(10)van PAK is samengesteld. De omvang van het geval van verontreiniging in verticale zin is in die rapporten bepaald op een diepte tussen anderhalf tot drie meter onder maaiveld. In horizontale zin is het geval van verontreiniging gelijk gesteld aan de beide eerdergenoemde percelen. Echter onderzoek naar het geval van verontreiniging in horizontale zin heeft blijkens de desbetreffende rapporten niet plaatsgevonden. Verweerder is op die rapporten afgegaan en heeft zich als gevolg daarvan niet van de precieze omvang van het geval van verontreiniging als bedoeld in de zin artikel 1 van de Wet bodembescherming vergewist. Dit wringt des te meer, nu de verontreiniging van het slib in de ten oosten van de desbetreffende locatie gelegen sloot volgens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting naar haar aard overeenkomsten vertoont met die van de op de beide percelen aangetroffen verontreiniging. Gelet op het vorenoverwogene, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart. Deze beroepsgrond treft doel. 2.
- Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hetgeen appellant overigens in zijn beroep heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen verdere bespreking. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 25 januari 2005, kenmerk 2004-50209; III. draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op binnen 13 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 664,87 (zegge: zeshonderdvierenzestig euro en zevenentachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; V. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. P.C.E. van Wijmen en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Drouen Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005 375.