(2)agrarische doeleinden ten behoeve van de vestiging van een agrarisch bedrijf ten behoeve van een eerste bedrijfswoning bij een bestaand agrarisch bedrijf of ten behoeve van opslag voor een agrarisch bedrijf. Ingevolge het vierentwintigste lid, onder c en onder 1, van dit artikel, voor zover thans van belang, is de volgorde van bovenstaande wijzigingsbevoegdheid een prioriteitsvolgorde voor zover de gronden zijn gedifferentieerd als "E". Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen als "Maatschappelijke doeleinden (MD)" bestemd voor voorzieningen ten dienste van sociale, culturele of recreatieve activiteiten, alsmede voorzieningen ten dienste van overheidsdiensten. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Om te voorkomen dat leegstaande barakken worden gebruikt in strijd met de bestemmingsregeling, is het noodzakelijk dat aan de barakken een bestemming wordt gegeven die daadwerkelijk gebruik mogelijk maakt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, in het geval de barakken niet langer door het vliegkamp zullen worden gebruikt, het college van burgemeester en wethouders eerst mag bezien of deze nodig zijn voor welzijnsvoorzieningen voordat de bestemming kan worden gewijzigd in "Agrarische doeleinden". Daarbij acht de Afdeling van belang dat de Dienst der Domeinen vooralsnog niet voornemens is de barakken te verkopen. Nu de gemeenteraad niet uitsluit dat de gronden ook voor andere activiteiten gebruikt zullen worden dan voor opslag, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat de bestemmingsregeling te ruim is. Verder stelt de gemeenteraad bij gebruik van de gronden anders dan voor opslag de voorwaarde dat wordt voorzien in de noodzakelijke parkeerruimte. Indien niettemin sprake zal zijn van parkeeroverlast, is niet aannemelijk geworden dat dit niet met afdoende maatregelen kan worden tegengegaan. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond. Standpunt van appellant sub 3 2.
- Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B4" met de aanduiding "voormalig vatenopslagterrein", wat betreft zijn perceel aan de [locatie], omdat dit niet voorziet in een bouwvlak. Daartoe voert hij aan dat verweerder heeft miskend dat de gemeenteraad ten onrechte ervan uitgaat dat op het perceel nooit bebouwing heeft gestaan en dat bebouwing op zijn perceel de openheid van het landschap aantast. Voorts wijst appellant op de noodzaak van een bouwvlak voor de continuering van zijn bedrijf en het gebrek aan alternatieven in de omgeving. Het bestreden besluit 2.
- Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Daarbij acht hij van belang dat op het perceel van appellant onder het vorige plan en de daarvoor verleende vrijstelling geen bebouwing was toegestaan. Vaststelling van de feiten 2.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.14.
- In 1995 is aan appellant vrijstelling verleend van het vorige bestemmingsplan omdat de agrarische bestemming op het perceel niet kon worden verwezenlijkt vanwege de bodemkwaliteit. Aan appellant is aldus toestemming verleend voor het gebruik van het perceel voor opslag van materialen van zijn loonwerk- en verhuurbedrijf onder de voorwaarde dat het perceel onbebouwd dient te blijven. 2.14.
- Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden B4" bestemd voor de uitoefening van een agrarisch loon- en verhuurbedrijf. Ingevolge het vierde lid, onder g, van dit artikel mag op de gronden met de aanduiding "voormalige vatenopslag" niet worden gebouwd. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Ten aanzien van het betoog van appellant dat ten onrechte niet is voorzien in een bouwvlak op zijn perceel terwijl daar eerder bebouwing heeft gestaan, overweegt de Afdeling dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat appellant daaraan geen rechten kan ontlenen, omdat die bebouwing zonder bouwvergunning was opgericht. Het thans voorliggende plan voorziet in tegenstelling tot het vorige plan voor het perceel van appellant niet in een agrarische bestemming maar in een bedrijfsbestemming, omdat het perceel vanwege de bodemkwaliteit niet geschikt is voor agrarisch gebruik. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat, anders dan appellant stelt, bebouwing op het perceel tot aantasting van de openheid van het landschap zou leiden. Voorts heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een bouwvlak noodzakelijk is voor het voortbestaan van het bedrijf. Gelet op het vorenstaande en nu bovendien aan appellant op grond van het vorige plan vrijstelling is verleend om het perceel voor opslag van materialen voor zijn loonwerk- en verhuurbedrijf te gebruiken onder de voorwaarde dat het perceel onbebouwd zou blijven, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gemeenteraad voor het perceel van appellant niet was gehouden in een bouwvlak te voorzien. Gezien het vorengaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond. Proceskostenveroordeling 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Den Broeder Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006 178-432.