200409330/1 Datum uitspraak: 9 november 2005 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
(1)het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de WOR, behoudens vrijstelling op grond van artikel 21 (van de planvoorschriften). Ingevolge artikel 23, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften geldt het in artikel 24 bepaalde met betrekking tot ander gebruik van de gronden dan bouwen en het gebruik van opstallen niet voor zover het van de bestemming afwijkende gebruik reeds plaatsvond voor de datum waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen. Ingevolge het tweede lid, onder b. van dit artikel is het bepaalde onder a. niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen, tot dat tijdstip geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het plan en waartegen wordt of alsnog kan worden opgetreden. Ingevolge artikel 10:29, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de goedkeuring noch voor bepaalde tijd of onder voorwaarden worden verleend, noch worden ingetrokken. 2.23.
- Het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Alphen en Riel stond blijkens artikel 8, lid B, onder 2, sub a, het gebruik van de grond als standplaats voor vijf kampeermiddelen binnen het bouwblok en voor vijf kampeermiddelen buiten het bouwblok toe. Op het perceel zijn binnen het agrarisch bouwblok 15 standplaatsen beschikbaar voor het plaatsen van kampeermiddelen. Het oordeel van de Afdeling Formele bezwaren. 2.
- In artikel 27, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is niet een algemene verplichting opgenomen om, na vernietiging van de eerdere beslissing omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan, opnieuw de gelegenheid te bieden tot het geven van een nadere mondelinge toelichting op de schriftelijk ingediende bedenkingen. Niet is gebleken van de aanwezigheid van nieuwe feiten of omstandigheden, waardoor met het oog op een zorgvuldige besluitvorming de noodzaak voor verweerder tot het bieden van een zodanige mogelijkheid zou kunnen bestaan. Ook bestaat geen verplichting voor verweerder om een nader door een appellant ingediend stuk uitdrukkelijk in de motivering van zijn besluit te betrekken. Er is voorts evenmin grond voor vernietiging van het bestreden besluit, omdat verweerder de voorbereiding en afhandeling door dezelfde ambtenaar heeft laten doen, die ook het eerdere besluit omtrent goedkeuring had voorbereid en afgehandeld. Artikel 24, vijfde lid, onder a 2.
- De in artikel 24 opgenomen algemene verbodsbepaling om de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de gegeven bestemming, van welk artikel het vijfde lid, onder a, onderdeel is, heeft verweerder goedgekeurd bij zijn besluit van 16 oktober 2001, kenmerk
- Die goedkeuring is in rechte onaantastbaar geworden, doordat daartegen destijds geen beroep is ingesteld. Nu ingevolge artikel 10:29, tweede lid, van de Awb de goedkeuring noch voor bepaalde tijd of onder voorwaarden kan worden verleend, noch kan worden ingetrokken, heeft verweerder bij het bestreden besluit in strijd met dit artikel alsnog goedkeuring onthouden aan het vijfde lid, onder a, van artikel 24 van de voorschriften. Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wat de onthouding van goedkeuring aan artikel 24, vijfde lid, onder a, van de voorschriften betreft dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 10:29, tweede lid, van de Awb. Artikel 23, tweede lid 2.
- In haar uitspraak van 22 januari 2003 heeft de Afdeling vastgesteld dat de aan het perceel [locatie 5] toegekende bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" kleinschalig kamperen niet toestaat. De Afdeling heeft de goedkeuring van dat plandeel vernietigd, omdat de gemeenteraad had verklaard dat het planologische beleid niet is gericht op een beëindiging van de exploitatie van de minicamping op het perceel en dat verweerder zich op het standpunt had gesteld dat kleinschalig kamperen op het perceel bij recht toegelaten moet zijn. Verweerder heeft bij het bestreden besluit echter opnieuw goedkeuring verleend aan de bestemming voor het perceel. Nu die goedkeuring thans niet is aangevochten, is die goedkeuring daarmee onherroepelijk geworden. Het gebruik van het perceel voor kleinschalig kamperen is derhalve in strijd met de geldende bestemming. Artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften verbiedt het gebruik in strijd met de bestemming en het vijfde lid, onder a, van dat artikel merkt het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen, (..) behoudens vrijstelling op grond van artikel 21, uitdrukkelijk aan als verboden gebruik. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat (artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften dat verwijst naar - de van dat voorschrift deeluitmakende - tabel 1 in samenhang met) artikel 22, twaalfde lid, onder a, van die voorschriften gebruik voor kleinschalig kamperen toestaat indien het een bestaand kampeerterrein betreft, faalt deze stellingname. Daargelaten dat die vrijstellingsregeling niet kan worden benut voor het toestaan achteraf van bestaand gebruik, is gesteld noch gebleken dat zodanige vrijstelling ten tijde van het bestreden besluit was verleend. Bovendien heeft verweerder bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan artikel 22, twaalfde lid, onder a, van de voorschriften, dat het toetsingskader vormt voor de vrijstellingsbevoegdheid, en is die onthouding van goedkeuring in beroep niet aangevochten. De vrijstelling kan ook om die reden niet alsnog worden verleend. De vrijstellingsregeling maakt mitsdien het gebruik van het perceel voor kleinschalig kamperen evenmin mogelijk. Het in artikel 24 opgenomen verbod geldt ingevolge artikel 23, tweede lid, niet voor zover het van de bestemming afwijkende gebruik reeds plaatsvond voor de datum waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen. Redelijke toepassing van dit voorschrift brengt met zich dat daaronder voor het perceel [locatie 5] wordt verstaan de datum waarop het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" voor dat perceel onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen. Dat is, nu tegen de hernieuwde goedkeuring van het plandeel met die bestemming bij het bestreden besluit geen beroep is ingesteld, de dag na het verstrijken van de beroepstermijn, derhalve 30 november
- In het voorheen geldende bestemmingsplan was het gebruik van de gronden voor het plaatsen van kampeermiddelen beperkt tot vijf binnen het bouwblok en vijf daarbuiten. Ter zitting is bevestigd dat van die mogelijkheid ook gebruik is gemaakt. Voor zover vóór de peildatum (30 november 2004) meer dan vijf kampeermiddelen binnen het bouwblok waren geplaatst, betrof dat derhalve van de bestemming afwijkend gebruik dat ook reeds in strijd was met de voorheen, tot de peildatum, voor het perceel geldende bestemming. Nu met de goedkeuring van de bestemming recent het planologische beleid voor dit perceel is vastgelegd, kan niet worden uitgesloten dat tegen dat afwijkende gebruik handhavend wordt of kan worden opgetreden. Dat gebruik is daarmee, anders dan appellanten stellen, gelet op de bewoordingen van artikel 23, tweede lid, onder b, van de voorschriften, uitgezonderd van het in het tweede lid, onder a, van dat artikel vermelde overgangsrecht. Gezien het vorenstaande kan hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet leiden tot de conclusie dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 23, tweede lid, van de voorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het voorschrift ook wat dit perceel betreft. Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre ongegrond. 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld van [appellanten sub 1 en sub 5]. Ten aanzien van [appellant sub 3] en van [appellanten sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 5] en van [appellanten sub 2] gedeeltelijk en van [appellant sub 3] geheel gegrond; II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 21 september 2004, kenmerk 743889, voorzover het betreft de onthouding van goedkeuring aan - detailplankaart 5 betreffende het perceel [locatie 3] en - artikel 24, lid 5a, van de voorschriften; en de goedkeuring van - het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden -R-" en de aanduiding "R1: recreatiewoning" op detailplankaart 28; III. verklaart de beroepen van [appellant sub 5] en van [appellanten sub 2] voor het overige en van [appellanten sub 1], en van [appellant sub 4] geheel ongegrond; IV. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van zijn beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellant sub 5] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; V. gelast dat aan [appellanten sub 5, sub 2, en sub 3] het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht voor ieder ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat. w.g. Kosto w.g. Nolles Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2005 291.