← Nederland

ECLI:NL:RVS:2006:AW1291

200408033/

  1. Datum uitspraak: 12 april 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
  3. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
  4. [appellante sub 3], wonend te [woonplaats],
  5. [appellanten sub 4], beide gevestigd te [plaats],
  6. [appellante sub 5], gevestigd te [plaats],
  7. [appellante sub 6], gevestigd te [plaats],
  8. [appellante sub 7], gevestigd te [plaats],
  9. het college van burgemeester en wethouders van Deventer,
  10. [appellanten sub 9], beiden wonend te [woonplaats],
  11. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],
  12. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],
  13. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],
  14. [appellante sub 13], gevestigd te [plaats],
  15. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],
  16. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],
  17. [appellante sub 16], wonend te [woonplaats],
  18. [appellante sub 17], gevestigd te [plaats],
  19. [appellanten sub 18], allen wonend te [woonplaats],
  20. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],
  21. [appellanten sub 20], wonend te [woonplaatsen],
  22. [appellanten sub 21], allen wonend te [woonplaats],
  23. [appellant sub 22], wonend te [woonplaats],
  24. [appellant sub 23], wonend te [woonplaats],
  25. [appellanten sub 24], gevestigd en wonend te [plaats],
  26. [appellanten sub 25], wonend te [woonplaats],
  27. [appellante sub 26], gevestigd te [plaats],
  28. [appellant sub 27], wonend te [woonplaats],
  29. [appellante sub 28], gevestigd te [plaats],
  30. [appellante sub 29], gevestigd te [plaats],
  31. [appellante sub 30], gevestigd te [plaats],
  32. [appellant sub 31], wonend te [woonplaats],
  33. de vereniging Milieudefensie, gevestigd te Amsterdam,
  34. [appellanten sub 33], alle gevestigd en wonend te [plaats],
  35. [appellant sub 34], wonend te [woonplaats],
  36. [appellant sub 35], wonend te [woonplaats],
  37. [appellante sub 36], gevestigd te [plaats],
  38. [appellant sub 37], wonend te [woonplaats],
  39. [appellant sub 38], wonend te [woonplaats]
  40. [appellanten sub 39], beiden wonend te [woonplaats],
  41. [appellant sub 40], wonend te [woonplaats],
  42. [appellante sub 41], gevestigd te [plaats],
  43. [appellanten sub 42], beiden wonend te [woonplaats],
  44. [appellanten sub 43], gevestigd en wonend te [plaatsen],
  45. [appellante sub 44], gevestigd te [plaats],
  46. [appellante sub 45], gevestigd te [plaats],
  47. [appellanten sub 46], gevestigd en wonend te [plaatsen]
  48. [appellanten sub 47], wonend te [woonplaats],
  49. [appellanten sub 48], gevestigd en wonend te [plaatsen]
  50. [appellanten sub 49], wonend te [woonplaats], en provinciale staten van Overijssel (hierna: verweerders), de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister en de Staatssecretaris).
  51. Procesverloop Bij besluit van 15 september 2004, kenmerk PS/2004/738, hebben provinciale staten van Overijssel, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Overijssel, het reconstructieplan "Salland-Twente" vastgesteld. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben bij besluit van 2 november 2004 het reconstructieplan goedgekeurd. Tegen het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit hebben appellanten beroep ingesteld. Bij brief van 31 mei 2005 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 augustus
  52. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen. Van deze gelegenheid hebben de colleges van burgemeester en wethouders van Dinkelland, Hof van Twente, Rijssen-Holten en Wierden gebruik gemaakt. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 en 18 oktober 2005, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. Provinciale staten van Overijssel hebben zich doen vertegenwoordigen. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn, met kennisgeving, niet verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Wierden als partij gehoord. De colleges van burgemeester en wethouders van Dinkelland, Hof van Twente en Rijssen-Holten zijn niet verschenen.
  53. Overwegingen [appellante sub 5] heeft bij brief van 9 februari 2006 haar beroep ingetrokken. [appellante sub 41]. heeft bij brief van 31 maart 2006 haar beroep ingetrokken. OVERGANGSRECHT 2.
  54. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft. ONTVANKELIJKHEID I. In verweer 2.
  55. Verweerders stellen dat het college van burgemeester en wethouders van Deventer geen belanghebbende is, zodat zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. 2.2.
  56. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc) kan een belanghebbende tegen een besluit tot vaststelling, wijziging of uitwerking van een reconstructieplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Awb worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Rwc stellen provinciale staten voor elk concentratiegebied één of meer reconstructiecommissies in. In artikel 7 van de Rwc is, voor zover hier van belang, bepaald dat provinciale staten de samenstelling van de reconstructiecommissie zodanig regelen dat in elk geval gemeenten ten minste een lid in de reconstructie-commissie zitting hebben. Voorts is in dit artikel bepaald dat provinciale staten met de besturen van gemeenten overleggen over de wijze waarop deze in de reconstructiecommissie vertegenwoordigd zullen zijn en dat het college van gedeputeerde staten aan de colleges van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten bericht van de samenstelling, taken en bevoegdheden van de reconstructiecommissies zendt. In artikel 14, tweede lid, van de Rwc is, voor zover hier van belang, bepaald dat het college van gedeputeerde staten voorafgaand aan de opstelling van het ontwerp van het reconstructieplan, een bestuursovereenkomst sluit met de betrokken gemeenten omtrent de wijze waarop de betrokkenheid van deze gemeenten bij de totstandkoming en uitvoering van het reconstructieplan, alsmede de afstemming met de procedures voor de vaststelling of herziening van bestemmingsplannen, zullen zijn gewaarborgd. In artikel 27, eerste lid, van de Rwc is, voor zover hier van belang, bepaald dat het reconstructieplan voor daarin aangewezen delen van het reconstructiegebied geldt als voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) totdat voor deze delen van het reconstructiegebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het reconstructieplan van kracht is geworden. In het derde lid van dit artikel is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, het reconstructieplan voor de uitvoering daarvan als een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO geldt. Gelet op dit samenstel van wettelijke bepalingen zijn de besturen van gemeenten in een reconstructiegebied nauw betrokken bij het opstellen van het reconstructieplan en zijn zij voorts belast met de uitvoering van het reconstructieplan in bestemmingsplannen. De gemeente Deventer is gelegen in het reconstructiegebied. Dit alles leidt de Afdeling tot het oordeel dat de aan het college van burgemeester en wethouders van Deventer toevertrouwde belangen rechtstreeks bij het reconstructieplan betrokken zijn. Er bestaat dan ook geen aanleiding zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren. 2.
  57. Verweerders stellen dat het door [gemachtigde] namens de Vereniging Milieudefensie ingestelde beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat geen machtiging is overgelegd. 2.3.
  58. Bij faxbericht van 13 januari 2005 is ter secretarie van de Raad van State een op 1 januari 2005 gedateerd schrijven ontvangen waarin de Vereniging Milieudefensie [gemachtigde] machtigt om namens haar alle mogelijke rechtmiddelen aan te wenden in verband met het Reconstructieplan Salland en Twente. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding het beroep van de Vereniging Milieudefensie niet-ontvankelijk te verklaren. II. Vormverzuim 2.
  59. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Ingevolge artikel 6:6, van de Awb, voor zover hier van belang, kan het beroepschrift niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Bij brief van 10 december 2004 hebben [appellanten sub 48] beroep ingesteld tegen het reconstructieplan. In deze brief zijn de gronden van het beroep niet vermeld. Bij aangetekende brief van 17 december 2004 zijn appellanten door de Afdeling op dit verzuim gewezen en zijn zij tot uiterlijk 14 januari 2005 in de gelegenheid gesteld om de gronden van hun beroep in te dienen. Hierbij is vermeld dat, indien het verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn wordt hersteld, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Bij brief van 13 januari 2005 zijn de gronden voor het beroep aangevuld, behoudens voor [een van appellanten sub 48]. De gronden voor [een van appellanten sub 48] zijn derhalve niet binnen de aldus gestelde termijn ontvangen. Evenmin is binnen de termijn om uitstel voor indiening daarvan verzocht. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld zou moeten worden dat appellant niet in verzuim is geweest. 2.4.
  60. Het beroep van [appellanten sub 48] is dan ook niet-ontvankelijk voor zover dit [een van appellanten sub 48] betreft. III. Wettelijk kader 2.
  61. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder reconstructie verstaan de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van een onderling samenhangend complex van maatregelen en voorzieningen ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze wet. Onder een landbouwontwikkelingsgebied wordt verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat landbouw dat geheel of gedeeltelijk voorziet, of in het kader van de reconstructie zal voorzien, in de mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij. Onder een verwevingsgebied wordt verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is mits de ruimtelijke kwaliteit of de functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. Onder een extensiveringsgebied wordt verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. 2.5.
  62. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Rwc, voor zover van belang, geldt het reconstructieplan voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde lid, van de wet aangewezen delen van het reconstructiegebied als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO. Het reconstructieplan geldt voor die delen van het reconstructiegebied niet meer als een voorbereidingsbesluit indien voor de desbetreffende onderdelen van het reconstructiegebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het reconstructieplan van kracht is geworden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is artikel 50 van de Woningwet niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan. Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Rwc, geldt, voor zover de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, het reconstructieplan voor de uitvoering daarvan als een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO. 2.5.
  63. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Rwc kan een belanghebbende tegen een besluit tot vaststelling, wijziging of uitwerking van het reconstructieplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de wet maakt het besluit tot goedkeuring, voor de toepassing van het eerste lid, deel uit van het daaraan ten grondslag liggende besluit tot vaststelling van het reconstructieplan. Ingevolge artikel 29, derde lid, van de Rwc kunnen, in afwijking van de artikelen 27, eerste en tweede lid, 28, zevende lid, en 29, negende lid, van de WRO, geen bedenkingen of kan geen beroep worden ingediend tegen die onderdelen van een bestemmingsplan die voortvloeien uit een bekendgemaakt reconstructieplan. 2.5.
  64. Het reconstructieplan voorziet in een zonering intensieve veehouderij die is weergegeven op bij het plan behorende kaarten. De zonering intensieve veehouderij bestaat uit extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden. 2.5.
  65. Het reconstructieplan bevat op pagina 106 de volgende definities. 2.5.4.
  66. Onder intensieve veehouderij wordt een agrarisch bedrijf of een deel daarvan verstaan met ten minste 250 m2 bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden, of dieren 'biologisch' worden gehouden, en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Onder melkrundvee wordt in het reconstructieplan, gelijk artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav) verstaan:
  67. melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest, en
  68. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren. Onder 'biologisch' wordt in het reconstructieplan verstaan: dieren die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden. 2.5.4.
  69. Onder bouwblok wordt verstaan: een deel van het bestemmingsplan voor de vestiging van een landbouwbedrijf met toebehoren zoals een bedrijfswoning, erf, beplanting, et cetera. 2.5.4.
  70. Onder nieuwvestiging wordt verstaan: een nieuw agrarisch bouwblok opnemen in het bestemmingsplan voor de vestiging van een nieuw van elders te verplaatsen bedrijf of geheel nieuw te starten bedrijf. 2.5.4.
  71. Onder uitbreiding wordt verstaan: de vergroting van de aanwezige agrarische bebouwing al of niet gepaard gaand met een verruiming van het bouwblok. 2.5.
  72. Een reconstructieplan bevat een beleidsuitspraak over het grondgebruik binnen de reconstructiezones waaruit een onderdeel van een bestemmingsplan in de zin van artikel 29, derde lid, van de Rwc kan voortvloeien, indien deze beleidsuitspraak, blijkens de gekozen formulering, als bindend beoogd is en van de bestemmingsplanwetgever geen nadere afweging meer vereist en voor zover deze niet reeds rechtstreeks uit de Rwc volgt. 2.5.
  73. Gezien de hier aan de orde zijnde beroepen, betreft het de volgende in het reconstructieplan vervatte beleidsuitspraken: In verwevingsgebieden is nieuwvestiging van intensieve veehouderijen verboden. In verwevingsgebieden mag de status van sterlocatie niet worden toegekend aan bedrijven in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (hierna: PEHS) en de robuuste verbindingszones en aan bedrijven binnen 250 meter van voor verzuring gevoelige Vogelrichtlijn-, Habitatrichtlijn- en Natuurbeschermingsgebieden en voor verzuring gevoelige gebieden binnen de PEHS overeenkomstig de Wav. 2.5.
  74. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de beroepen gericht tegen het onderhavige besluit tot vaststelling van een reconstructieplan, overweegt de Afdeling ambtshalve als volgt. 2.5.7.
  75. Zoals hiervoor is overwogen, kan een belanghebbende beroep instellen tegen de vaststelling, wijziging of uitwerking van een reconstructieplan. Gelet op het doel en de strekking van de Rwc betekent dit niet dat beroep openstaat tegen alle onderdelen van het plan. Voor zover het reconstructieplan indicatieve elementen bevat van het provinciale beleid voor de uivoering van de Rwc zoals neergelegd in het reconstructieplan, zijn deze elementen niet gericht op enig rechtsgevolg. Tegen deze onderdelen van het reconstructieplan kan dan ook geen beroep worden ingesteld. De beroepen voor zover gericht tegen deze onderdelen zijn niet-ontvankelijk. 2.5.7.
  76. Uit het voorgaande vloeit voort dat ten aanzien van dit reconstructieplan beroep openstaat tegen de onderdelen van het reconstructieplan waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 27 van de Rwc, de in het reconstructieplan neergelegde zonering intensieve veehouderij, alsmede de, blijkens de gekozen formulering, als bindend beoogde beleidsuitspraken over het grondgebruik binnen de reconstructiezones. Voor zover het voorliggende reconstructieplan begripsomschrijvingen bevat die bepalend zijn voor de reikwijdte van de hiervoor bedoelde planonderdelen en die niet reeds in de Rwc zijn opgenomen, staat hiertegen eveneens beroep open. Beroepen tegen indicatieve, niet-bindende elementen 2.
  77. [appellant sub 11], [appellant sub 14], [appellant sub 19], [appellante sub 28], [appellante sub 30], [appellanten sub 33], [appellanten sub 43] en [appellanten sub 46] stellen in beroep (onder meer) dat de financiering van de uitvoering van het plan onduidelijk en ontoereikend is. 2.6.
  78. [appellant sub 11], [appellante sub 13], [appellant sub 15], [appellant sub 19], [appellante sub 28], [appellanten sub 20], [appellanten sub 42], [appellanten sub 48], [appellant sub 38], [appellanten sub 39] stellen in beroep (onder meer) dat het plan niet voorziet in voldoende flankerend beleid wat betreft de intensieve veehouderij. 2.6.
  79. [appellanten sub 21] stellen in beroep dat het reconstructieplan ertoe leidt dat Salland één groot natuurgebied wordt en dat daarin is voorbijgegaan aan het belang van de agrarische sector. 2.6.
  80. [appellant sub 22] en [appellanten sub 43] voeren in beroep (onder meer) een aantal bezwaren aan over de uitvoering van het project "De Doorbraak". 2.6.
  81. De vereniging Milieudefensie stelt in beroep onder meer dat het reconstructieplan ten onrechte voorziet in een recreatiegebied op de Herikerberg te Goor en dat het plan niet voorziet in voldoende innovatief beleid. 2.6.
  82. [appellanten sub 33] stellen in beroep voorts dat binnen het verwevingsgebied teveel ruimte wordt gelaten voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, die een verdere beperking van de agrarische functie met zich kan brengen. 2.6.
  83. [appellant sub 38] en [appellanten sub 39] stellen in beroep voorts dat het reconstructieplan ten onrechte niet voorziet in een verruimde herinvesteringsregeling waarbij de vergoeding niet uitsluitend in de landbouw behoeft te worden gerealiseerd. 2.6.
  84. [appellanten sub 43] hebben ter zitting verklaard dat hun overige bezwaren geen betrekking hebben op de aan de gronden toegekende zonering. Deze bezwaren zien naar het oordeel van de Afdeling evenmin op beleidsuitspraken over het grondgebruik binnen de reconstructiezones die, blijkens de gekozen formulering, als bindend zijn beoogd. 2.6.
  85. De beroepen van appellanten genoemd onder 2.6.-2.6.
  86. zijn geheel of gedeeltelijk gericht tegen indicatieve, niet bindende elementen van het reconstructieplan en niet gericht tegen de zonering intensieve veehouderij of een onderdeel van het reconstructieplan dat een bepaling betreft over het grondgebruik binnen die zonering. 2.
  87. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.5.7.
  88. en 2.5.7.
  89. zijn de beroepen van [appellant sub 11], [appellante sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 19], [appellanten sub 20], [appellant sub 22], [appellante sub 30], de vereniging Milieudefensie, [appellanten sub 33], [appellanten sub 42], [appellanten sub 46], [appellanten sub 48], in zoverre niet-ontvankelijk en zijn de beroepen van [appellanten sub 21], [appellante sub 28], [appellant sub 38], [appellanten sub 39] en [appellanten sub 43] geheel niet-ontvankelijk. BEROEPEN EXTENSIVERINGSGEBIEDEN Beroepen gericht tegen de totstandkoming van de zonering Standpunt van appellanten 2.
  90. [appellant sub 27] en [appellante sub 30] stellen onder meer dat verweerders ten onrechte niet met de vaststelling van extensiveringsgebieden hebben gewacht totdat de ligging van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) en de kwetsbare gebieden in het kader van de Wav definitief zijn vastgesteld. Daarbij verwijzen zij naar de beroepen die bij de Afdeling zijn ingesteld tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel waarbij voor deze provincie in het kader van de Wav kaarten met kwetsbare gebieden zijn vastgesteld. [appellant sub 11] stelt onder meer dat verweerders in strijd met het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Wav kwetsbare gebieden in de zin van die wet hebben aangewezen, zodat de in het reconstructieplan gekozen basis voor de begrenzing van de extensiveringsgebieden ondeugdelijk is. Voorts zijn volgens hem de criteria op grond waarvan is besloten een zone van 250 meter rond bepaalde voor verzuring gevoelige gebieden aan te wijzen als extensiveringsgebied onduidelijk. Ook [appellante sub 13], [appellant sub 15] en [appellanten sub 18] hebben onder meer bezwaren van deze strekking. Standpunt van verweerders 2.8.
  91. Verweerders stellen zich op het standpunt dat zij zich bij het aanwijzen van de extensiveringsgebieden hebben kunnen baseren op de kaart met kwetsbare gebieden die in het kader van de Wav is vastgesteld. In verband met de rechtszekerheid van particulieren en gemeenten is besloten om, vooruitlopend op definitieve duidelijkheid omtrent de reikwijdte van de Wav, een kaart met kwetsbare gebieden vast te stellen. Wanneer de begrenzing van de kwetsbare gebieden ingevolge de Wav wordt gewijzigd, zal de begrenzing van de extensiveringsgebieden in het reconstructieplan daarop worden aangepast, aldus verweerders. In het verweerschrift stellen verweerders verder dat de aanwijzing van extensiveringsgebieden voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld in de Rwc. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.8.
  92. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Rwc geschieden de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van het reconstructieplan, met het oog op het bereiken van de doelstellingen in artikel 4 van de wet, met inachtneming van de in de bijlage bij deze wet opgenomen rijksuitgangspunten. 2.8.
  93. Ingevolge paragraaf 2, onder A., sub 1., van de bijlage bedoeld in artikel 9 van de Rwc, sluit de ligging van extensiveringsgebieden aan bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden en kernrandzones. 2.8.
  94. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav worden als kwetsbaar gebied aangemerkt gebieden die deel uitmaken van de EHS, en: a. onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Iav) als voor verzuring gevoelig krachtens artikel 1, tweede lid, van de Iav waren aangemerkt, of b. waarop onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Iav een convenant als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij van toepassing was, met ingang van het tijdstip waarop dat convenant niet meer van toepassing is. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wav stelt het college van gedeputeerde staten voor de toepassing van het eerste lid bij besluit vast welke gebieden in hun provincie deel uitmaken van de EHS, voor zover dat onderscheidenlijk op zodanige wijze als noodzakelijk is om te kunnen vaststellen welke van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde gebieden als kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Een zodanig besluit gaat vergezeld van één of meer kaarten. Vaststelling van de feiten 2.8.
  95. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.8.
  96. In het reconstructieplan is op de pagina's 103 en 104, voor zover hier van belang, vermeld dat bij de aanwijzing van extensiveringsgebieden de voor verzuring gevoelige gebieden binnen de PEHS en de (daar vaak mee samenvallende) streekplanzone IV-gebieden de basis vormen. Aanvullend zijn zones van 250 meter rond een aantal voor verzuring gevoelige gebieden aangewezen als extensiveringsgebied. Dit is gebeurd aan de hand van de volgende criteria: - in de 250 meter zone moet sprake zijn van een gestapelde problematiek en van de aanwezigheid van (beperkte) groeipotenties van intensieve veehouderijbedrijven; - de voor verzuring gevoelige gebieden hebben een hoge kwetsbaarheid voor de neerslag van ammoniak; het gaat daarbij vrijwel geheel om zeer kwetsbare natuurdoeltypen (minder dan 1.400 mol N/ha/jaar) zoals vennen, droog schraalgrasland, heide, hoogveen en bos op arme zandgronden; - de gebieden behoren tot de voor verzuring gevoelige Habitat-, Vogelrichtlijn- en natuurbeschermingsgebieden; - in relevante situaties is ook aandacht besteed aan aspecten als nieuwe natuur zoals genoemd in de natuurgebiedsplannen, gebieden met kwaliteitswateren, zeer kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden, robuuste verbindingszones, geurzones en mogelijkheden voor recreatief medegebruik. Ook in hoofdstuk 3.6.
  97. van de reactienota ontwerp-reconstructieplan van 22 juni 2004, waarin verweerders de tegen het ontwerp ingediende bedenkingen behandelen, en in het verweerschrift zijn deze criteria weergegeven. 2.8.
  98. Ter zitting is door verweerders de toepassing van en de verhouding tussen deze criteria toegelicht. Aan de hand van de vraag of sprake is van zogeheten gestapelde problematiek, is bekeken of gronden in een zone van 250 meter rondom een voor verzuring gevoelig gebied voor aanwijzing als extensiveringsgebied in aanmerking komen. Van stapeling wordt gesproken indien twee van de op pagina's 103 en 104 van het plan genoemde criteria op een gebied van toepassing zijn. Het gaat dan om combinaties van de volgende criteria: - overschrijding kritische depositiewaarden (meer dan 1.400 mol N/ha/jaar), - de voor verzuring gevoelige Habitatrichtlijn-, Vogelrichtlijn- en Natuurbeschermingswetgebieden, - nieuwe natuur uit de Natuurgebiedsplannen, - kwaliteitswateren, - zeer kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden, - robuuste verbindingszones en - stankzones/stankhinder. Ter zitting is verder door verweerders de toepassing van figuur T.5 (voor verzuring gevoelige natuurgebieden in de PEHS) van de toelichting op het reconstructieplan toegelicht. In deze figuur zijn onder andere de kwetsbare (meer dan 1.400 mol N/ha/jaar) en de zeer kwetsbare (minder dan 1.400 mol N/ha/jaar) natuurgebieden weergegeven. Indien een perceel nabij een kwetsbaar gebied ligt, is sprake van gestapelde problematiek indien ook een ander criterium van toepassing is. Ter zitting is voorts toegelicht dat reeds sprake is van gestapelde problematiek indien binnen 250 meter van een intensieve veehouderij een zeer kwetsbaar natuurgebied (minder dan 1.400 mol N/ha/jaar) ligt. 2.8.
  99. Uit de reactienota ontwerp-reconstructieplan (p. 180-181), volgt dat voor de ligging van de voor verzuring gevoelige gebieden binnen de PEHS is aangesloten bij de bij besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 3 februari 2004 in het kader van de Wav vastgestelde kaart met kwetsbare gebieden. 2.8.
  100. Bij uitspraak van 16 maart 2005, nrs. 200406755/1, 200406965/1, 200408144/1, 200406913/1 en 200406883/1, heeft de Afdeling een aantal besluiten van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 6 juli 2004 vernietigd en het besluit van 3 februari 2004 herroepen. Daartoe is overwogen dat het college niet bevoegd was om vast te stellen welke gebieden in de provincie Overijssel moeten worden aangemerkt als kwetsbare gebieden in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wav en dat het college met het besluit van 3 februari 2004 niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Wav. Het oordeel van de Afdeling 2.8.
  101. Het door verweerders bij de aanwijzing van extensiveringsgebieden gebruikte uitgangspunt van de voor verzuring gevoelige gebieden binnen de PEHS is gezien het bepaalde in paragraaf 2, onder A., sub 1., van de bijlage bedoeld in artikel 9 van de Rwc, niet onredelijk. Wat betreft het bezwaar dat verweerders in strijd met het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Wav kwetsbare gebieden in de zin van die wet hebben aangewezen, merkt de Afdeling allereerst op dat dit bezwaar op zichzelf in deze procedure niet aan de orde is. Dat blijkens genoemde uitspraak van 16 maart 2005 het college van gedeputeerde staten van Overijssel niet bevoegd was vast te stellen welke gebieden in de provincie Overijssel moeten worden aangemerkt als kwetsbare gebieden en dat dit college met het besluit van 3 februari 2004 niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Wav, neemt niet weg dat verweerders wat betreft de ligging van de voor verzuring gevoelige gebieden binnen de PEHS hebben kunnen aansluiten bij de in het kader van de Wav vastgestelde kaart met kwetsbare gebieden. Niet is aannemelijk geworden dat deze kaart in het algemeen zodanige gebreken vertoont dat verweerders zich hierop bij het nemen van hun besluit niet hadden mogen baseren. Mochten in beroepen in de zaak waarin het bovenstaande in geding is, bijzondere omstandigheden nopen tot een ander oordeel, dan zal de Afdeling daarvan bij de behandeling van die beroepen doen blijken. Nu verweerders de kaart met kwetsbare gebieden in algemene zin aan hun besluitvorming ten grondslag hebben kunnen leggen, hebben zij met de vaststelling van extensiveringsgebieden niet behoeven te wachten totdat de ligging van de Ecologische Hoofdstructuur en de kwetsbare gebieden in het kader van de Wav definitief zijn vastgesteld. 2.8.
  102. De criteria die het plan bevat teneinde gronden rondom een voor verzuring gevoelig gebied als extensiveringsgebied aan te wijzen, zijn evenmin onredelijk. De toelichting over de gestapelde problematiek alsmede over de toepassing van en de onderlinge verhouding tussen de criteria is naar het oordeel van de Afdeling summier in het plan en in de reactienota ontwerp-reconstructieplan weergegeven. In het plan en in de aan de besluitvorming ten grondslag liggende stukken is immers slechts in algemene bewoordingen aangegeven welke criteria zijn gehanteerd. Nu echter deze criteria in het plan en in de reactienota ontwerp-reconstructieplan wél - zij het summier - zijn toegelicht en daarbij in aanmerking genomen de toelichting van verweerders over de verhouding tussen en de toepassing van de criteria in het verweerschrift en ter zitting, is de Afdeling van oordeel dat, hoewel een uitgebreidere toelichting in het reconstructieplan de voorkeur zou hebben gehad, deze criteria voldoende duidelijk zijn en dat hun motivering voldoende is te achten. 2.8.
  103. Het betoog van [appellant sub 11], [appellante sub 13], [appellant sub 15], [appellanten sub 18], [appellant sub 27], en [appellante sub 30] faalt in zoverre. Wel ziet de Afdeling aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in de artikelen 8:74, tweede lid, en 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en verweerders op na te melden wijze te veroordelen in de door appellanten voor de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten en te gelasten dat verweerders het door appellanten betaalde griffierecht aan hen dient te vergoeden. Overige beroepen extensiveringsgebieden De beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] Het standpunt van appellanten 2.
  104. Appellanten stellen in beroep dat hun bedrijf ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt. Voorts ligt het bedrijf volgens hen ten onrechte in een extensiveringsgebied en wordt het in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden beperkt doordat het op de lijst met voorbereidingsbesluiten staat. Nu het [landgoed] financieel afhankelijk is van de opbrengsten van het bedrijf is ook het voortbestaan van het landgoed in gevaar, hetgeen in strijd is met de uitgangspunten van het plan, aldus appellanten. Het standpunt van verweerders 2.9.
  105. Verweerders stellen zich op het standpunt dat bij de definiëring van intensieve veehouderij is aangesloten bij de Wav. De aanwezigheid van maximaal 90 vleesstieren op het bedrijf is voor verweerders van doorslaggevende betekenis geweest voor het aanmerken van dit bedrijf als intensieve veehouderij. Volgens verweerders doet de grondgebondenheid van het bedrijf daar niet aan af, omdat zij ervoor gekozen hebben dit aspect niet als maatstaf te gebruiken bij het definiëren van intensieve veehouderijen, vanwege de moeilijkheid dit begrip te omschrijven. Verweerders achten het voortbestaan van het landgoed van belang en stellen zich in te zetten voor een maatwerkoplossing voor het bedrijf. Verweerders hebben zich verder op het standpunt gesteld dat het bedrijf nabij een zeer kwetsbaar natuurgebied ligt en in verband hiermee als extensiveringsgebied is aangemerkt. Vaststelling van de feiten 2.9.
  106. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.9.
  107. [appellante sub 3] beheert het [landgoed] waarop [appellant sub 2] een zoogkoeienbedrijf exploiteert. Het bedrijf is gelegen aan [locatie 1] te [plaats]. Blijkens kaart 1 van het plan liggen de gronden van appellanten in een extensiveringsgebied. 2.9.
  108. Onder intensieve veehouderij wordt een agrarisch bedrijf of een deel daarvan verstaan met ten minste 250 m2 bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden, of dieren 'biologisch' worden gehouden, en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. 2.9.
  109. In het reconstructieplan staat op pagina 40 dat verweerders de economische basis van de landgoederen willen behouden en versterken, om de grote landschappelijke en cultuurhistorische betekenis van de landgoederen te behouden. Op pagina 118 van het reconstructieplan staat dat in het extensiveringsgebied nieuwvestiging, hervestiging en uitbreiding van intensive veehouderij worden tegengegaan. Slechts een beperkte uitbreiding van het staloppervlak is (tijdelijk) mogelijk wanneer dat uit het oogpunt van dierenwelzijn en veterinaire gezondheid wenselijk is. Andere agrarische bedrijven, zoals grondgebonden veehouderijen, die een belangrijke rol spelen in het beheer en onderhoud van het gebied, dienen wel voldoende perspectief te houden. 2.9.
  110. Blijkens het deskundigenbericht betreft het bedrijf van appellanten een zoogkoeienhouderij waarbij alle kalveren afkomstig zijn van de eigen fokkerij. De vrouwelijke kalveren worden toegevoegd aan de eigen veestapel en de mannelijke kalveren worden na 2 jaar afgevoerd voor de slacht. De dieren verblijven in de zomermaanden op de percelen cultuurgrond waar ook de gewassen worden verbouwd die uitsluitend worden gebruikt binnen het bedrijf. Het bedrijf is erkend als scharrelbedrijf. Het oordeel van de Afdeling 2.9.
  111. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders bij de begrenzing van het extensiveringsgebied wat betreft het perceel van appellanten geen recht gedaan aan de feitelijke situatie. Hierbij wijst de Afdeling in het bijzonder op de aanwezigheid van laanbeplanting en een tuin in de nabijheid van de gronden van appellanten. Bovendien ligt ter plaatse laanbeplanting in zowel voor verzuring gevoelig gebied als niet voor verzuring gevoelig gebied. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. 2.9.
  112. De uitgangspunten van verweerders zoals aangegeven in 2.9.
  113. waarbij aan landgoederen voldoende ontwikkelingsperspectieven moeten worden geboden, staan in dit geval op gespannen voet met de definiëring van het begrip intensieve veehouderij. Het feit dat de grondgebondenheid moeilijk te definiëren is, is, mede tegen de achtergrond van de wens van verweerders om dit landgoed te behouden en de beoogde maatwerkoplossing voor dit bedrijf, onvoldoende om in dit geval het bedrijf als intensieve veehouderij aan te merken. Hieruit volgt dat het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert. 2.9.
  114. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en met artikel 3:46 van de Awb. De beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] zijn gegrond en het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd voor zover daarbij het bedrijf aan [locatie 1] te [plaats] is aangemerkt als intensieve veehouderij, de gronden als extensiveringsgebied zijn aangewezen en ter zake een voorbereidingsbesluit als bedoeld in bijlagen 4 en 5 van de toelichting op het reconstructieplan is genomen. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan. Het beroep van [appellante sub 6] Het standpunt van appellante 2.
  115. Appellante stelt in beroep dat haar gronden ten onrechte niet in een landbouwontwikkelingsgebied liggen. Er is ten onrechte geanticipeerd op de aanwijzing van het gebied "Wierdense Veld" in het kader van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde flora en fauna (hierna: Habitatrichtlijn). Bovendien is het nabijgelegen bedrijventerrein ten onrechte niet opgenomen in de reconstructiezonering. Ten slotte wordt het bedrijf in zijn ontwikkelingsmogelijkheden beperkt nu het starten van een intensieve veehouderij niet is toegestaan. Het standpunt van verweerders 2.10.
  116. Verweerders stellen zich op het standpunt dat uit de Habitatrichtlijn volgt dat aangemelde gebieden een zekere "voorbescherming" genieten, zodat het reconstructieplan terecht rekening heeft gehouden met de aanwijzing van het "Wierdense Veld". Overigens heeft het reconstructieplan geen gevolgen voor het bedrijf van appellante. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.10.
  117. Ingevolge paragraaf 2, onder A., sub 2, van de bijlage bedoeld in artikel 9 van de Rwc, wordt bij de indeling van het gebied onder meer rekening gehouden met bestaande of toekomstige stedelijke bebouwing. Vaststelling van de feiten 2.10.
  118. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.10.
  119. Appellante exploiteert aan [locatie 2] te [plaats] een bedrijf dat poot-, fabrieks- en consumptieaardappelen produceert. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiverings- en een verwevingsgebied. Op het bedrijf is het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer van toepassing. 2.10.
  120. Het voor verzuring gevoelige gebied "Wierdense Veld" stond ten tijde van het bestreden besluit en het goedkeuringsbesluit op de lijst die Nederland aan de Europese Commissie heeft toegezonden op grond van artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn. 2.10.
  121. In het reconstructieplan staat op pagina 102, voor zover hier van belang, dat landbouwontwikkelingsgebieden niet worden aangewezen binnen 1.000 meter vanaf een voor verzuring gevoelig gebied. 2.10.
  122. In het reconstructieplan staat op pagina 103 dat delen van de streekplanzone I, II en III als verwevingsgebied zijn aangewezen. De kleinschalige landschappen, de grondwaterbeschermingsgebieden, de PEHS en het stroomgebied van de Dinkel met streefbeeld kwaliteitswater zijn, voor zover het geen extensiveringsgebied is, aangeduid als verwevingsgebied. 2.10.
  123. In het reconstructieplan staat op pagina 120 dat steden, dorpen en kernen niet in een zone zijn opgenomen en buiten de ruimtelijke doorwerking van de zonering vallen. Onder steden en kernen valt eveneens in aanleg zijnd stedelijk gebied. Hieronder worden, voor zover hier van belang, verstaan door het college van gedeputeerde staten goedgekeurde bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen waarvan de aanleg vóór 2008 zal plaats vinden. Het bedrijventerrein waarnaar appellante verwijst, ligt ten zuiden van het "Wierdense Veld" en ten oosten van de kern Nijverdal. Blijkens het deskundigenbericht is het bestemmingsplan voor dit bedrijventerrein onherroepelijk en is de helft van het terrein uitgegeven. Het terrein is op de reconstructiezoneringskaart als "bestaand stedelijk gebied" weergegeven. Het oordeel van de Afdeling 2.10.
  124. Niet in geding is dat het merendeel van de gronden van appellante binnen een afstand van 1.000 meter van een voor verzuring gevoelig gebied liggen en dat een kleine strook grond aan de westzijde binnen de 250 meter zone vanaf een voor verzuring gevoelig gebied ligt. De Afdeling acht de in 2.8.
  125. en 2.8.7., 2.10.
  126. en 2.10.
  127. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van de zones voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. De aanwijzing van de gronden als extensiveringsgebied en verwevingsgebied is in overeenstemming met deze uitgangspunten. Gezien de grootschalige ontwikkeling van intensieve veehouderij die in landbouwontwikkelingsgebied mogelijk is en de milieubelasting die dat voor de omgeving veroorzaakt, hebben verweerders, gelet op het uit artikel 10 van het EG-Verdrag voortvloeiende beginsel van gemeenschapstrouw, terecht rekening gehouden met de aanmelding bij de Europese Commissie van het "Wierdense Veld" op grond van de Habitatrichtlijn en daarmee de gronden van appellante niet als landbouwontwikkelingsgebied aangemerkt. In hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de uitgangspunten van de zonering. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bedrijf van appellante geen intensieve veehouderijtak heeft, en ook geen plannen heeft om die op korte termijn te realiseren, zodat het bedrijf in zoverre door het reconstructieplan niet in zijn ontwikkelingsmogelijkheden wordt belemmerd. Verweerders hebben het bedrijventerrein waarnaar appellante verwijst overeenkomstig de rijksuitgangspunten en de uitgangspunten van het reconstructieplan niet behoeven op te nemen in de reconstructiezonering. 2.10.
  128. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.10.
  129. Het beroep van [appellante sub 6] is ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 9] Het standpunt van appellanten 2.
  130. Appellanten stellen in beroep dat hun melkrundveehouderij aan de [locatie 3] te [plaats] ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt. Het standpunt van verweerders 2.11.
  131. Verweerders erkennen in hun verweerschrift dat het bedrijf van appellanten ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt. Het oordeel van de Afdeling 2.11.
  132. Nu verweerders hebben erkend dat het bedrijf ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt en niet is gebleken van gewijzigde feiten of omstandigheden sinds de vaststelling van het reconstructieplan, is het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. 2.11.
  133. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan is op dit punt genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 9] is gegrond en het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd voor zover daarbij het bedrijf aan [locatie 3] te [plaats] is aangemerkt als intensieve veehouderij en ter zake een voorbereidingsbesluit als bedoeld in bijlagen 4 en 5 van de toelichting op het reconstructieplan is genomen. Tevens dient, gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan. Het beroep van [appellant sub 10] Het standpunt van appellant 2.
  134. Appellant stelt in beroep dat zijn melkrundveehouderij aan [locatie 4] te [plaats] ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt. Het standpunt van verweerders 2.12.
  135. Verweerders erkennen in hun verweerschrift dat het bedrijf van appellant ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt. Enerzijds omdat het bedrijfsvloeroppervlak voor intensieve veehouderij minder dan 250 m2 bedraagt en anderzijds omdat ten tijde van het uitbrengen van het verweerschrift geen vleesstieren meer op het bedrijf aanwezig waren. Het oordeel van de Afdeling 2.12.
  136. Nu verweerders hebben erkend dat het bedrijf ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt en niet is gebleken van andere gewijzigde feiten of omstandigheden sinds de vaststelling van het reconstructieplan dan het aantal vleesstieren op het bedrijf, is het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. 2.12.
  137. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan is op dit punt genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 10] is gegrond en het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd voor zover daarbij het bedrijf aan [locatie 4] te [plaats] is aangemerkt als intensieve veehouderij en ter zake een voorbereidingsbesluit als bedoeld in bijlagen 4 en 5 van de toelichting op het reconstructieplan is genomen. Tevens dient, gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan. Het beroep van [appellant sub 11] voor het overige Het standpunt van appellant 2.
  138. Appellant stelt in beroep onder meer dat zijn gronden ten onrechte in de aanvullende 250 meter zone van het extensiveringsgebied liggen. Volgens appellant is in de nabije omgeving van zijn gronden geen sprake van "gestapelde problematiek". Voorts wordt bestreden dat sprake is van een "beperkte groeipotentie". Bovendien ligt er geen voor verzuring gevoelig Habitatrichtlijngebied in de directe omgeving van het bedrijf. Het standpunt van verweerders 2.13.
  139. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de gronden van appellant op een afstand van 95 meter liggen van het voor verzuring gevoelige Habitatrichtlijngebied "Springendal en Dal van de Mosbeek". De gronden liggen verder in het "wateraandachtsgebied: kwaliteitswater". Groeimogelijkheden worden volgens verweerders al beperkt door de ligging nabij Habitatrichtlijngebied. Vaststelling van de feiten 2.13.
  140. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.13.
  141. Appellant exploiteert een gemengd bedrijf met onder meer vleesvarkens aan [locatie 5] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de bij het bedrijf behorende gronden in een extensiveringsgebied. 2.13.
  142. Het voor verzuring gevoelige Habitatrichtlijngebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" ligt op een afstand van ongeveer 95 meter vanaf de dichtstbijzijnde gevel van de kippenschuur. Op streekplankaart 1 is het gebied waarin het bedrijf van appellant ligt, aangeduid als "wateraandachtsgebieden: kwaliteitswater". Het oordeel van de Afdeling 2.13.
  143. De Afdeling acht de in 2.8.
  144. en 2.8.
  145. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden waaronder de 250 meter-zones voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. Nu de gronden van appellant binnen 250 meter van een voor verzuring gevoelig Habitatrichtlijngebied liggen en deze tevens als "wateraandachtsgebieden: kwaliteitswater" zijn aangeduid, is de aanwijzing van de gronden als extensiveringsgebied door verweerders in overeenstemming met deze uitgangspunten. Het criterium "beperkte groeipotenties" is, zoals verweerders ter zitting hebben uiteengezet, geen zelfstandig criterium, maar heeft betrekking op de beperkte groeimogelijkheden voor veehouderijen als gevolg van de huidige omgevingskwaliteiten. Dit standpunt is niet onredelijk. Dat verweerders hierbij onder meer op het op korte afstand gelegen Habitatrichtlijngebied wijzen, is niet onbegrijpelijk. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de uitgangspunten van de zonering. 2.13.
  146. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.13.
  147. Het beroep van [appellant sub 11] is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellante sub 13] voor het overige Het standpunt van appellante 2.
  148. Appellante stelt in beroep onder meer dat haar gronden ten onrechte in het extensiveringsgebied liggen. Daartoe stelt zij dat haar gronden niet binnen 250 meter van een voor verzuring gevoelig gebied liggen als bedoeld in de Interimwet ammoniak en veehouderij (oud) (hierna: Iav). Daarnaast stelt appellante dat haar gronden ten onrechte binnen de 250 meter zone liggen omdat niet is voldaan aan alle daarvoor geldende voorwaarden. Het standpunt van verweerders 2.14.
  149. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat een binnen een afstand van 250 meter van de gronden van appellante gelegen uitloper, op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij (oud), bij gemeentelijke verordening als voor verzuring gevoelig is aangewezen. Nu dit voor verzuring gevoelige gebied, net als de gronden van appellante blijkens het streekplan in een "wateraandachtsgebied kwaliteitswater" ligt en onder meer de kritische depositiewaarden worden overschreden, is aanwijzing als extensiveringsgebied volgens verweerders aangewezen. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.14.
  150. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder d, van de Iav (oud) wordt onder een voor verzuring gevoelig gebied een gebied verstaan dat overeenkomstig de krachtens het tweede lid gestelde regels is aangemerkt als voor verzuring gevoelig gebied. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Iav (oud) geven de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij ministeriële regeling aan welke ecologisch of natuurwetenschappelijk waardevolle gebieden die gevoelig zijn voor verzuring of eutrofiëring, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden aangemerkt als voor verzuring gevoelig gebied. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij, worden als voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt bossen, natuurterreinen en landschapselementen die zijn gelegen op voor verzuring gevoelige grond en: a. een oppervlakte hebben van ten minste 5 ha; dan wel b. door de gemeenteraad bij verordening krachtens de Gemeentewet op een bijbehorende kaart als voor verzuring gevoelig gebied zijn aangewezen. Vaststelling van de feiten 2.14.
  151. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.14.
  152. Appellante exploiteert op [locatie 6] te [plaats] een fokzeugenbedrijf. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiveringsgebied. 2.14.
  153. Op figuur T.4 van de toelichting op het reconstructieplan liggen de desbetreffende gronden binnen een afstand van 250 meter van een voor verzuring gevoelig gebied. In figuur T.5 van deze toelichting is dit voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt als kwetsbaar natuurgebied. Op streekplankaart 1 is het gebied waarin het bedrijf van appellante ligt, onder meer aangeduid als "wateraandachtsgebieden: kwaliteitswater". Het oordeel van de Afdeling 2.14.
  154. Niet in geding is dat de door appellante aangehaalde uitloper als voor verzuring gevoelig is aangemerkt op grond van de "Verordening voor verzuring gevoelige gebieden 1999" van de gemeente Losser. Gelet op artikel 2, eerste lid, sub b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij (oud) zoals omschreven in 2.14.
  155. kan de stelling van appellante dat de uitloper niet als voor verzuring gevoelig gebied kan worden aangemerkt, niet worden onderschreven. Wat betreft de 250 meter zone wordt opgemerkt dat de Afdeling de in 2.8.
  156. en 2.8.
  157. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden, waaronder de 250 meter-zones, voldoende gemotiveerd en niet onredelijk acht. Gelet op de feiten genoemd in 2.14.
  158. is de aanwijzing van de gronden van appellante als extensiveringsgebied daarmee in overeenstemming. In hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de uitgangspunten van de zonering. 2.14.
  159. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.14.
  160. Het beroep van [appellante sub 13] is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 15] voor het overige Het standpunt van appellant 2.
  161. Appellant stelt in beroep dat zijn gronden ten onrechte zijn aangewezen als extensiveringsgebied en dat de aanwijzing voorts onvoldoende is gemotiveerd. Appellant wenst dat zijn gronden worden aangemerkt als verwevingsgebied omdat de ligging in extensiveringsgebied voor het bedrijf bijzonder nadelig is, hetgeen niet opweegt tegen de met de Rwc te dienen doelen. Het standpunt van verweerders 2.15.
  162. Verweerders stellen zich op het standpunt dat vanwege de gestapelde problematiek ter plaatse, de gronden van appellant als extensiveringsgebied zijn aangewezen. De beperkingen die dit voor appellant tot gevolg heeft, volgen uit de Rwc en de wens van verweerders om te voorzien in een ruimtelijke aanpak van de ammoniakproblematiek. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.15.
  163. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van het reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. Vaststelling van de feiten 2.15.
  164. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.15.
  165. Appellant exploiteert aan [locatie 7] te [plaats] een pluimveebedrijf. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiveringsgebied. 2.15.
  166. De voor verzuring gevoelige uitloper van het Habitatrichtlijngebied "Springendal en het dal van de Mosbeek" ligt op een afstand van ongeveer 200 meter van de gronden van appellant. Op figuur T.4 van de toelichting op het reconstructieplan liggen de desbetreffende gronden van appellant binnen een afstand van 250 meter van een voor verzuring gevoelig gebied. In figuur T.5 van deze toelichting is dit voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt als kwetsbaar natuurgebied. Op streekplankaart 1 is de omgeving van het bedrijf onder meer aangeduid als "wateraandachtsgebieden: kwaliteitswater". Het oordeel van de Afdeling 2.15.
  167. De Afdeling acht de in 2.8.
  168. en 2.8.
  169. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden, waaronder de 250 meter-zones, voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. Gelet op de feiten genoemd in 2.15.
  170. is de aanwijzing van de gronden van appellant als extensiveringsgebied daarmee in overeenstemming. In al hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, onder meer over de gunstige ligging van het huidige bedrijf in het kader van besmettingsdruk, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de uitgangspunten van de zonering. Wat betreft de eventuele beperkingen in de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf, wordt opgemerkt dat het in het reconstructieplan vervatte verbod op uitbreiding van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied rechtstreeks voortvloeit uit artikel 1 van de Rwc. Appellant zal, indien hij ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijdt, een beroep kunnen doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc, indien wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. 2.15.
  171. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.15.
  172. Het beroep van [appellant sub 15] is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellante sub 16] Het standpunt van appellante 2.
  173. Appellante stelt in beroep dat haar bedrijf ten onrechte geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft tengevolge van de ligging in het extensiveringsgebied. Verplaatsing is evenmin mogelijk vanwege de aanwezigheid van de mini-camping. In dit verband stelt appellante dat in het reconstructieplan ten onrechte een ontheffingsmogelijkheid of hardheidsclausule ontbreekt. Schadevergoeding zou mogelijk moeten zijn, aldus appellante. Het standpunt van verweerders 2.16.
  174. Verweerders stellen zich op het standpunt dat uit de Rijksuitgangspunten volgt dat uitbreiding binnen een extensiveringsgebied niet mogelijk is. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.16.
  175. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van het reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. 2.16.
  176. Ingevolge paragraaf 2, onder A., sub 3, lid a., van de bijlage bedoeld in artikel 9 van de Rwc (de Rijksuitgangspunten), beschrijft het reconstructieplan de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen ter voorkoming van vestiging of uitbreiding van intensieve veehouderij in de extensiveringsgebieden. 2.16.
  177. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Rwc kent het college van gedeputeerde staten, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de vaststelling van een reconstructieplan schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Vaststelling van de feiten 2.16.
  178. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.16.
  179. Appellante exploiteert aan [locatie 8] te [plaats] een rundvee- en varkenshouderij en een mini-camping. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiveringsgebied. 2.16.
  180. Blijkens tabel 6 op pagina 108 van het reconstructieplan is uitbreiding van intensieve veehouderij in het extensiveringsgebied niet mogelijk. Het oordeel van de Afdeling 2.16.
  181. De Afdeling stelt allereerst vast dat de zonering als zodanig niet in geding is. Het in het reconstructieplan vervatte verbod op uitbreiding van intensieve veehouderijen in een extensiveringsgebied, vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1 van de Rwc. Voor verweerders bestond derhalve geen ruimte om in het plan in zoverre een hardheidsclausule op te nemen. 2.16.
  182. Zoals in 2.16.
  183. beschreven, kan appellante, indien haar bedrijf ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijdt, een beroep doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc, als wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. Verweerders konden dan ook volstaan met een verwijzing naar dit artikel. Uit het verweerschrift blijkt overigens dat het provinciaal bestuur beleidsregels zal bekendmaken over de wijze waarop invulling zal worden gegeven aan artikel 30 van de Rwc. 2.16.
  184. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.16.
  185. Het beroep van [appellante sub 16] is ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 18] Het standpunt van appellanten 2.
  186. Appellanten stellen in beroep onder meer dat zij hun bedrijf, waaronder ook de melkrundveehouderij, ten onrechte niet meer kunnen uitbreiden tengevolge van de ligging in een extensiveringsgebied. Zij wensen een sterlocatie in het verwevingsgebied. Het standpunt van verweerders 2.17.
  187. Verweerders erkennen dat ligging in het extensiveringsgebied beperkingen met zich brengt, maar stellen zich op het standpunt dat aanwijzing van de gronden als verwevingsgebied niet aan de orde is onder meer vanwege de ligging nabij een voor verzuring gevoelig Habitatrichtlijngebied. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.17.
  188. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van het reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. Vaststelling van de feiten 2.17.
  189. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.17.
  190. Appellanten exploiteren een melk- en vleesrundveebedrijf alsmede een paardenhouderij aan [locatie 9] te [plaats]. Blijkens kaart 1 ligt het bouwblok in een extensiveringsgebied. 2.17.
  191. Op ongeveer 190 meter vanaf het dierenverblijf ligt een voor verzuring gevoelig gebied dat onderdeel uitmaakt van het als Habitatrichtlijn aangewezen gebied "Dinkeldal". In hoofdstuk 3.6.
  192. van de reactienota ontwerp-reconstructieplan is vermeld dat ter plaatse verder sprake is van overschrijding van kritische depositiewaarden, nieuwe natuur uit de Natuurgebiedsplannen en kwaliteitswateren. 2.17.
  193. Onder intensieve veehouderij wordt in het plan verstaan een agrarisch bedrijf of een deel daarvan met ten minste 250 m2 bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden, of dieren 'biologisch' worden gehouden, en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Het oordeel van de Afdeling 2.17.
  194. Wat betreft het bezwaar van appellanten inzake de beperkingen die aan melkrundveehouderijen worden opgelegd, overweegt de Afdeling dat eventuele beperkingen aan het aantal te houden dieren niet voortvloeien uit het plan, maar uit toepasselijke milieuwetgeving die in deze procedure niet aan de orde is. Daarnaast brengt, gelet op 2.17.
  195. en 2.17.6., de ligging in een extensiveringsgebied voor de melkrundveehouderij geen beperkingen in de bedrijfsvoering van appellanten met zich. Anders dan appellanten veronderstellen, bevat het plan geen beperkende maatregelen voor een melkrundveehouderij. 2.17.
  196. De in 2.8.
  197. en 2.8.
  198. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden, waaronder de 250 meter-zones, acht de Afdeling voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. Gelet op de feiten genoemd in 2.17.
  199. is de aanwijzing van de gronden van appellanten als extensiveringsgebied daarmee in overeenstemming. In al hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de uitgangspunten van de zonering. Wat betreft de eventuele beperkingen in de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij-tak van het bedrijf, wordt opgemerkt dat het in het reconstructieplan vervatte verbod op uitbreiding van intensieve veehouderijen in een extensiveringsgebied rechtstreeks voortvloeit uit artikel 1 van de Rwc. Appellanten zullen, indien zij ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijden, een beroep kunnen doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc, indien wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. 2.17.
  200. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.17.
  201. Het beroep van [appellanten sub 18] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 19] voor het overige Het standpunt van appellant 2.
  202. Appellant stelt in beroep dat hij de intensieve veehouderij-tak van zijn bedrijf door het reconstructieplan ten onrechte niet meer kan uitbreiden terwijl het bedrijf geen milieuproblemen veroorzaakt en wel concrete uitbreidingsplannen heeft. Het standpunt van verweerders 2.18.
  203. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de aanwijzing als extensiveringsgebied beperkingen in de bedrijfsvoering van het bedrijf van appellant met zich kan brengen. Oplossing hiervoor kan worden gevonden in bedrijfsbeëindiging, verplaatsing of omschakeling, aldus verweerders. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.18.
  204. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van het reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. Vaststelling van de feiten 2.18.
  205. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.18.
  206. Appellant exploiteert een gemengd bedrijf met melkrundvee en vleeskalveren aan [locatie 10] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiveringsgebied. 2.18.
  207. Bij besluit van 29 april 2004 is aan appellant een nieuwe milieuvergunning verleend waarbij het bedrijf onder meer het aantal vleeskalveren kan uitbreiden van 320 stuks tot 911 stuks. 2.18.
  208. Bij besluit van 23 augustus 2005 is aan appellant een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een veeschuur. Deze vergunning betreft een wijziging van een reeds eerder verleende vergunning. Het oordeel van de Afdeling 2.18.
  209. De Afdeling stelt allereerst vast dat de zonering als zodanig niet in geding is. Wat betreft de eventuele beperkingen in de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij-tak van het bedrijf, wordt opgemerkt dat het in het reconstructieplan vervatte verbod op uitbreiding van intensieve veehouderijen in een extensiveringsgebied rechtstreeks voortvloeit uit artikel 1 van de Rwc. Dat het bedrijf volgens appellant geen milieuproblemen veroorzaakt maakt dit, wat daar ook van zij, niet anders. Overigens kan appellant van de reeds verleende bouwvergunning gebruik maken indien deze rechtens onaantastbaar is. Appellant zal, indien hij ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijdt, een beroep kunnen doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc, indien wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. 2.18.
  210. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.18.
  211. Het beroep van [appellant sub 19] is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 20] voor het overige Het standpunt van appellanten 2.
  212. [appellanten sub 20] stellen in beroep onder meer dat ten gevolge van het reconstructieplan ten onrechte onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden voor de bedrijven van [appellanten sub 20a en 20b] resteren. Zij wensen daarom dat hun gronden aan [locatie 11] worden aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied. In dit verband wijzen zij op de mogelijke clustering van hun bedrijven ter plaatse met het bedrijf van [appellant sub 20c]. Met betrekking tot [appellant sub 20c] stellen appellanten dat de gronden behorend bij dit bedrijf ten onrechte als extensiveringsgebied zijn aangeduid. Gelet op de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf wensen appellanten verplaatsing van dit bedrijf naar een locatie aan [locatie 11] tussen de bedrijven van [appellanten sub 20a en 20b] in. Om deze clustering van bedrijven goede kansen te bieden, ligt aanwijzing van de desbetreffende gronden aan [locatie 11] als landbouwontwikkelingsgebied in de rede, aldus appellanten. Het standpunt van verweerders 2.19.
  213. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het plan voor bedrijven in verwevingsgebieden voldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt en dat aanwijzing van de gronden aan [locatie 11] als landbouwontwikkelingsgebied derhalve niet nodig is. Bovendien liggen de gronden aan [locatie 11] binnen een afstand van 1.000 meter van een voor verzuring gevoelig gebied zodat aanwijzing van de gronden als landbouwontwikkelingsgebied, gelet op de criteria, niet mogelijk is. Verweerders hebben besloten medewerking te verlenen aan de bedrijfsverplaatsing van [appellant sub 20c] omdat het reconstructieplan nieuwvestiging van intensieve veehouderij in een verwevingsgebied mogelijk maakt indien de samenwerking tussen de bedrijven wordt bevorderd en er zich geen redelijk belang tegen verzet. Vaststelling van de feiten 2.19.
  214. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.19.
  215. [appellant sub 20a] exploiteert een varkenshouderij aan [locatie 12] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een verwevingsgebied. [appellant sub 20b] exploiteert een varkenshouderij aan [locatie 13] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een verwevingsgebied. [appellant sub 20c] exploiteert een vleesvarkensbedrijf aan [locatie 14] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiveringsgebied. 2.19.
  216. In het reconstructieplan staat op pagina 102, voor zover hier van belang, dat landbouwontwikkelingsgebieden niet worden aangewezen binnen 1.000 meter van een voor verzuring gevoelig gebied. 2.19.
  217. In het reconstructieplan staat op pagina 103 dat delen van de streekplanzone I, II en III als verwevingsgebied zijn aangewezen. De kleinschalige landschappen, de grondwaterbeschermingsgebieden, de PEHS en het stroomgebied van de Dinkel met streefbeeld kwaliteitswater zijn, voor zover het geen extensiveringsgebied is, aangeduid als verwevingsgebied. 2.19.
  218. Op pagina 108 van het reconstructieplan staat dat de maximale omvang van bouwblokken in het verwevingsgebied 1,5 ha bedraagt. In het reconstructieplan staat op pagina 113 dat in verwevingsgebied bestaande bedrijven uitbreidingsmogelijkheden dienen te houden. Voorst staat op deze pagina dat de (her)vestiging van een intensief veehouderijbedrijf op een bestaand bouwblok in verwevingsgebeid waar op het tijdstip van terinzagelegging van dit plan geen intensieve veehouderij aanwezig is, niet mogelijk is. Een uitzondering kan alleen worden gemaakt voor bijvoorbeeld een locatie temidden van een groep intensieve veehouderijen. Als daarmee de samenwerking tussen de bedrijven wordt bevorderd en geen redelijk belang zich er tegen verzet, kan bij uitzondering aan hervestiging op een locatie van een niet-intensief bedrijf worden meegewerkt. 2.19.
  219. Blijkens het deskundigenbericht ligt op ongeveer 700 meter ten noorden van de bedrijven van [appellanten sub 20a en 20b] een voor verzuring gevoelig gebied. 2.19.
  220. Blijkens het deskundigenbericht zijn de bouwblokken van [appellanten sub 20a en 20b] thans beide ongeveer 1 ha groot en zijn delen daarvan nog niet bebouwd. Op [locatie 15 en 16] zijn respectievelijk een tuincentrum en een aannemersbedrijf gevestigd. 2.19.
  221. Het bedrijf van [appellant sub 20c] ligt binnen een zone van 250 meter van het voor verzuring gevoelige Habitatrichtlijngebied "De Lemselermaten". In hoofdstuk 3.6.
  222. van de reactienota ontwerp-reconstructieplan is vermeld dat ter plaatse verder sprake is van nieuwe natuur uit de Natuurgebiedsplannen. 2.19.
  223. Het streven van partijen is gericht om voor het tuincentrum en het aannemersbedrijf een andere plaats te vinden en het bedrijf van [appellant sub 20c] op de vrijkomende locatie, tussen de bedrijven van [appellanten sub 20 a en 20b], te vestigen. Het oordeel van de Afdeling 2.19.
  224. De Afdeling acht de in 2.8.6., 2.8.7., 2.19.
  225. en 2.19.
  226. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van de zones voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. De aanwijzing van de gronden als extensiveringsgebied en verwevingsgebied is gelet op bovengenoemde feiten in overeenstemming met deze uitgangspunten. In hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de uitgangspunten van de zonering. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het reconstructieplan uitbreiding van de bedrijven van [appellanten sub 20 a en 20b] op de huidige bouwblokken niet uitsluit. 2.19.
  227. Wat betreft de mogelijke bedrijfsverplaatsing van [appellant sub 20c] hebben verweerders gemeend dat deze ontwikkeling past in het reconstructieplan en hebben zij hun medewerking toegezegd. Gezien 2.19.
  228. komt de Afdeling dit standpunt niet onjuist voor. Bedrijfsverplaatsing is onder meer afhankelijk van de hervestiging van de nu ter plaatse gevestigde bedrijven. Dit behoeft nadere planologische besluitvorming en kan derhalve in deze procedure niet verder aan de orde kan komen. 2.19.
  229. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.19.
  230. Het beroep van [appellanten sub 20] is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 25] Het standpunt van appellanten 2.
  231. Appellanten stellen in beroep dat hun melkrundveehouderij ten onrechte niet meer kan uitbreiden tengevolge van de ligging in een extensiveringsgebied. Bovendien maakt het reconstructieplan de start van een intensieve veehouderij evenmin mogelijk. Zij pleiten voor opname in een verwevingsgebied. Het standpunt van verweerders 2.20.
  232. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het bedrijf van appellanten niet als intensieve veehouderij kan worden aangemerkt en derhalve geen extra beperkingen tengevolge van het reconstructieplan ondervindt. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.20.
  233. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van het reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. Vaststelling van de feiten 2.20.
  234. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.20.
  235. Appellanten exploiteren een melkrundveehouderij aan de [locatie 17] te [plaats]. Blijkens kaart 1 ligt het bedrijf in een extensiveringsgebied. 2.20.
  236. Onder intensieve veehouderij wordt in het plan verstaan een agrarisch bedrijf of een deel daarvan met ten minste 250 m2 bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden, of dieren 'biologisch' worden gehouden, en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Het oordeel van de Afdeling 2.20.
  237. Wat betreft het bezwaar van appellanten inzake de beperkingen die aan melkrundveehouderijen worden opgelegd, overweegt de Afdeling dat eventuele beperkingen aan het aantal te houden dieren niet voortvloeien uit het plan, maar uit toepasselijke milieuwetgeving die in deze procedure niet aan de orde is. Daarnaast brengt, gelet op 2.20.
  238. en 2.20.5., de ligging in een extensiveringsgebied voor de melkrundveehouderij geen beperkingen in de bedrijfsvoering van appellanten met zich. Anders dan appellanten veronderstellen, bevat het plan geen beperkende maatregelen voor een melkrundveehouderij. De Afdeling acht de in 2.8.
  239. en 2.8.
  240. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. De aanwijzing van de gronden als extensiveringsgebied is daarmee in overeenstemming. In hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de uitgangspunten van de zonering. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bedrijf van appellanten geen intensieve veehouderijtak heeft, en ook geen concrete plannen heeft om die op korte termijn te realiseren, zodat het bedrijf door het reconstructieplan niet in zijn ontwikkelingsmogelijkheden wordt belemmerd. 2.20.
  241. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.20.
  242. Het beroep van [appellanten sub 25] is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 26] Het standpunt van appellante 2.
  243. Appellante stelt in beroep dat een deel van haar gronden ten onrechte als extensiveringsgebied is aangemerkt. Hiertoe voert zij aan dat de begrenzing op kaart 1 ten onrechte geen onderscheid maakt tussen een voor verzuring gevoelig gebied dan wel een 250-meter zone. Appellante vreest gelet hierop dat haar gronden een natuurbestemming krijgen en derhalve in waarde zullen verminderen. Het standpunt van verweerders 2.21.
  244. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het reconstructieplan geen aanvullende beperkingen oplegt aan het bedrijf van appellante omdat dit een melkrundveehouderij betreft. De bestemming van de gronden van appellante wordt door het reconstructieplan volgens verweerders niet gewijzigd. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.21.
  245. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van het reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. Vaststelling van de feiten 2.21.
  246. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.21.
  247. Appellante exploiteert een melkrundveehouderij aan [locatie 18] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiveringsgebied en in een verwevingsgebied. 2.21.
  248. Op figuur T.5 van de toelichting op het reconstructieplan ligt een deel de gronden van appellante binnen een afstand van 250 meter ten oosten van het zeer kwetsbare natuurgebied "Wierdense Veld". Dit gebied is tevens voorgedragen voor aanwijzing op grond van de Habitatrichtlijn. 2.21.
  249. Op pagina 39 van het reconstructieplan staat dat verweerders de nieuwe natuur in 2018 gerealiseerd willen hebben. Op figuur T.4 van de toelichting op het reconstructieplan is ten zuiden en ten westen en niet ten oosten van het natuurgebied "Wierdense Veld" nieuwe natuur geprojecteerd. 2.21.
  250. Onder intensieve veehouderij wordt in het plan verstaan een agrarisch bedrijf of een deel daarvan met ten minste 250 m2 bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden, of dieren 'biologisch' worden gehouden, en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Het oordeel van de Afdeling 2.21.
  251. Wat betreft het bezwaar van appellante inzake de beperkingen die aan melkrundveehouderijen worden opgelegd, overweegt de Afdeling dat eventuele beperkingen aan het aantal te houden dieren niet voortvloeien uit het plan, maar uit toepasselijke milieuwetgeving die in deze procedure niet aan de orde is. Daarnaast brengt, gelet op 2.21.
  252. en 2.21.7., de ligging in een extensiveringsgebied voor de melkrundveehouderij geen beperkingen in de bedrijfsvoering van appellante met zich. Anders dan appellante veronderstelt, bevat het plan geen beperkende maatregelen voor een melkrundveehouderij. De in 2.8.
  253. en 2.8.
  254. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden, waaronder de 250 meter-zones, zijn voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. Gelet op de feiten genoemd in 2.21.
  255. is de aanwijzing van de gronden van appellante als extensiveringsgebied daarmee in overeenstemming. In hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de uitgangspunten van de zonering. Wat betreft de aanleg van nieuwe natuur overweegt de Afdeling dat gelet op 2.21.
  256. en 2.21.
  257. geen nieuwe natuur is voorzien op de gronden van appellante. Indien daar in de toekomst wel sprake van zou zijn, staan rechtsmiddelen open tegen het bestemmingsplan dat voorziet in een bestemmingswijziging van dien aard. Dat uit kaart 1 geen onderscheid valt op te maken tussen de voor verzuring gevoelige gebieden en de aanvullende 250 meter-zones, maakt het bovenstaande niet anders. Appellante kan, indien haar bedrijf ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijdt, een beroep doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc, indien wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. 2.21.
  258. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.21.
  259. Het beroep van [appellante sub 26] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 27] Het standpunt van appellante 2.
  260. Appellant stelt in beroep onder meer dat zijn gronden ten onrechte in een extensiveringsgebied liggen. Hij voert daartoe aan dat het ten zuiden gelegen bosgebied "Kroeze Danne" ten onrechte als voor verzuring gevoelig is aangemerkt. Het standpunt van verweerders 2.22.
  261. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de gronden van appellant binnen een zone van 250 meter nabij het voor verzuring gevoelige gebied "Kroeze Danne" liggen, welk gebied behoort tot het gebied "Twickel-Noord" zoals bedoeld in de tabel op pagina 114 van de reactienota. Vaststelling van de feiten 2.22.
  262. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.22.
  263. Appellant exploiteert een geitenhouderij aan [locatie 19] te [plaats] Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiveringsgebied. 2.22.
  264. Binnen een afstand van 250 meter ligt het voor verzuring gevoelige bosgebied "Kroeze Danne". 2.22.
  265. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Ambt Delden is het genoemde bosgebied deels bestemd als "Bos- en natuurgebieden" in de categorie "bos met meervoudige doelstelling" en deels als "Recreatieterreinen" in de categorie "verblijfsrecreatie" met de nadere aanduiding "Kroeze Danne -K-". Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder e, van de planvoorschriften is het mogelijk om op de als "Recreatieterreinen" bestemde gronden maximaal 8.400 m2 aan bebouwing op te richten. Ter plaatse is het vakantie- en conferentieoord "Kroeze Danne" gevestigd. Het oordeel van de Afdeling 2.22.
  266. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders bij de begrenzing van het extensiveringsgebied wat betreft het perceel van appellant geen recht gedaan aan de feitelijke situatie. Hierbij wijst de Afdeling in het bijzonder op de aanwezigheid van het vakantie- en conferentieoord en de omvang van de bebouwing die daar op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied" is toegelaten. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. 2.22.
  267. Gelet hierop is het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 27] is gegrond en het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd voor zover daarbij de gronden behorend bij het bedrijf aan [locatie 19] te [plaats] als extensiveringsgebied zijn aangewezen en ter zake een voorbereidingsbesluit als bedoeld in bijlagen 4 en 5 van de toelichting op het reconstructieplan is genomen. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan. Het beroep van [appellante sub 29] Het standpunt van appellante 2.
  268. Appellante stelt in beroep dat haar bedrijf aan [locatie 20] te [plaats] ten onrechte niet als intensieve veehouderij is aangemerkt. Het standpunt van verweerders 2.23.
  269. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het bedrijf van appellante aan [locatie 20] niet als een intensieve veehouderij kan worden aangemerkt als bedoeld in het reconstructieplan en dat derhalve geen voorbereidingsbesluit als bedoeld in bijlage 4 bij de toelichting op het reconstructieplan is genomen. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.23.
  270. Ingevolge artikel 11, zesde lid, van de Rwc wordt in het reconstructieplan aangegeven voor welke delen van het plangebied artikel 27 van toepassing is. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Rwc, voor zover hier van belang, geldt voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde lid, aangewezen delen van het reconstructiegebied het reconstructieplan als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO. Vaststelling van de feiten 2.23.
  271. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.23.
  272. Appellante exploiteert een gemengd bedrijf aan onder meer de [locatie 20] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de gronden aan [locatie 20] in een extensiveringsgebied. 2.23.
  273. Het college van burgemeester en wethouders van Ommen heeft op 9 maart 2004 een milieuvergunning voor dit bedrijf verleend waarin is bepaald dat op de [locatie 20] alleen gebouw 9 mag worden gebruikt voor het houden van maximaal 10 vleesvarkens. Deze stal heeft blijkens het deskundigenbericht een oppervlakte van bijna 220 m2, waarvan een deel in gebruik is als berging. 2.23.
  274. Op pagina 106 van het reconstructieplan wordt onder intensieve veehouderij een agrarisch bedrijf of een deel daarvan verstaan met ten minste 250 m2 bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden, of dieren 'biologisch' worden gehouden, en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Op pagina 127 van het reconstructieplan staat vermeld dat het voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 27 van de wet geldt voor het verbod op nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen in het extensiveringsgebied. Het oordeel van de Afdeling 2.23.
  275. Gelet op 2.23.
  276. en 2.23.
  277. hebben verweerders het bedrijf aan [locatie 20] terecht niet aangemerkt als een intensieve veehouderij als bedoeld in het reconstructieplan, omdat minder dan 250 m2 aan bedrijfsvloeroppervlak in gebruik is ten behoeve van de intensieve veehouderij. Gelet hierop ligt het nemen van een voorbereidingsbesluit ten aanzien van dit bedrijf niet in de rede. De Afdeling begrijpt het beroep van appellante tevens aldus dat zij in aanmerking wenst te komen voor een financiële tegemoetkoming voor verplaatsing van het bedrijf aan de [locatie 20]. Gelet op 2.23.
  278. en 2.23.
  279. ziet een voorbereidingsbesluit uitsluitend op het verbod op nieuwvestiging en uitbreiding van de intensieve veehouderij in het extensiveringsgebied en is het geen voorwaarde om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming. Appellante kan, indien haar bedrijf ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijdt, een beroep doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc, indien wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. 2.23.
  280. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.23.
  281. Het beroep van [appellante sub 29] is ongegrond Het beroep van [appellante sub 30] voor het overige Het standpunt van appellante 2.
  282. Appellante stelt in beroep onder meer dat haar gronden ten onrechte in een extensiveringsgebied liggen. Zij vreest hierdoor in de uitbreidingsmogelijkheden van haar bedrijf te worden beperkt. Voorts stelt zij dat de noodzaak van deze aanwijzing tot extensiveringsgebied ontbreekt omdat de gronden niet in of nabij een natuurgebied liggen. Het standpunt van verweerders 2.24.
  283. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de gronden, gezien de ligging in een zone van 250 meter rond een voor verzuring gevoelig gebied en nu sprake is van gestapelde problematiek, als extensiveringsgebied moeten worden aangemerkt. Volgens verweerders liggen de gronden in het voor verzuring gevoelige gebied Reutum en kan in dit geval over gestapelde problematiek worden gesproken gezien de aanwezigheid van kwaliteitswater en nieuwe natuur uit de Natuurgebiedsplannen. Vaststelling van de feiten 2.24.
  284. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.24.
  285. Appellante exploiteert een varkensfokkerij aan [locatie 21] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiveringsgebied. De gronden liggen ten oosten van de kern Reutum in landelijk gebied. Ten noorden van de gronden liggen het bosgebied Haarlerveld. Ten westen van de kern Reutum ligt het natuurgebied "Reutumerweuste". 2.24.
  286. In hoofdstuk 3.6.
  287. van de reactienota ontwerp-reconstructieplan is vermeld dat in het voor verzuring gevoelige gebied Reutum sprake is van gestapelde problematiek gezien de aanwezigheid van kwaliteitswater en nieuwe natuur uit de Natuurgebiedsplannen. 2.24.
  288. Blijkens het Natuurgebiedplan is Haarlerveld gedeeltelijk aangewezen voor de ontwikkeling van nieuwe natuur en gedeeltelijk als beheersgebied. In beheersgebieden is de ontwikkeling van nieuwe natuur niet aan de orde. Het deel dat is aangewezen als beheersgebied ligt op een afstand van minder dan 250 meter van de gronden van appellante. Het oordeel van de Afdeling 2.24.
  289. De Afdeling acht de in 2.8.
  290. en 2.8.
  291. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden waaronder de 250 meter-zones voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. Ter zitting is echter gebleken dat niet eenduidig is wat onder het gebied "Reutum" zoals vermeld in hoofdstuk 3.6.
  292. van de reactienota ontwerp-reconstructieplan wordt verstaan. Onduidelijk is of Haarlerveld onder dit gebied valt. Daarnaast zijn verweerders, nu is komen vast te staan dat het deel van Haarlerveld nabij de gronden van appellante een beheersgebied betreft, ten onrechte ervan uitgegaan dat in de omgeving van de gronden nieuwe natuur wordt ontwikkeld. Verweerders hebben dit element dan ook niet kunnen meenemen in hun beoordeling of sprake is van gestapelde problematiek. Gelet hierop is het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. 2.24.
  293. Gelet op het voorgaande is het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 30] is in zoverre gegrond en het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd voor zover daarbij de gronden van appellante aan [locatie 21] te [plaats] als extensiveringsgebied zijn aangeduid en ter zake een voorbereidingsbesluit als bedoeld in bijlagen 4 en 5 van de toelichting op het reconstructieplan is genomen. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellante geen bespreking meer. Het beroep van [appellant sub 31] Het standpunt van appellant 2.
  294. Appellant stelt in beroep dat zijn melkrundveehouderij aan de [locatie 22] te [plaats] ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt en dat in dit verband eveneens ten onrechte een voorbereidingsbesluit ter zake is genomen. Het standpunt van verweerders 2.25.
  295. Verweerders erkennen in hun verweerschrift dat het bedrijf van appellant ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt. Het oordeel van de Afdeling 2.25.
  296. Nu verweerders hebben erkend dat het bedrijf ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt en niet is gebleken van gewijzigde feiten of omstandigheden sinds de vaststelling van het reconstructieplan, is het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. 2.25.
  297. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van[appellant sub 31] is gegrond en het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd voor zover daarbij het bedrijf aan [locatie 22] te [plaats] is aangemerkt als intensieve veehouderij en ter zake een voorbereidingsbesluit als bedoeld in bijlagen 4 en 5 van de toelichting op het reconstructieplan is genomen. Tevens dient, gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan. Het beroep van [appellant sub 34] Het standpunt van appellant 2.
  298. Appellant stelt in beroep dat zijn perceel ten onrechte in een extensiveringsgebied ligt. Hij vreest hierdoor in de uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf te worden beperkt, terwijl hij plannen heeft om het deel van zijn bedrijf dat bestaat uit een varkenshouderij uit te breiden. Het standpunt van verweerders 2.26.
  299. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de gronden gezien de van toepassing zijnde criteria als extensiveringsgebied moeten worden aangemerkt en dat de beperkingen in de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van appellant hieruit voortvloeien. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.26.
  300. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van het reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. Vaststelling van de feiten 2.26.
  301. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.26.
  302. Appellant houdt onder meer vleesvarkens aan [locatie 23] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiveringsgebied. De gronden liggen in de PEHS en nabij de Sallandse Heuvelrug. Dit gebied is als speciale beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn aangewezen. 2.26.
  303. In hoofdstuk 3.6.
  304. van de reactienota ontwerp-reconstructieplan is vermeld dat in het voor verzuring gevoelige gebied Sallandse Heuvelrug sprake is van gestapelde problematiek. Het oordeel van de Afdeling 2.26.
  305. De Afdeling acht de in 2.8.
  306. en 2.8.
  307. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden waaronder de 250 meter-zones voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. Gelet op bovenstaande feiten is de aanwijzing van de desbetreffende gronden als extensiveringsgebied in overeenstemming met deze uitgangspunten. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de uitgangspunten van de zonering. Verweerders hebben voorbij kunnen gaan aan de wens van appellant meer vleesvarkens te houden. Het in het reconstructieplan vervatte verbod op uitbreiding van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied, vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1 van de Rwc. Appellant zal, indien hij ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijdt, een beroep kunnen doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc, indien wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. 2.26.
  308. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.26.
  309. Het beroep van [appellant sub 34] is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 36] Het standpunt van appellante 2.
  310. Appellante stelt in beroep dat haar perceel ten onrechte in een extensiveringsgebied ligt. Zij is onder meer van mening dat de uitgangspunten om haar gronden als extensiveringsgebied aan te wijzen in dit geval onjuist zijn toegepast. Het standpunt van verweerders 2.27.
  311. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de gronden gezien de van toepassing zijnde criteria, waaronder het criterium nieuwe natuur, als extensiveringsgebied moeten worden aangemerkt. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.27.
  312. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van het reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. Vaststelling van de feiten 2.27.
  313. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.27.
  314. Appellante heeft een melkrundveehouderij en houdt tevens vleesvarkens en vleesstieren aan [locatie 24] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiveringsgebied. De gronden liggen in de PEHS en in een zone van 250 meter van het voor verzuring gevoelige gebied Boekelerhoek. 2.27.
  315. In hoofdstuk 3.6.
  316. van de reactienota ontwerp-reconstructieplan is vermeld dat in het voor verzuring gevoelige gebied Boekelerhoek sprake is van gestapelde problematiek gezien de aanwezigheid van onder meer nieuwe natuur uit de Natuurgebiedsplannen. 2.27.
  317. De nieuwe natuur is voorzien op een afstand van ongeveer 400 meter vanaf het voor verzuring gevoelige gebied Boekelerhoek. 2.27.
  318. Onder intensieve veehouderij wordt in het plan verstaan een agrarisch bedrijf of een deel daarvan met ten minste 250 m2 bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden, of dieren 'biologisch' worden gehouden, en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Het oordeel van de Afdeling 2.27.
  319. Wat betreft het bezwaar van appellante inzake de beperkingen die aan melkrundveehouderijen worden opgelegd, overweegt de Afdeling dat eventuele beperkingen aan het aantal te houden dieren niet voortvloeien uit het plan, maar uit toepasselijke milieuwetgeving die in deze procedure niet aan de orde is. Daarnaast brengt, gelet op 2.27.
  320. en 2.27.7., de ligging in een extensiveringsgebied voor de melkrundveehouderij geen beperkingen in de bedrijfsvoering van appellante met zich. 2.27.
  321. De Afdeling acht de in 2.8.
  322. en 2.8.
  323. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden, waaronder de 250 meter-zones, voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. Gelet op de afstand tussen het voor verzuring gevoelige gebied Boekelerhoek en de nieuwe natuur is de Afdeling echter van oordeel dat verweerders in dit geval het criterium nieuwe natuur onjuist hebben toegepast bij de bepaling van de zones van 250 meter rond voor verzuring gevoelige gebieden. Gelet hierop is het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. 2.27.
  324. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 36] is gegrond en het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd voor zover daarbij de gronden van appellante aan de Keizerweg 28 te Enschede als extensiveringsgebied zijn aangeduid. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan. Het beroep van [appellant sub 37] Het standpunt van appellant 2.
  325. Appellant stelt in beroep dat zijn perceel ten onrechte in een extensiveringsgebied ligt. Hij wenst dat zijn gronden in een verwevingsgebied komen te liggen. Het standpunt van verweerders 2.28.
  326. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de gronden gezien de van toepassing zijnde criteria als extensiveringsgebied moeten worden aangemerkt en dat appellant ten gevolge van de ligging in extensiveringsgebied niet in zijn bedrijfsvoering zal worden aangetast. Vaststelling van de feiten 2.28.
  327. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.28.
  328. Appellant heeft een melkrundveehouderij aan [locatie 25] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de gronden in een extensiveringsgebied. De gronden liggen in een zone van 250 meter van het voor verzuring gevoelige gebied "Het Usseler Veld". In figuur T.5 van de toelichting bij het reconstructieplan is het gebied aangewezen als een zeer kwetsbaar natuurgebied. Ter plaatse is sprake van gestapelde problematiek. Het oordeel van de Afdeling 2.28.
  329. Niet in geding is dat het melkveebedrijf van appellant geen verdere beperkingen ondervindt ten gevolge van de ligging in extensiveringsgebied. De Afdeling acht de in 2.8.
  330. en 2.8.
  331. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden waaronder de 250 meter-zones voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. Gelet op bovenstaande feiten is de aanwijzing van de desbetreffende gronden als extensiveringsgebied in overeenstemming met deze uitgangspunten. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de uitgangspunten van de zonering. 2.28.
  332. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.28.
  333. Het beroep van [appellant sub 37] is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 45] Het standpunt van appellante 2.
  334. Appellante stelt in beroep dat haar melkrundveehouderij aan de [locatie 26] te [plaats] ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt. Appellante vreest voor een ernstige beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf. Het standpunt van verweerders 2.29.
  335. Verweerders erkennen in hun verweerschrift dat het bedrijf van appellante ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt. Het oordeel van de Afdeling 2.29.
  336. Nu verweerders hebben erkend dat het bedrijf ten onrechte als intensieve veehouderij is aangemerkt en niet is gebleken van gewijzigde feiten of omstandigheden sinds de vaststelling van het reconstructieplan, is het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. 2.29.
  337. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 45] is gegrond en het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd voor zover daarbij het bedrijf aan [locatie 26] te [plaats] is aangemerkt als intensieve veehouderij en ter zake een voorbereidingsbesluit als bedoeld in bijlagen 4 en 5 van de toelichting op het reconstructieplan is genomen. Tevens dient, gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan. Het beroep van [appellanten sub 47] Het standpunt van appellanten 2.
  338. Appellanten stellen in beroep dat de noodzaak voor de reconstructie is achterhaald en dat er ook andere instrumenten zijn om de ammoniakuitstoot te verminderen. Verder is hun bedrijf ten onrechte aangemerkt als een intensieve veehouderij en hebben appellanten bezwaar tegen de definitie van intensieve veehouderij, onder meer omdat in de definitie wel melkrundveehouderijen worden uitgesloten maar geen rosékalverhouderijen. Volgens appellanten is verder geen sprake van gestapelde problematiek, waarbij zij onder meer wijzen op de afwezigheid van veterinaire risico's en de gunstige ligging van het bedrijf. Naar hun mening is voorts wat betreft het bedrijf ten onrechte een voorbereidingsbesluit genomen. Het plan bevat bovendien ten onrechte geen ontheffingsmogelijkheid of hardheidsclausule. Ten slotte is het plan volgens appellanten in strijd met artikel 1 van Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Het standpunt van verweerders 2.30.
  339. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de noodzaak voor het opstellen van het reconstructieplan niet is achterhaald en voortvloeit uit de Rwc. Voorts is volgens verweerders bij de definitie van intensieve veehouderij aangesloten bij de Wav en valt een rosékalverhouderij onder de definitie. Verder is ter plaatse van de gronden van appellanten sprake van gestapelde problematiek, waarbij onder meer wordt gewezen op de ligging in een voor verzuring gevoelig Habitatrichtlijngebied en het feit dat de gronden liggen in het "wateraandachtsgebied: kwaliteitswater". Ten slotte stellen verweerders dat het reconstructieplan niet voorziet in ontneming van eigendom, maar slechts op het reguleren daarvan, hetgeen in overeenstemming is met het genoemde artikel uit het Eerste Protocol bij het EVRM. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.30.
  340. Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. 2.30.
  341. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van het reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. 2.30.
  342. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder een reconstructieplan een plan als bedoeld in artikel 11 verstaan. Ingevolge artike11, eerste lid, van de Rwc worden voor elk concentratiegebied een of meer reconstructieplannen vastgesteld. Ingevolge artikel 1, onder m, van de Wet herstructurering varkenshouderij wordt onder concentratiegebied een concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage B bij deze wet verstaan. Ingevolge bijlage B van de Wet herstructurering varkenshouderij omvat het concentratiegebied Oost onder meer de gemeente Tubbergen. 2.30.
  343. Ingevolge artikel 4 van de Rwc vindt ter bevordering van een goede ruimtelijke structuur van de concentratiegebieden, in het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, alsmede ter verbetering van een goed woon-, werk- en leefklimaat en van de economische structuur, een reconstructie plaats op grond van deze wet. Vaststelling van de feiten 2.30.
  344. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.30.
  345. Appellanten exploiteren een rosékalverhouderij aan [locatie 27] te [plaats]. Blijkens kaart 1 liggen de gronden van appellanten in een extensiveringsgebied. 2.30.
  346. De gronden van appellanten liggen op een afstand van ongeveer 10 meter van een voor verzuring gevoelig bosgebied. Bovendien liggen de gronden van appellanten in het Habitatrichtlijngebied "Springendal en Dal van de Mosbeek". Op streekplankaart 1 is het gebied waarin het bedrijf van appellant ligt voorts aangeduid als "wateraandachtsgebieden: kwaliteitswater", "wateraandachtsgebied: natuur" en "milieubeschermingsgebieden". 2.30.
  347. Onder intensieve veehouderij wordt in het reconstructieplan verstaan een agrarisch bedrijf of een deel daarvan met ten minste 250 m2 bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden, of dieren 'biologisch' worden gehouden, en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Onder melkrundvee wordt in het reconstructieplan verstaan, evenals in artikel 1, eerste lid, van de Wav:
  348. melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest, en
  349. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren. Onder biologisch wordt in het reconstructieplan verstaan dieren die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden. Het oordeel van de Afdeling 2.30.
  350. Het beroep van appellanten op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM treft geen doel. In zoverre de in het reconstructieplan neergelegde beperkingen van het gebruik van de gronden van appellanten al zijn aan te merken als aantasting van het recht op ongestoord genot van eigendom, laat de bedoelde bepaling de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang onverlet. Het reconstructieplan is een zodanige regulering. 2.30.
  351. De door appellanten genoemde ontwikkelingen in de landbouw, waaronder de vermindering van het aantal intensieve veehouderijen, doen niet af aan de wettelijke verplichting een reconstructieplan vast te stellen voor het concentratiegebied Oost, waaronder de gronden van appellanten vallen. Dat andere regelgeving ook voorziet in het terugdringen van de ammoniakuitstoot betekent niet dat het reconstructieplan daarmee overbodig is geworden. Met het plan worden, zoals in 2.30.
  352. is aangegeven, naast de aanpak van de ammoniakproblematiek, bovendien ook andere doelen nagestreefd. 2.30.
  353. Dat in de in het reconstructieplan opgenomen definitie van intensieve veehouderij melkrundveehouderijen worden uitgesloten en rosékalverhouderijen niet, acht de Afdeling in dit geval niet onredelijk. Hierbij neemt zij in aanmerking dat uit de aan appellanten verleende milieuvergunning blijkt dat rosékalveren wat betreft het aantal mestvarkeneenheden gelijk worden gesteld met vleesstieren. Uit de stukken is in dit verband verder gebleken dat rosékalveren op dezelfde wijze als vleesstieren worden gevoerd, hetgeen bepalend is voor de mate van stankhinder. Tevens worden rosékalveren op dezelfde wijze gehuisvest als vleesstieren. In hetgeen appellanten overigens in dit verband hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet hebben kunnen vasthouden aan deze definitie. Gelet op het voorgaande hebben verweerders tevens op goede gronden het bedrijf van appellanten als intensieve veehouderij aangemerkt. 2.30.
  354. De Afdeling acht de in 2.8.
  355. en 2.8.
  356. omschreven uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden waaronder de 250 meter-zones voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. Gelet op de feiten genoemd in 2.30.
  357. is de aanwijzing van de desbetreffende gronden als extensiveringsgebied in overeenstemming met deze uitgangspunten. In hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, onder meer over de gunstige ligging van het bedrijf en de afwezigheid van veterinaire risico's, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de uitgangspunten van de zonering. 2.30.
  358. Gelet op het voorgaande hebben verweerders wat betreft het bedrijf van appellanten een voorbereidingsbesluit kunnen nemen. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat verweerders met het voorbereidingsbesluit ontwikkelingen in het extensiveringsgebied die het reconstructiebeleid doorkruisen willen voorkomen, hetgeen gezien de doelstelling van de reconstructie niet onredelijk is. 2.30.
  359. Het in het reconstructieplan vervatte verbod op uitbreiding van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied, vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1 van de Rwc. Voor verweerders bestond derhalve geen ruimte om in het plan in zoverre een hardheidsclausule op te nemen. Appellanten zullen, indien zij ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijden, een beroep kunnen doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc, indien wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. 2.30.
  360. Gelet op al het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders respectievelijk de Minister en de Staatssecretaris in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen en het goedkeuringsbesluit hebben kunnen nemen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan en het goedkeuringsbe

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.