(1988)of een provinciale of een gemeentelijke Monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; b. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en deze ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; c. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken en hun gebruikers in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en deze ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd. 2.2.
- De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de gronden waarop een sloopvergunning kan worden geweigerd, limitatief in de Bouwverordening zijn opgenomen. Uit de omstandigheid dat ten behoeve van het gemeentelijk beschermd stadsgezicht geen beschermend bestemmingsplan is opgesteld, volgt anders dan appellante betoogt niet dat de sloopvergunning dient te worden geweigerd, of dat de beslissing op de aanvraag dient te worden aangehouden tot zo'n bestemmingsplan onherroepelijk is. De Bouwverordening, noch de Monumentenverordening Den Haag (hierna: de Monumentenverordening) bieden daarvoor grondslag. Uit de door appellante bedoelde zinsnede in artikel 15 van de Monumentenverordening, inhoudende dat panden in een beschermd stadsgezicht worden beschermd in het kader van verlening van een sloopvergunning, kan evenmin worden afgeleid dat voor de sloop van een bouwwerk binnen een gemeentelijk beschermd stadsgezicht een vergunning op grond van de Monumentenverordening is benodigd, hetgeen een weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 8.1.6, aanhef en onder a, van de Bouwverordening zou opleveren. 2.2.
- Nu met de voorzieningenrechter moet worden vastgesteld dat voor de sloop van het bouwwerk geen vergunning krachtens de Monumentenwet 1988 is benodigd, heeft het college in het bezwaar van appellante terecht geen aanleiding gezien de gevraagde sloopvergunning te weigeren. De voorzieningenrechter is tot dezelfde slotsom gekomen. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Gelet op het voorgaande dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink w.g. Van den Ende Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2006 275.