(1995), blijkt dat de bij de aanwijzing betrokken gebieden behoren tot de fysisch-geografische regio "duinen" dan wel "Noordzee" en dat de polders van Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling en (gedeeltelijk) Texel en een groot deel van de vastelandskust van Noord-Holland, Fryslân en Groningen vallen onder de fysisch-geografische regio "zeekleigebied". Het oordeel van de Afdeling 2.
- Bij uitspraak van 19 maart 2003 (200201933/1) heeft de Afdeling uitspraak gedaan inzake de beroepen van de KNJV en anderen en de Gors- en Ambachtsheerlijkheid van Zuid-Beijerland tegen de aanwijzing van het Haringvliet als SBZ in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Hierbij is de Afdeling ingegaan op diverse beroepsgronden tegen het aanwijzingsbesluit in het algemeen. Onder de in die procedure aangevoerde beroepsgronden zijn naar het oordeel van de Afdeling tevens de in de voorliggende procedure aangevoerde algemene bezwaren van appellante tegen het aanwijzingsbesluit te vatten. Daarom verwijst de Afdeling naar hetgeen zij in de genoemde uitspraak van 19 maart 2003 heeft overwogen onder het kopje ‘Algemene bezwaren tegen de aanwijzing’ (overwegingen 2.
- tot en met 2.4.
- in de uitspraak). In het bijzonder heeft de Afdeling in deze uitspraak geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet de door verweerder gekozen methode van begrenzing, waarbij op grond van ornithologische criteria en daarmee direct en noodzakelijkerwijs samenhangende landschapsecologische overwegingen de geselecteerde gebieden worden begrensd, onredelijk of anderszins onjuist te achten. De Afdeling ziet in hetgeen appellante op deze punten heeft aangevoerd, geen aanleiding om thans wat betreft de aangewezen gebieden Noordzeekustzone, Duinen van Texel, Duinen van Vlieland, Duinen van Terschelling, Duinen van Ameland en Duinen van Schiermonnikoog tot een ander oordeel te komen. 2.5.
- Verweerder heeft in het onderhavige geval bij het bepalen van de begrenzing van de voor selectie als SBZ in aanmerking komende gebieden de fysisch-geografische regio-indeling van Nederland als leidraad genomen. Blijkens de stukken heeft hij hiermee beoogd gebieden buiten de aanwijzingen te laten, die wat betreft ontwikkelings- en instandhoudingsdoelstellingen duidelijk verschillen van de geselecteerde gebieden. De Afdeling acht deze methode ter invulling en nadere uitwerking van het begrenzingencriterium landschapsecologische eenheid niet onredelijk. De door appellante voorgestane alternatieve invulling van dit begrenzingencriterium, zoals deze in de A&W-rapporten 211 en 340 is toegepast en in het Alterra-rapport 328 is overgenomen, wordt door verweerder niet gevolgd. Dat een alternatieve invulling mogelijk is, betekent niet dat de methode van verweerder onjuist is of dat verweerder gehouden is zijn methode aan te passen. Gezien het vorenstaande en hetgeen in overweging 2.4.
- is vastgesteld, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de polders van Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling en (gedeeltelijk) Texel en een groot deel van de vastelandskust van Noord-Holland, Fryslân en Groningen niet met één dan wel meerdere van de aangewezen gebieden een landschapsecologische eenheid vormen. Overigens wordt in het Alterra-rapport 328 tot een zelfde conclusie gekomen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid de door appellante voorgestelde gebieden buiten de aanwijzing van de Noordzeekustzone, de Duinen van Texel, de Duinen van Vlieland, de Duinen van Terschelling, de Duinen van Ameland en de Duinen van Schiermonnikoog als SBZ kunnen laten. 2.
- Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in zoverre op juiste gronden uitvoering gegeven aan de verplichting die voor Nederland voortvloeit uit artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Proceskostenveroordeling 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat. w.g. Kosto w.g. Broekman Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006 12-466.