200502156/1. Datum uitspraak: 8 maart 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats] en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 28 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Zoetermeer, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 juni 2004, het bestemmingsplan "Rokkeveen Kantoren locatie Bredewater (Meerzicht)" vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 januari 2005, kenmerk DRM/ARB/04/7017A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 11 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2005, en [appellant sub 2] bij brief van 10 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2005, beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 4 mei 2005 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2005, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellant sub 2], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.C. Wassens, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad van de gemeente Zoetermeer, vertegenwoordigd door mr. dr. M. Lurks, bijgestaan door ing. A.B.M. Berensen en drs. H. Mayer, allen ambtenaren van de gemeente. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geschorst en het vooronderzoek hervat teneinde de raad van de gemeente Zoetermeer in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Appellanten hebben hierop gereageerd. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting. 2. Overwegingen Overgangsrecht 2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft. Toetsingskader 2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. Het standpunt van appellanten 2.3. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Volgens hen bestaat geen behoefte aan nieuwe kantoorpanden en is in de omgeving niet voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Voorts past volgens hen een bouwhoogte van 88 meter niet bij het karakter van de aangrenzende woonbuurt en is deze hoogte in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2002, nr. 200101551/1. Geen rekening is gehouden met de windhinder die kantoren met deze hoogte veroorzaken, aldus appellanten. Ook is een stukje grond dat thans als "Groen" is bestemd ten onrechte in het plan opgenomen. Ten slotte stellen appellanten dat onvoldoende is onderzocht of aan de grenswaarden voor de geluidbelasting en de luchtkwaliteit kan worden voldaan. 2.4. [appellant sub 1] stelt in beroep voorts dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat brede en hoge antenne-installaties en antennemasten kunnen worden opgericht. Hij acht de onthouding van goedkeuring in zoverre onvoldoende. Het standpunt van verweerder 2.5. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan artikel 3, eerste lid, onder i, van de planvoorschriften, aangezien in de voorschriften niets is bepaald omtrent de omvang van telecommunicatievoorzieningen en dit begrip niet is omschreven. Voor het overige heeft hij het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hij het goedgekeurd. 2.5.1. Het stadsgewest Haaglanden heeft met de ontwikkeling van kantoren ingestemd, zodat er volgens verweerder vanuit kan worden gegaan dat er behoefte bestaat aan de te ontwikkelen kantoren. 2.5.2. Door de compensatie in het plan van bestaande parkeerplaatsen die verloren gaan en de mogelijkheid om in de "lus" van de Afrikaweg te parkeren, zal volgens verweerder geen tekort ontstaan aan parkeergelegenheid. Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders volgens verweerder aan de gemeenteraad toegezegd ongeveer 60 extra parkeerplaatsen in de omgeving aan te leggen. 2.5.3. Door de zogeheten 30°-regel is volgens verweerder een geleidelijke opbouw van de hoogte gegarandeerd, zodat het karakter van de aangrenzende woonwijk niet onevenredig wordt aangetast. 2.5.4. Antennemasten zijn na de onthouding van goedkeuring slechts mogelijk na vrijstelling, welke voldoende waarborgen bevat, aldus verweerder. 2.5.5. Ingevolge de Wet geluidhinder behoefde volgens verweerder geen akoestisch onderzoek te worden verricht en voorts is de toename van de verkeersintensiteit volgens hem zo gering, dat hiervan ook geen gevolgen voor de geluidbelasting behoefden te worden verwacht. Vaststelling van de feiten 2.6. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.6.1. Het plangebied is gelegen in het zuidoostelijk deel van de wijk Meerzicht aan de zuidzijde van het Bredewater, in de oksel van de Afrikaweg en de Rijksweg A12. Het plan voorziet in de ontwikkeling van maximaal 25.000 m2 brutovloeroppervlak kantoorruimte en biedt daarnaast ruimte voor dienstverlening, horeca en detailhandelsvoorzieningen. Voorts is voorzien in de aanleg van parkeervoorzieningen. 2.6.2. Volgens het Masterplan 2025 van de gemeente Zoetermeer wordt een groei van het aantal arbeidsplaatsen beoogd van 45.000 naar 70.000. Voorts wordt het beleid gevoerd dat grond niet wordt uitgegeven voordat voor minimaal 50% van het te ontwikkelen gebouw een gebruiker bekend is. 2.6.3. Het plan gaat ten koste van 64 officiële P+R-parkeerplaatsen en een parkeerterrein voor vrachtwagens dat thans wordt gebruikt als parkeerplaats voor 150 tot 200 personenauto's. Het plan voorziet in de aanleg van twee nieuwe parkeerterreinen van 32 parkeerplaatsen elk op de gronden met de (mede)bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden". Aan de overzijde van de A12, in de lus van de Afrikaweg, bevindt zich een parkeerterrein met 428 plaatsen, waarvan thans minder dan de helft wordt benut. Het college van burgemeester en wethouders heeft aan de gemeenteraad toegezegd ongeveer 60 extra parkeerplaatsen in de omgeving aan te leggen. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften dient per 85 m2 brutovloeroppervlak één parkeerplaats te worden aangelegd en kan vrijstelling worden verleend voor de aanleg van één parkeerplaats per 50 m2 brutovloeroppervlak. 2.6.4. In de Hoogbouwvisie 2004 van 1 juni 2004 valt het plangebied in de stedelijke kernzone waar hoogbouw mogelijk is. Voorts valt de locatie in het knooppunt Station Zoetermeer waaraan een maximale bouwhoogte van 120 meter is toegekend. 2.6.5. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften, mag de hoogte van een gebouw(deel) niet meer bedragen dan de kortste afstand tussen de dichtstbijzijnde woning ([locatie 3]) en dat gebouw(deel) gedeeld door de factor 1,7 vermeerderd met 1 meter, met een maximum van 80 meter. Dit is de zogeheten 30°-regel. Ingevolge artikel 6, onder c, van de planvoorschriften is vrijstelling mogelijk van onder meer de hoogte met maximaal 10%. Volgens de plantoelichting blijkt uit het verrichte bezonningsonderzoek dat de schaduw van de nieuwe kantoren in de zomersituatie de dichtstbijzijnde woningen en tuinen niet raakt en in het voor- en najaar slechts tussen 9:00u en 9:30u. In de winterperiode zal in de ochtenduren de schaduw van de kantoren over delen van de aangrenzende wijk schuiven. Volgens de plantoelichting blijkt uit het verrichte windhinderonderzoek dat op enkele plekken in het plangebied sprake zal zijn van een verslechtering die echter grotendeels door maatregelen kan worden gemitigeerd. Op het windklimaat in de achtertuinen van de woningen aan het Korfwater heeft het plan volgens dit onderzoek geen invloed. 2.6.5.1. In de uitspraak van 20 maart 2002, nr. 200101551/1 heeft de Afdeling ten aanzien van de hoogte op het onderhavige plandeel het volgende overwogen: "Met betrekking tot de hoogte van de kantoren met de bestemming "Uit te werken kantoordoeleinden 1 ( UK 1)" aan het Bredewater is ter zitting gebleken dat zowel het gemeentebestuur als verweerders ervan uitgaan dat de uitwerking zal voorzien in hoogten oplopend van 50 tot 80 meter. De Afdeling constateert dat de planvoorschriften een hoogte van 80 meter toelaten. Nu aannemelijk noch gewenst is dat in het gehele plandeel gebouwen hoger dan 50 meter verrijzen, is de Afdeling van oordeel dat verweerders door het plandeel met de bestemming "Uit te werken kantoordoeleinden" ( UK 1) en artikel 4, tweede lid, onder c, tweede bolletje van de planvoorschriften in zoverre goed te keuren hebben gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is wat betreft dit onderdeel gegrond zodat de betrokken gedeelten dienen te worden vernietigd. De Afdeling ziet tevens aanleiding aan de vorengenoemde planonderdelen goedkeuring te onthouden." 2.6.6. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder i, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor "Kantoren en dienstverlening KD" aangewezen gronden mede bestemd voor telecommunicatievoorzieningen. Aan dit voorschrift heeft verweerder goedkeuring onthouden. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften, mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste twee meter bedragen, met uitzondering van onder meer antennes, antenne-installaties en antennemasten. Dit voorschrift heeft verweerder goedgekeurd. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften is vrijstelling mogelijk ten behoeve van het gebruik van gronden en opstallen voor antennemasten gericht op het ontvangen en/of verzenden van telecommunicatieverkeer, met inbegrip van de daarbij behorende technische installaties. Daarbij gelden onder meer de criteria dat antennemasten zoveel mogelijk aan het karakter van de directe omgeving dienen te worden aangepast om te voorkomen dat het aanzicht in stedenbouwkundig opzicht te veel wordt aangetast, deze in beginsel op ten minste 100 meter afstand van omliggende woonbebouwing moeten worden gesitueerd en de hoogte niet meer dan 40 meter mag bedragen. Ingevolge artikel 1, eerste lid, wordt onder een antenne-installatie verstaan een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gericht op het ontvangen en/of verzenden van telecommunicatieverkeer, met inbegrip van de daarbij behorende zijsprieten, schoteltjes, panelen en technische installatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.