(1984)bevatte het standpunt van de regering ten aanzien van activiteiten met LPG in Nederland. Volgens deze nota wordt het ruimtelijk belang gediend met een zuinig ruimtegebruik en daarmee door een zo gering mogelijk indirect ruimtebeslag door LPG-tankstations (p. 117). Vooral de vergaande verplaatsing van bestaande LPG-tankstations en de situeringseisen voor nieuwe tankstations minimaliseren het indirecte ruimtebeslag (p. 140). Op grond van de Integrale Nota LPG dient minimaal 80 meter afstand in acht te worden genomen van het LPG-vulpunt tot (incidentele) woonbebouwing en zogenoemde bijzondere objecten categorie II. 2.
- Op 27 oktober 2004 zijn het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: Revi) in werking getreden. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, van het Bevi, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder kwetsbaar object verstaan: a. woningen, niet zijnde woningen als bedoeld in onderdeel a, onder a; (…) c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals:
- kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m² per object, of
- complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, van het Bevi, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen, voor zover hier van belang, onder beperkt kwetsbaar object verstaan: a.
- verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare, en 2 dienst- en bedrijfswoningen van derden; b. kantoorgebouwen, voor zover zij niet onder onderdeel m, onder c, vallen; c. hotels en restaurants, voor zover zij niet onder onderdeel m, onder c, vallen; d. winkels, voor zover zij niet onder onderdeel m, onder c, vallen; (…) g. bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet onder onderdeel m, onder c, vallen; h. objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn. 2.7.
- Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Bevi, worden kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten die behoren tot een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met h, voor de toepassing van dit besluit (…) niet beschouwd als kwetsbare onderscheidenlijk beperkt kwetsbare objecten. 2.7.
- Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bevi, is dit besluit van toepassing op de besluiten (…) met betrekking tot een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer. Ingevolge artikel 2, tweede lid, onder a, van het Bevi, is dit besluit van toepassing op de besluiten, bedoeld in artikel 5, eerste, tweede en zesde lid, met betrekking tot de bestemming van grond, voor zover die grond ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in het eerste lid. Onder het invloedsgebied wordt ingevolge artikel 1, eerste lid, onder l, van het Bevi, in dit besluit verstaan het gebied waarin volgens bij regeling van Onze Minister gestelde regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Met betrekking tot de verantwoording van het groepsrisico van een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met c, van het Bevi, worden ingevolge artikel 6 van de Revi, voor zover hier van belang, de personen meegeteld die aanwezig zijn in het invloedsgebied dat in bijlage 2 is vermeld bij de desbetreffende inrichting. In bijlage 2 bij de Revi wordt voor de verantwoording van het groepsrisico met betrekking tot LPG-tankstations met een doorzet tot 1500 m³ per jaar een afstand in meters tot de grens van het invloedsgebied van 150 meter aangegeven. 2.7.
- Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Bevi neemt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in de artikelen 10 (…), 28, (…) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (…), op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten, de grenswaarde, genoemd in artikel 8, eerste lid, in acht. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Bevi houdt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in het eerste lid op grond waarvan de bouw of vestiging van beperkt kwetsbare objecten wordt toegelaten, rekening met de richtwaarde, genoemd in artikel 8, tweede lid. Ingevolge artikel 5, derde lid, van het Bevi neemt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het eerste lid, de bij regeling van Onze Minister vastgestelde afstanden tot kwetsbare objecten in acht en houdt bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het tweede lid, rekening met de bij die regeling vastgestelde afstanden tot beperkt kwetsbare objecten, indien dat besluit betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met d. 2.7.
- Ingevolge artikel 4, vijfde lid, onder a, van het Bevi neemt het bevoegd gezag (…) de bij regeling van Onze Minister vastgestelde afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten in acht en houdt bij die beslissing (…) rekening met de bij die regeling vastgestelde afstanden tot al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten, indien die aanvraag betrekking heeft op een LPG-tankstation (…) waarvan de doorzet van LPG minder dan 1500 m³ per jaar bedraagt. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van de Revi zijn de afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid en 5, derde lid, van het besluit, de afstanden die zijn vermeld in bijlage 1, tabel 1, indien het risico wordt veroorzaakt door een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van het besluit. In deze tabel wordt tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten een afstand aangegeven van 110 meter van het vulpunt bij een LPG-tankstation met een doorzet tot 1500 m³ per jaar en een afstand van 45 meter van het vulpunt bij een LPG-tankstation met een doorzet tot 1000 m³ per jaar. In voetnoot 2 bij de Revi wordt ten aanzien van een LPG-tankstation met een doorzet tot 1000 m³ per jaar vermeld dat de bijbehorende in tabel 1 in bijlage 1 bij de Revi vermelde afstanden gelden, indien in de milieuvergunning is vastgelegd dat de doorzet van LPG minder dan 1000 m³ per jaar is. 2.7.
- In de Nota van Toelichting op het Bevi (Stb. 2004, 250, p. 20 en p. 38) wordt ten aanzien van het doel en de systematiek van de regeling onder meer het volgende opgemerkt: "De risiconormen die in het beleid inzake externe veiligheid worden gehanteerd, hebben tot op heden de status van milieukwaliteits- doelstellingen, dat wil zeggen dat zij het karakter dragen van niet ` wettelijk vastgelegde doelstellingen die ten behoeve van de uitoefening van de Wm en de WRO door de rijksoverheid zijn geformuleerd met het oog op het bereiken van een verantwoord veiligheidsniveau voor burgers. Hoewel die normen en de daarvan afgeleide veiligheidsafstanden bij de toetsing van besluiten door de rechter als uitgangspunt worden genomen, staat het bindende karakter van die normen geenszins vast. Bovendien is gebleken dat de doorwerking van risiconormen op het gebied van de ruimtelijk ordening zowel de jure als de facto gebrekkig is (…) De aan te houden veiligheidsafstanden waren neergelegd in de Integrale nota LPG en in circulaires van de Minister van VROM (…) De in die nota en circulaires vermelde veiligheidsafstanden voor LPG-tankstations waarop het Besluit LPG-tankstations milieubeheer van toepassing is (…), komen met de inwerkingtreding van dit besluit te vervallen (…) Dit besluit heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Met het oog op die waarborgfunctie strekt dit besluit ertoe:
- het beleid inzake externe veiligheid een wettelijke grondslag te geven; (…) Met betrekking tot de artikelen 4 en 5 van het Bevi wordt het volgende opgemerkt (Stb. 2004, 250, p. 70): "De afstanden, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, en artikel 5, derde lid, die in een ministeriële regeling zijn opgenomen, zijn derhalve uitsluitend van toepassing (…) ten aanzien van de bestemming van grond in de omgeving van die inrichtingen." Het oordeel van de Afdeling 2.
- Gelet op het in 2.6.
- beschreven langdurige bedrijfsmatige gebruik van de gronden als tankstation, de reeds aanwezige bebouwing en verharding, het conserverende karakter van het plan en het onderzoek dat in het kader van het bestemmingsplan "Hoogveld" is verricht, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of nabij het plangebied. Bovendien heeft appellant de enkele stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met de flora en fauna in en nabij het plangebied, niet nader onderbouwd en aannemelijk gemaakt. 2.8.
- Nu tussen beide plandelen en de voorziene woningbouw in het bestemmingsplan "Hoogveld" een ruime afstand is aangehouden, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich op het standpunt had moeten stellen dat de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" in de weg staat aan deze woningbouw en de natuurontwikkeling op de gronden aan de Heerlerbaan/Ridderweg. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat blijkens de voorschriften bij het bestemmingsplan "Hoogveld" met deze gronden onder meer een bufferzone wordt gevormd tussen de truckstop en de voorziene woningbouw. 2.8.
- Ten aanzien van de stelling van appellant dat sprake is van rechtsongelijkheid, overweegt de Afdeling dat dit een nadere onderbouwing betreft van zijn bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijzen tegen plandeel 2, zodat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat hij deze stelling buiten beschouwing kan laten. Nu verweerder ondanks dit standpunt in zijn besluit is ingegaan op deze stelling, bestaat er in zoverre geen grond tot vernietiging van het bestreden besluit. Blijkens de stukken, waaronder de uitspraak van de rechtbank van Maastricht van 3 november 2004, no. AWB04/430, en het verhandelde ter zitting zijn de door appellant gewenste wagenloods, veestal annex stalling en een veestal annex opslagruimte van een aanzienlijk grotere omvang dan de op plandeel 2 toegelaten carwash. Voorts is het bedrijf van appellant gelegen in een ander plangebied en op kortere afstand van de voorziene woningbouw in het bestemmingsplan "Hoogveld". Ook is het tankstation met bijbehorende voorzieningen reeds langdurig aan beide zijden van de Heerlerbaan gevestigd. Gelet op het bovenstaande is niet gebleken dat de situatie van appellant zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie in het plan, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan. 2.8.
- Ten aanzien van de stelling van appellant dat het plangebied in het voorheen geldende bestemmingsplan werd aangeduid als "beperkt agrarisch gebied", dat slechts ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven mocht worden bebouwd, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. 2.8.
- Gelet op de locatie van de truckstop langs de hoofdontsluitingsweg Heerlerbaan, de omringende, hoofdzakelijk grootschalige, bedrijvigheid langs deze weg en de reeds enige jaren legale aanwezigheid van de truckstop, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot een toename van verkeers- en parkeeroverlast of geluidhinder vanwege de truckstop. Gelet op de omgeving van het plangebied ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat ter plaatse uitbreiding van bedrijfsactiviteiten ongewenst is. 2.8.
- Nu de door appellant bedoelde aanduidingen van het stedelijke centrumgebied en de stedelijke groenzone in het POL slechts indicatief van aard zijn en het plangebied voorts is gelegen op de grens tussen deze gebieden, heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat van strijd met het POL geen sprake is. Voorts heeft appellant zijn stelling, dat onvoldoende rekening is gehouden met het gemeentelijk ruimtelijk beleid, in de stukken noch tijdens het verhandelde ter zitting nader onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Mitsdien kan deze stelling evenmin slagen. 2.8.
- Ten aanzien van de aanvaardbaarheid van het LPG-tankstation ter plaatse, overweegt de Afdeling het volgende. Appellant heeft zijn stelling, dat onvoldoende rekening is gehouden met de voorschriften in het Besluit LPG-tankstations milieubeheer, die onder meer zien op aan te houden afstanden tussen activiteiten binnen de inrichting, in de stukken noch ter zitting nader onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Blijkens de voorschriften is wat betreft de aan te houden afstand tot het LPG-vulpunt de Integrale Nota LPG aan het plan ten grondslag gelegd. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit waren echter het Bevi en de Revi reeds in werking getreden. Uit het samenstel van de bepalingen in artikel 2, tweede lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, onder e, artikel 5, eerste en tweede lid, en artikel 1, tweede lid, van het Bevi, volgt dat het Bevi van toepassing is, indien het besluit de bouw of vestiging toelaat van een (beperkt) kwetsbaar object, dat niet behoort tot de inrichting van een LPG-tankstation en binnen 150 meter van deze inrichting is gelegen. Bezien moet worden of het plan dit toelaat. Daartoe stelt de Afdeling vast dat de in artikel 5, zesde lid, van de planvoorschriften opgenomen aanduiding van de wijzigingsbevoegdheid op de plankaart ontbreekt. Het plan laat wat dit onderdeel betreft de bouw van een beperkt kwetsbaar object, een bedrijfswoning van derden, niet toe. Ter plaatse van plandeel 1 zijn horeca, detailhandel en dienstverlening van kleinschalige kantoren toegelaten. Uit artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften blijkt niet van een zodanige samenhang van deze functies met het op de plandelen 2 en 3 toegelaten LPG-tankstation, dat deze functies moeten worden geacht te behoren tot de inrichting van het LPG-tankstation. Mitsdien voorziet het plan met plandeel 1 in de bouw of vestiging van een beperkt kwetsbaar object, dat niet behoort tot de inrichting van het LPG-tankstation en binnen 150 meter van deze inrichting is gelegen. Gelet op het bovenstaande zijn het Bevi en de Revi van toepassing op het onderhavige plan. Derhalve heeft verweerder gelet op de in artikel 5, eerste, tweede en derde lid, neergelegde verplichtingen zijn besluit omtrent de goedkeuring van het plan ten onrechte niet aan het Bevi en de Revi getoetst. Het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging wegens strijd met voornoemde artikelen in aanmerking. Het beroep is gegrond. 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 26 april 2005, kenmerk 2005/19010; III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 69,64 (zegge: negenenzestig euro en vierenzestig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door provincie Limburg aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; IV. gelast dat provincie Limburg aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren w.g. Soede Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 270-516.