. 2.3.1. Ingevolge artikel 20.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dit luidde vóór 1 juli 2005, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door: a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit; b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit; c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht; d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Anders dan verweerder heeft gesteld vinden alle gronden, met uitzondering van die inzake voorschrift 2.9 wel hun grondslag in de bedenkingen, waarin zij immers met name zijn aangevoerd. De beroepsgrond inzake voorschrift 2.9 is gericht tegen een wijziging die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan is aangebracht. Het beroep is daarom ook in zoverre ontvankelijk. De Afdeling overweegt voorts dat het niet motiveren waarom de weerlegging van bedenkingen onjuist zou zijn, wat daar ook van zij, niet kan leiden tot (gedeeltelijke) niet-ontvankelijkheid van het beroep. Het beroep is gelet op het vorenstaande geheel ontvankelijk. 2.4. Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet het bevoegd gezag regelmatig bezien of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Ingevolge artikel 8.22, tweede lid, van de Wet milieubeheer wijzigt het bevoegd gezag de beperkingen waaronder de vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, vult deze aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog aan de vergunning beperkingen aan of verbindt daaraan voorschriften, voorzover blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu. Ingevolge artikel 8.22, vierde lid, en artikel 8.23, derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten. 2.5. Voorzover appellante betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van de bescherming van het milieu noopt tot het actualiseren van de reeds voor de inrichting verleende vergunningen, overweegt de Afdeling dat dit alleen met betrekking tot elk door appellante aangevochten voorschrift afzonderlijk kan worden beoordeeld. De Afdeling zal deze voorschriften hieronder beoordelen. 2.6. Appellante voert aan dat voorschrift 1.5 niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu en daarom overbodig is. Ter zitting heeft appellante deze grond toegespitst op de door voertuigen gevoerde verlichting. 2.6.1. Ingevolge voorschrift 1.5 moeten de in de inrichting aangebrachte of gebezigde verlichting alsmede de uit te voeren werkzaamheden zodanig zijn afgeschermd, dat geen directe lichtstraling op gevoelige objecten plaatsvindt die buiten de inrichting gelegen zijn. 2.6.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voorschrift 1.5 nodig is ter bescherming van woningen tegen directe lichtinstraling. 2.6.3. De Afdeling leidt uit voorschrift 1.5 af dat het mede ziet op door voertuigen op het terrein van de inrichting gevoerde verlichting. De door voertuigen op het terrein van de inrichting in de avondperiode veroorzaakte lichtstraling op gevoelige objecten buiten de inrichting kan in redelijkheid niet worden voorkomen dan wel beperkt. Voorschrift 1.5 is in zoverre in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer aan de voor de inrichting geldende vergunningen verbonden. Deze beroepsgrond treft doel. 2.7. Appellante betoogt dat de voorschriften 1.11 en 1.12 van planologische aard zijn en daarom niet mogen worden verbonden aan een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. Volgens haar dienen die voorschriften ook geen milieubelang. 2.7.1. Ingevolge voorschrift 1.11 moet rondom het terrein van de inrichting een groenstrook met beplanting zijn aangebracht. Ingevolge voorschrift 1.12 moet de groenstrook met beplanting voortdurend in een goede staat van onderhoud verkeren. 2.7.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze voorschriften ertoe dienen dat de bestaande groenvoorzieningen, in het bijzonder de bomen en houtwal, behouden blijven, nu deze nodig zijn ter beperking van visuele hinder. 2.7.3. De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer echter ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Blijkens het deskundigenbericht is aan één zijde van het terrein van de inrichting, de zijde die grenst aan de Engelbertsweg, een groenstrook aanwezig en staan aan de Wolfkaterweg enkele grote bomen, die de inrichting enigszins aan het zicht onttrekken. Op grond van voorschrift 1.11 moet echter rondom het hele terrein van de inrichting een groenstrook met beplanting worden aangebracht, hetgeen verder strekt dan verweerder heeft beoogd. Daarnaast is het onmogelijk een groenstrook aan te leggen op het gedeelte van het terrein dat grenst aan de Eetgerinksweg, nu daar de inrit is gelegen. Gelet hierop is voorschrift 1.11 in strijd met artikel 3:46 respectievelijk artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd en niet zorgvuldig voorbereid. Voorschrift 1.11 dient te worden vernietigd. Omdat voorschrift 1.12 onlosmakelijk is verbonden met voorschrift 1.11, dient ook dat voorschrift te worden vernietigd. Deze beroepsgrond treft doel. 2.8. Appellante voert aan dat in voorschrift 2.9 ten onrechte een parkeerverbod is opgenomen. Een dergelijk verbod kan volgens appellante niet aan een milieuvergunning worden verbonden. Voorts is het inherent aan de bedrijfsvoering dat een vrachtwagen een aantal keren per dag voor korte tijd een gedeelte van de openbare weg bezet houdt, aldus appellante. 2.8.1. Bij het bestreden besluit is het aan de vergunning van 4 december 1998 verbonden voorschrift 2.9 als volgt aangevuld: "Bij het laden en lossen is het ter beperking van geluidsoverlast in de directe omgeving van de inrichting, met name van nabij gelegen geluidgevoelige objecten en ruimten van woningen van derden, niet toegestaan voertuigen op of aan de openbare weg te plaatsen, te doen stilstaan of te parkeren, zodanig dat daardoor andere weggebruikers worden gedwongen buiten de daarvoor bestemde wegvakken te rijden." 2.8.2. Verweerder heeft voorschrift 2.9 aangevuld ter beperking van geluidhinder en ter bevordering van de verkeersveiligheid. Met het voorschrift wordt volgens hem voorkomen dat wegverkeer dat tijdens het verrichten van laad- en losactiviteiten de inrichting passeert, de rijbaan moet verlaten en dichter langs woningen van derden rijdt. 2.8.3. De Afdeling stelt vast dat de aanvulling van voorschrift 2.9 alleen betrekking heeft op het gebruik van de openbare weg ten behoeve van het laden en lossen, zodat een parkeerverbod als zodanig niet aan de orde is. In zoverre faalt het betoog van appellante. Blijkens het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting is het onontkoombaar dat, afhankelijk van de lengte van de vrachtwagen, bij het laden en lossen een weghelft van de Eetgerinksweg (deels) wordt geblokkeerd. De aanvulling op voorschrift 2.9 maakt aldus het drijven van de inrichting zoals dat eerder is vergund, onmogelijk en verdraagt zich daarom niet met het stelsel van de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond treft doel. 2.9. Appellante acht niet duidelijk aan welke verplichtingen zij op grond van voorschrift 3.1 moet voldoen. 2.9.1. Voorschrift 3.1 luidt: "Teneinde een begin van brand effectief te kunnen bestrijden moeten voldoende brandpreventieve maatregelen zijn getroffen en voldoende brandblusmiddelen aanwezig zijn, overeenkomstig de bij deze vergunning behorende tekeningen." 2.9.2. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit voorschrift 3.1 dat brandpreventieve maatregelen moeten zijn getroffen en brandblusmiddelen aanwezig moeten zijn, overeenkomstig de bij de oprichtingsvergunning behorende tekeningen. Aldus is duidelijk waartoe het voorschrift verplicht. Deze beroepsgrond treft geen doel. 2.10. Appellante voert aan dat voorschrift 3.8 onvoldoende gemotiveerd is en niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Zij verzet zich ertegen dat zij de daken van alle tot de inrichting behorende gebouwen moet vervangen. 2.10.1. Ingevolge voorschrift 3.8 moet het dak van de inrichting zijn vervaardigd van onbrandbaar licht materiaal en bestand zijn tegen vliegvuur, zoals bedoeld in NEN 6063. 2.10.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voorschrift 3.8 strekt tot het in geval van brand voorkomen van brandoverslag, tot het voorkomen van emissies van schadelijke stoffen naar de omgeving en tot het meer in het algemeen beperken van gevaar en overlast voor de omgeving in geval van brand in de inrichting. Volgens verweerder voldoet het dak niet aan de huidige eisen. 2.10.3. De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat tot de inrichting drie bedrijfsgebouwen behoren: een gebouw waarin de diervoeders worden geproduceerd (hierna: productiegebouw), een gebouw waarin gereed product in zakken wordt opgeslagen en waarin tevens een kantoorruimte aanwezig is en een gebouw waarin kunstmest in zakken wordt opgeslagen en van waaruit kalk in bulk aan derden wordt geleverd. Uit voorschrift 3.8 blijkt niet op welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.