(1999). Verder is de Afdeling gebleken dat in het kader van het tracébesluit reeds onderzoek is verricht naar de aanpassing van het knooppunt Hintham en tevens specifiek onderzoek is verricht naar de verkeersstromen van het benzineverkooppunt via de Kloosterstraat naar de Berlicumseweg. Gelet op het vorengaande zijn de gevolgen van de afsluiting van de Jan Heijmanslaan voor de wijk- en bovenwijkse ontsluiting in Hintham en de gevolgen voor appellante in het bijzonder alsmede haar belangen bij de instandhouding van de kruisende verbinding reeds ten tijde van het tracébesluit onderzocht en afgewogen. Die afweging heeft de Afdeling in genoemde uitspraak niet onredelijk geacht, mede op grond van de overweging dat niet is gebleken dat via de Regeling Nadeelcompensatie Rijkswaterstaat niet aan het schade-aspect kan worden toegekomen. Nu het plan overeenkomstig het tracébesluit is vastgesteld en ook overigens niet is gebleken van relevante gewijzigde feiten en omstandigheden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het plan. 2.8.
- De doeleindenomschrijving van de bestemming "Verkeer" heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid als voldoende duidelijk en niet rechtsonzeker kunnen aanmerken. Dat binnen de bestemming "Verkeer" groen- en watervoorzieningen kunnen worden aangelegd doet niet af aan de specifieke bestemmingsregeling voor "Groenvoorzieningen" en "Waterstaatkundige doeleinden". Gelet op artikel 3, tweede lid, onder a, aanhef en sub 4, van de planvoorschriften dienen de op plankaart 2 aangegeven dwarsprofielen bij de inrichting van de weg in acht te worden genomen. Het dwarsprofiel H-H' dat betrekking heeft op de aansluiting van de A2 naar de A59 staat maximaal twee rijstroken toe, zodat de vrees van appellante voor de aanleg van drie rijstroken ter plaatse ongegrond is. 2.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond. Proceskostenveroordeling 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat. w.g. Kosto w.g. Kooijman Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006 177-461.