200600282/1. Datum uitspraak: 27 september 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 24 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Zaanstad, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 februari 2005, het bestemmingsplan "Heiligeweg" vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 15 november 2005, kenmerk 2005-18127, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 9 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2006, beroep ingesteld. Bij brief van 14 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2006, waar appellanten, in de persoon van [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.G. Moeijes, advocaat te Velsen-Zuid, en verweerder, vertegenwoordigd door W.J. Ardewijn, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Zaanstad, vertegenwoordigd door mr. A.R.J. Kuijs, ambtenaar van de gemeente. 2. Overwegingen Overgangsrecht 2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft. Toetsingskader 2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. Het standpunt van appellanten 2.3. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Centrumvoorzieningen" voor de percelen aan de Heiligeweg 19, 21, 25 en 35a/hoek Weverstraat 1b kadastraal nr. 8240 te Krommenie. Appellanten voeren hiertoe verschillende bezwaren aan. Zij betogen dat zij door verweerder onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld het door het gemeentebestuur van Zaanstad bij verweerders ingediende verweerschrift te bestuderen. Bovendien hebben appellanten ten onrechte niet het advies van de provinciale planologische commissie (hierna: ppc) ontvangen. Tevens is niet gebleken dat verweerder hiervan kennis heeft genomen, aldus appellanten. Voorts stellen appellanten dat de voor bovengenoemde percelen opgenomen bebouwingspercentages op de plankaart niet overeenkomen met de werkelijke situatie op de percelen. Volgens appellanten is het perceel aan de Heiligeweg 25 voor 75% bebouwd. Het perceel aan de Heiligeweg 35a is voor 75% bebouwd. Het perceel aan de Weverstraat 1b is voor 100% bebouwd. Doordat het bebouwingspercentage op de plankaart lager is, wordt de huidige situatie beperkt, aldus appellanten. Verder stellen zij dat aan het achterste gedeelte van de percelen aan de Heiligeweg 19 en 21 op de ontwerpplankaart een bebouwingspercentage van 50 was gegeven. Na de behandeling van de bedenkingen door verweerder is dit percentage volgens appellanten van de plankaart verwijderd. Nu er geen bebouwingspercentage voor het achterste gedeelte van deze percelen meer geldt, worden appellanten in hun belangen geschaad. Ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Centrumvoorzieningen" voor het perceel Heiligeweg 25 stellen appellanten voorts dat de op dit perceel aanwezige showroom ten onrechte niet als zodanig in het plan is bestemd. Voorts stellen appellanten dat ter hoogte van de op dit perceel staande boerderij ten onrechte de aanduiding "rijksmonument" is opgenomen. Slechts de betegelde schouw in de boerderij is het object dat als monument geldt, en niet de boerderij zelf. Tevens is de aanduiding op de plankaart op een onjuiste plek ingetekend. Verder betogen appellanten dat het plan ten onrechte niet een strook van 15 meter vanaf de straatkant naar de achtergevelrooilijn van de desbetreffende percelen bebouwbaar maakt, hetgeen in strijd is met de bedoeling van het gemeentebestuur. Tot slot stellen appellanten dat zij in aanzienlijke mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt en dat zij mitsdien schade lijden, daar de maximale bouwhoogte voor de plandelen op negen meter is gesteld. In de door appellanten op verzoek van het gemeentebestuur reeds ingediende bouwplannen wordt echter uitgegaan van een bouwhoogte van twaalf meter. Niet duidelijk is waarom hiervan wordt afgeweken. Het bestreden besluit 2.4. Verweerder heeft de plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bebouwingspercentage in het plan per perceel is bepaald en dat derhalve volledig wordt tegemoetgekomen aan de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2003, zaaknummer 200204366/1. Voorts kan verweerder instemmen met de in het plan voor de percelen van appellanten opgenomen bebouwingspercentages en maximale bouwhoogte. De vaststelling van de feiten 2.5. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.5.1. Op 20 december 2001 heeft de gemeenteraad van Zaanstad het bestemmingsplan "Krommenie-Zuid" vastgesteld. Verweerder heeft dit plan op 25 juni 2002 gedeeltelijk goedgekeurd, waarbij goedkeuring werd onthouden aan het bebouwingspercentage op het plandeel met de bestemming "Centrumvoorzieningen", begrensd door de Heiligeweg/hoek Weverstraat, Durgsloot en Badhuislaan. Tegen het goedkeuringsbesluit van verweerder is vervolgens beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). In haar uitspraak van 26 februari 2003, zaaknummer 200204366/1 heeft de Afdeling het bestreden besluit van verweerder vernietigd, voor zover dit betrekking heeft op de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Centrumvoorzieningen" begrensd door de Heiligeweg/hoek Weverstraat, Durgsloot en Badhuislaan, doch met uitzondering van het gedeelte binnen de scheidingslijn met de aanduiding "bebouwingspercentage 100" aan de Heiligeweg 19 en 21. De Afdeling heeft tevens goedkeuring onthouden aan het plandeel. De Afdeling heeft als volgt overwogen: 2.5 Verweerder heeft het plan gedeeltelijk goedgekeurd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan het bebouwingspercentage van 50% dat is toegekend aan het onder overweging 2.3. omschreven plandeel in zijn geheel. Door de gekozen systematiek van het bebouwingspercentage per bestemmingsvlak in combinatie met de bestemming "Centrumvoorzieningen" kan aldus een beperking van bouwmogelijkheden voor de onderscheiden eigenaren ontstaan. Tijdens de looptijd van het plan kunnen daardoor de bouwmogelijkheden van appellanten afnemen zonder dat zij hier enige invloed op kunnen uitoefenen. Doordat ook anderen binnen het bestemmingsvlak bebouwing kunnen realiseren neemt het bouwpercentage voor appellanten af en dit leidt, volgens verweerder, tot rechtsongelijkheid. 2.6 Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder, anders dan hij in zijn besluit heeft aangegeven, naast de onthouding van goedkeuring aan het bebouwingspercentage ook goedkeuring had willen onthouden aan het plandeel met de bestemming "Centrumvoorzieningen". Verweerder heeft toegelicht dat in het kader van een plan ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsdan zou dienen te worden bezien welk bebouwingspercentage of -percentages per perceel van belang zijn indien behoefte bestaat aan een differentiatie. Door alleen goedkeuring te onthouden aan het bebouwingspercentage zou het gehele bouwvlak kunnen worden volgebouwd, hetgeen, zoals uit de overwegingen van het besluit blijkt, niet de bedoeling was. De Afdeling is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconstateerd dat onduidelijkheden kunnen ontstaan over de bebouwingsmogelijkheden van de in geding zijnde gronden. Mitsdien bestaat er aanleiding verweerder in zijn opvatting dat ook aan de bestemming "Centrumdoeleinden" (lees: "Centrumvoorzieningen") goedkeuring had moeten worden onthouden, te volgen zodat dit deel van het beroep gegrond is en het bestreden besluit op de hieronder aangegeven wijze dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op de hierna te vermelden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 2.7 Ten aanzien van het bezwaar van appellanten dat ziet op de bouwhoogte van 9 meter overweegt de Afdeling als volgt. Uit de aanduidingen op de plankaart blijkt dat ten aanzien van de percelen Heiligeweg 25 tot en met 35a en Weverstraat 1b een bouwhoogte van 9 meter geldt. Voor de percelen Heiligeweg 19 en 21 is een bouwhoogte van 12 meter van toepassing. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad voor de percelen Heiligeweg 19 en 21 in een eerder plan een uitbreiding tot een maximale bouwhoogte tot 12 meter mogelijk heeft gemaakt. Een hoogtemaat van 12 meter voor alle panden langs deze weg is door het gemeentebestuur met het oog op het conserverend karakter van het bedoeld plandeel niet overwogen. Voorts is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan een andere afweging in de rede zou hebben gelegen. De Afdeling is gezien het vorenstaande van oordeel dat verweerder in de ruimtelijke opzet van het betrokken plandeel aanleiding heeft kunnen vinden de hoogtemaat van 9 meter een goede ruimtelijke ordening te oordelen zodat dit onderdeel van het beroep ongegrond is. Om te voorzien in de aldus ontstane leemte in het plangebied van het bestemmingsplan "Krommenie-Zuid" heeft de gemeenteraad van Zaanstad op grond van artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het voorliggende bestemmingsplan vastgesteld. 2.5.2. Volgens de plantoelichting is beoogd aan bovenstaande uitspraak van de Afdeling tegemoet te komen door perceelsgewijs in plaats van per bebouwingsvlak een maximaal bebouwingspercentage vast te leggen. Op deze manier wordt voorkomen dat de bouwmogelijkheden van de onderscheiden eigenaren worden beperkt zonder dat zij hierop enige invloed kunnen uitoefenen. Het plangebied in het voorliggende plan, begrensd door de Heiligeweg/hoek Weverstraat, Durgsloot en Badhuislaan, is onderdeel van een oorspronkelijk oud lint en aanloopgebied van het centrum van Krommenie. Volgens de plantoelichting moeten ontwikkelingen leiden tot verbetering van de herkenbaarheid van het oude lint. Grote ontwikkelingen zijn in het gebied echter niet te verwachten. Het plan is derhalve consoliderend van aard. 2.5.3. In het bestemmingsplan is aan de desbetreffende plandelen de bestemming "Centrumvoorzieningen" toegekend. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden, die op de plankaart zijn aangewezen voor "Centrumvoorzieningen", voor zover deze gronden niet worden bebouwd bestemd voor "Erven". Ingevolge artikel 4, derde lid, van de planvoorschriften mogen op de gronden ten behoeve van de bestemming "Centrumvoorzieningen" uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd. Ingevolge het vierde lid van dit artikel gelden voor het bouwen, als bedoeld in het derde lid, de volgende bepalingen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.