(2)de aanleg en omvang van parkeervoorzieningen op eigen terrein. De nadere eisenregeling wordt uitsluitend toegepast indien zulks noodzakelijk is in verband met onevenredige aantasting van: (..) e. de brandveiligheid: ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding, niet gewenst is. 2.8.
- In artikel 2 van de planvoorschriften is op zeven onderdelen aangegeven op welke wijze bij de toepassing van de planvoorschriften wordt gemeten. 2.8.
- Artikel 4 van de planvoorschriften bevat in de leden 3 en 4 bepalingen ten aanzien van de afmetingen van bouwwerken. 2.8.
- Bij brief van 18 januari 2005 heeft Ir. A.P.P. Wollersheim namens de commandant van de brandweer Roermond een reactie gegeven op de zienswijzen ingediend tegen het ontwerp-bestemmingsplan. De reactie gaat in op de volgende aspecten: de ontvluchting uit woningen in geval van een brand of een andere calamiteit, erfafscheidingen en brandgangen, de bereikbaarheid van woningen, de bluswatervoorziening, de uitrukprocedure van de brandweer en de bosrijke omgeving. De conclusie van deze reactie houdt in dat het brandveiligheidsaspect voldoende wordt gewaarborgd. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Met betrekking tot de brandveiligheid overweegt de Afdeling als volgt. Uit de stukken is gebleken dat er tussen de gemeente Roerdalen en de brandweer Roermond meermalen contact is geweest omtrent de brandveiligheid van het bungalowpark. Uit de reacties van de brandweer is gebleken dat er vanuit het oogpunt van de brandveiligheid geen bezwaar is tegen legalisering van permanente bewoning van de recreatiewoningen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het deskundigenadvies van de brandweer zodanige gebreken vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren. Ter zitting is bovendien namens de gemeenteraad van Roerdalen verklaard dat met bluswatervoertuigen van de brandweer is gereden in het park zonder dat daarbij is gebleken van problemen met betrekking tot manoeuvreren en bereikbaarheid. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het brandveiligheidsaspect niet in de weg staat aan permanente bewoning van de recreatiewoningen of dat het plan anderszins niet zou voldoen aan de brandveiligheidseisen die aan een woonwijk worden gesteld. Voor zover noodzakelijk heeft het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 4, zevende lid, aanhef en sub e, van de planvoorschriften de mogelijkheid aanvullende eisen te stellen ten aanzien van de brandveiligheid. 2.
- De Afdeling ziet verder geen grond voor het oordeel dat verweerder, gelet op de specifieke situatie ter plaatse, niet in redelijkheid ten behoeve van het plan heeft kunnen afwijken van de aanduiding Verblijfs- en dagrecreatieve voorziening in het POL. Deze aanduiding is niet aangemerkt als een concrete beleidsbeslissing. Voorts is niet gebleken dat het POL bepaalt dat voor het maken van een uitzondering op deze aanduiding een afzonderlijke procedure moet worden doorlopen. In de beleidsbrief van de Minister van VROM van november 2003 heeft verweerder, gelet op de voorliggende specifieke situatie met betrekking tot het bungalowpark Rothenbach, evenmin reden behoeven te zien om goedkeuring te onthouden aan de legalisering van permanente bewoning. 2.
- Hoewel het vorige bestemmingsplan niet is herzien binnen de termijn van 10 jaar zoals is neergelegd in artikel 33 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, staat dit niet in de weg aan de goedkeuring van het voorliggende plan. 2.
- Appellant heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat verweerder vanwege gebreken aan de plankaart en de planvoorschriften met betrekking tot de wijze van meten en de afmetingen van bouwwerken goedkeuring had moeten onthouden aan het plan. Voor het overige heeft hetgeen appellant stelt betrekking op de planuitvoering, hetgeen buiten het kader van de onderhavige procedure valt. 2.
- Voor zover appellant meent voor planschadevergoeding in aanmerking te komen, kan hij daartoe een verzoek indienen op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De beslissing hieromtrent valt buiten het kader van de onderhavige procedure. 2.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond. Proceskosten 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat. w.g. Oosting w.g. Broekman Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2006 12-521.