(3160)). De enkele vaststelling dat de toename van de ammoniakdepositie op het natuurgebied minder dan 1% bedraagt van de kritische depositiewaarde van de volgens hem in het natuurgebied aanwezige bos-ecosystemen is dan ook door verweerder niet onderbouwd. In zoverre heeft hij niet op grond van objectieve gegevens kunnen uitsluiten dat de bij het bestreden besluit vergunde veranderingen, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen hebben voor het natuurgebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan. Het bestreden besluit is, gezien het vorenstaande, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, en kan voorts, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. 2.
- De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellant sub 1 te worden veroordeeld. Van proceskosten van appellanten sub 2 die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goirle van 14 juni 2005; III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Goirle tot vergoeding van bij appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 671,57 (zegge: zeshonderdeenenzeventig euro en zevenenvijftig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Goirle aan appellant sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; IV. gelast dat de gemeente Goirle aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellant sub 1 en € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellanten sub 2 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat. w.g. Drupsteen w.g. De Vink Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006 154-431.