200502427/
- Datum uitspraak: 8 november 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],
- [appellante sub 2A], [appellante sub 2B], [appellante sub 2C], [appellante sub 2D] (hierna: [appellanten sub 2]), allen gevestigd te [plaats], en [appellant sub 2E], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 4], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 6], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],
- het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout (hierna: het college),
- [appellanten sub 9], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 12A], wonend te [woonplaats], en [appellant sub 12B], gevestigd te [plaats] (hierna: [appellanten sub 12]),
- [appellanten sub 13], beiden wonend te [woonplaats],
- de afdeling Oosterhout van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworgansisatie, gevestigd te Oosterhout (hierna: de ZLTO),
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "OkidO BV", gevestigd te Den Hout, gemeente Oosterhout (hierna: OkidO BV),
- de stichting "Stichting Brabantse Milieufederatie", gevestigd te Tilburg, de vereniging "Milieuvereniging Oosterhout", gevestigd te Oosterhout en de "Vrienden van de Vrachelse Heide, gevestigd te Oosterhout (hierna: de BMF en anderen),
- [appellanten sub 17], allen wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 18A] en [appellant sub 18B], beiden wonend te [woonplaats], en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Hoge Dijk BV", gevestigd te Oosteind, gemeente Oosterhout (hierna: [appellanten sub 18]),
- [appellant sub 19], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder.
- Procesverloop Bij besluit van 14 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Oosterhout, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 juni 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 februari 2005, no.1019296, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben appellanten bij de Raad van State beroep ingesteld. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 22 december 2005 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 en 21 april 2006, waar appellanten zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerder en de gemeenteraad hebben zich doen vertegenwoordigen. Appellanten sub 1, 3 en 19 zijn niet verschenen, en hebben zich evenmin doen vertegenwoordigen. Voorts zijn daar als partij gehoord [partij A] en [partij B], beide vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de Nederlands Israëlitische Gemeente Breda, vertegenwoordigd door S. Ph. Soesan.
- Overwegingen Intrekkingen 2.
- Ter zitting heeft het college de beroepsgrond gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan artikel 19, twintigste lid, onder f, van de planvoorschriften en de beroepsgrond gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan de zinsnede "dan wel dat het wenselijk is een biologisch landbouwbedrijf toe te staan." in artikel 19, derde lid, van de planvoorschriften, ingetrokken. Ter zitting heeft de ZLTO de beroepsgrond tegen de goedkeuring van artikel 19, elfde lid, van de planvoorschriften, ingetrokken. Omdat [appellant sub 19] in zijn beroepschrift verklaart zich aan te sluiten bij het beroep van de ZLTO, beschouwt de Afdeling deze beroepsgrond van [appellant sub 19] eveneens als te zijn ingetrokken. [appellanten sub 6], en [appellant sub 10] hebben ter zitting hun beroepsgronden betreffende de differentiatie "vestigingspatroon" en de differentiatie "terrein met hoge verwachtingswaarde" ingetrokken. De BMF en anderen hebben hun beroepsgrond inhoudend dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 19, zeventiende lid, van de in de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen, voor zover daarin de voorwaarde ontbreekt dat bij uitbreiding van de agrarische bouwvlakken in de GHS voldaan moet worden aan het compensatiebeleid, ter zitting ingetrokken. Overgangsrecht 2.
- Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft. Ontvankelijkheid 2.
- De door [appellant sub 2E] ingediende beroepsgronden, voor zover die geen betrekking hebben op zijn woning aan de [locatie 1], steunen niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. De door [appellanten sub 9] ingediende beroepsgronden tegen de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" van een perceel aan de Griendsteeg 15a steunen niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit geldt tevens voor de beroepsgrond van de BMF en anderen dat bij de gewijzigde vaststelling van het plan het bestemmingsvlak aan de Bergvlietse Bossen ten onrechte is vergroot ten behoeve van een bedrijfswoning, nu het plan in zoverre niet gewijzigd is vastgesteld. Verder berust ook de beroepsgrond van de BMF en anderen dat op gronden die liggen binnen de differentiatievlakken "leefgebied voor amfibieën en reptielen", "planten en dieren van open water en moeras" en "planten en dieren van graslanden en ruigten" het planten van bomen ten onrechte is toegestaan, niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit geldt ook voor de beroepsgrond van de BMF en anderen dat een goede waterparagraaf in het plan ontbreekt en dat geen overleg is gevoerd met de besturen van de betrokken waterschappen en geen advies is ingewonnen bij de waterbeheerders. Het bezwaar van [appellanten sub 13] inzake het schrappen van artikel 10, tweede lid, onder, c van de planvoorschriften berust evenmin op een door appellanten ingediende zienswijze. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerp-plan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht, dan wel voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. De beroepen van [appellant sub 2E], van [appellanten sub 9]], van de BMF en anderen en van [appellanten sub 13] zijn in zoverre niet-ontvankelijk. Toetsingskader 2.
- Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. Formeel aspect 2.
- [appellanten sub 9], en [appellanten sub 18], stellen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat verweerder na de door hem gehouden hoorzitting nog overleg heeft gevoerd met de ZLTO. 2.5.
- Noch uit de stukken, noch op grond van het verhandelde ter zitting, is aannemelijk geworden dat verweerder zich bij zijn besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan heeft laten leiden door overleg dat na de hoorzitting met de ZLTO is gevoerd. Van een situatie waarin verweerder, alvorens te beslissen over de goedkeuring van het bestemmingsplan, appellanten ten onrechte niet op de hoogte heeft gebracht van de inhoud van na de hoorzitting gevoerd overleg met de mogelijkheid daarop desgewenst te reageren, is derhalve geen sprake. Het betoog van appellanten treft derhalve in zoverre geen doel. Inhoudelijke aspecten GLASTUINBOUW TEN ZUIDEN VAN DE PROVINCIALEWEG IN OOSTEIND Het standpunt van verweerder 2.
- Verweerder heeft de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" van de gronden ten zuiden van de Provincialeweg in Oosteind in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Daarbij heeft hij het standpunt ingenomen dat het plan in zoverre te beperkend is voor bestaande glastuinbouwbedrijven omdat niet is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid die uitbreiding van glasopstanden tot meer dan drie hectare mogelijk maakt. Voorts voorziet het plan volgens verweerder ten onrechte niet in incidentele nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven. Deze beperkingen acht verweerder niet in overeenstemming met het streekplan Noord-Brabant 2002, het Uitwerkingsplan Breda-Tilburg en het ontwerp van het Gebiedsplan "Wijde Biesbosch". Het gebied vertegenwoordigt volgens verweerder voorts geen landschaps- en natuurwaarden die deze beperkingen rechtvaardigen. Het standpunt van appellanten 2.6.
- Het college, [appellanten sub 9], en [appellanten sub 18], stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan voornoemde hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" van de gronden ten zuiden van de Provincialeweg in Oosteind. Het college voert daartoe aan dat verweerder het Uitwerkingsplan Breda-Tilburg op onjuiste wijze bij de beoordeling van het plan heeft betrokken. Het Uitwerkingsplan voorziet volgens het college namelijk in verstedelijking van het desbetreffende gebied. Verweerder heeft volgens het college voorts miskend dat het desbetreffende gebied vanwege de omvang daarvan zich niet leent voor de door verweerder voorgestane ontwikkelingen. Voorts betoogt het college dat niet duidelijk is welke gevolgen de onthouding van goedkeuring aan de hoofdbestemming heeft voor de medebestemming die aan de agrarische en niet-agrarische bedrijven in het desbetreffende gebied is toegekend. [appellanten sub 9], en [appellanten sub 18] voeren aan dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan het rapport "East of Oosterhout", waaruit volgens appellanten blijkt dat de gemeente Oosterhout in het desbetreffende gebied woningbouw heeft voorzien. Gelet op de landschappelijke waarden van het gebied achten appellanten uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven die verder reikt dan drie hectare niet aanvaardbaar, en dient nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven in het gebied te worden voorkomen, aldus appellanten. Vaststelling van de feiten 2.6.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.6.
- De gronden ten zuiden van de Provincialeweg zijn in het Streekplan Noord-Brabant 2002 (hierna: het streekplan) gesitueerd in de hoofdzone "landbouw" van de agrarische hoofdstructuur (hierna: AHS-landbouw). Volgens paragraaf 3.4.5 van het streekplan bevinden zich in de AHS-landbouw geen natuurwaarden en daarmee samenhangende landschapswaarden die van belang zijn voor het provinciale schaalniveau. Gebieden in de AHS-landbouw met de hoofdfunctie bos en natuur moeten echter op dezelfde wijze worden beschermd als de groene hoofdstructuur (GHS) en de AHS-landschap. Wat de bescherming van de overige gebieden met natuur-en landschapswaarden in de AHS-landbouw betreft, volgt de provincie in beginsel de gemeentelijke besluitvorming. 2.6.
- Het gebied ten zuiden van de Provincialeweg in Oosteind is op de streekplankaart aangeduid als subzone "vestigingsgebied glastuinbouw". Uit het streekplan blijkt dat de als zodanig aangeduide gebieden zijn bedoeld voor de concentratie van glastuinbouwbedrijven. Nieuwvestiging en uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven is in de vestigingsgebieden volgens paragraaf 3.4.8 van het streekplan toegelaten. Hierbij geldt dat de omvang van glastuinbouwbedrijven in vestigingsgebieden in beginsel alleen mag worden beperkt, voor zover dat noodzakelijk is in verband met ter plaatse aanwezige waarden en belangen van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard. Door de gemeenten moet nader worden bepaald welke gedeelten van de vestigingsgebieden in aanmerking komen voor de bouw van clusters van nieuwe bedrijven of clusters van nieuwe en bestaande bedrijven, en tot welke omvang individuele bedrijven mogen groeien. 2.6.
- De als "vestigingsgebied glastuinbouw" aangeduide gronden ten zuiden van de Provincialeweg liggen voorts in het gebied dat op de streekplankaart is begrensd als stadsregio Breda-Tilburg. Overeenkomstig artikel 4a, achtste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant in het streekplan regels gegeven volgens welke verweerder het streekplan in zoverre moet uitwerken. 2.6.
- Verweerder heeft bij besluit van 21 december 2004 het Uitwerkingsplan Stedelijke Regio Breda-Tilburg (hierna: het uitwerkingsplan) vastgesteld. In paragraaf 1.7.
- van het uitwerkingsplan is het volgende vermeld: "Bij de vaststelling krijgt het uitwerkingsplan dezelfde status als het Streekplan. Het uitwerkingsplan vervangt dus niet het Streekplan als toetsings- en beoordelingskader maar werkt het op onderdelen nader uit. In het uitwerkingsplan is deze nadere uitwerking gericht op de verstedelijkingsopgave voor wonen en werken. In de stedelijke regio’s zijn hier ontwikkelingen vanuit de programma’s groen en infrastructuur aan toegevoegd. Dit betekent dat onderdelen van het provinciaal ruimtelijk beleid, voor bijvoorbeeld de interne en externe bescherming van de Groene Hoofdstructuur, recreatie, landgoederen, vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing, niet nader in het uitwerkingsplan worden genoemd en dat dus daarvoor, ook voor het plangebied van het uitwerkingsplan, het beleid zoals verwoord in het Streekplan onverkort blijft gelden. Indien bepaalde ontwikkelingen een afwijking van het beleid zoals genoemd in het Streekplan noodzakelijk maken, is dit expliciet in de plantekst vermeld. Eén en ander houdt in dat het Streekplan en het uitwerkingsplan het gezamenlijke toetsings- en ontwikkelingskader zijn voor door de gemeenten te ontwikkelen ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, zelfstandige projecten en structuurvisies.". 2.6.
- Op bladzijde 85 van het uitwerkingsplan is vermeld dat er geen vestigingsgebied voor glastuinbouw bij Oosterhout op de plankaart is aangegeven omdat uit de analyse van het vestigingsgebied op de streekplankaart naar voren komt dat nieuwvestiging van en omschakeling naar glastuinbouwbedrijven hier ruimtelijk niet wenselijk is. Op de plankaart van het uitwerkingsplan is het gebied ten zuiden van de Provincialeweg aangeduid als "Landelijk gebied - zoekgebieden verstedelijking: transformatie afweegbaar". Het begrip 'transformatie afweegbaar' wordt in het uitwerkingsplan als volgt omschreven: "De aanduiding transformatie afweegbaar geeft aan dat het transformeren van landelijk gebied naar stedelijk grondgebruik (wonen, werken, voorzieningen, stedelijk groen, al of niet in combinatie van meervoudig ruimtegebruik) afweegbaar is als dat nodig is om in de stedelijke ruimtebehoefte te voorzien." Gezien de schaal, maat en inrichting van dit gebied is een grootschalige nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven in dit gebied volgens het uitwerkingsplan niet wenselijk. Om bovenstaande redenen is het gebied ten zuiden van de Provincialeweg in Oosteind niet aangewezen als een vestigingsgebied voor glastuinbouw, met de mogelijkheid voor nieuwvestiging en omschakeling, aldus het uitwerkingsplan. Wel zijn er in het gebied mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven. 2.6.
- Bij besluit van 22 april 2005, derhalve nadat verweerder het bestreden besluit heeft genomen, hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant het Gebiedsplan Wijde Biesbosch (hierna: het gebiedsplan) vastgesteld. 2.6.
- Blijkens het deskundigenbericht zijn de gronden ten zuiden van de Provincialeweg hoofdzakelijk agrarisch in gebruik, onder andere ten behoeve van vijf in het gebied gevestigde glastuinbouwbedrijven. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het gebied naar zijn opvatting geen bijzondere visuele landschappelijke kenmerken heeft en bovendien beperkt van omvang is. Blijkens de plantoelichting hecht de raad waarde aan de doorzichten vanuit het lintdorp Oosteind naar het half-open gebied ten zuiden van de Provincialeweg. Ten einde aantasting van deze doorzichten te voorkomen, dient uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven te worden beperkt en nieuwvestiging te worden voorkomen, aldus de plantoelichting. 2.6.
- Blijkens het deskundigenbericht is het rapport "East of Oosterhout" een in opdracht van de gemeente Oosterhout in 2003 verrichte voorstudie ten behoeve van een op te stellen structuurplan. 2.6.
- Aan de gronden ten zuiden van de Provincialeweg is, voor zover hier van belang, de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" toegekend. De gronden zijn op plankaart 2 "Ontwikkelingen" aangeduid als "AHS-landschap". Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de gronden bestemd voor een duurzame agrarische bedrijfsvoering, instandhouding van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden, instandhouding en/of herstel van monumentale bomen, wonen, telecommunicatiemast, extensief recreatief medegebruik en het behoud en/of herstel van de in bijlage 4 van de voorschriften beschreven cultuurhistorische en architectonische waarden van de als 'monument' aangeduide werken. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften mag, voorzover hier van belang, op de als zodanig bestemde gronden niet worden gebouwd. Aan bestaande glastuinbouwbedrijven in het desbetreffende gebied is de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" toegekend. In artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften is, voor zover hier van belang, bepaald dat de gronden die op de detailplankaarten zijn aangewezen voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" medebestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Ingevolge artikel 15, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften zijn kassen ten behoeve van glastuinbouwbedrijven binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan. Ingevolge artikel 15, vierde lid, onder e, sub 3, van de planvoorschriften, is nieuwbouw van kassen op de als zodanig medebestemde gronden uitgesloten, behoudens ten behoeve van de op de detailplankaart als glastuinbouwbedrijf aangeduide bedrijven tot een maximum van twee hectare. In artikel 3 van de planvoorschriften is bepaald dat waar een hoofdbestemming, aangegeven op plankaart 1, samenvalt met een medebestemming, primair het bepaalde ten aanzien van de medebestemming geldt. De bepalingen met betrekking tot de hoofdbestemming zijn in dat geval uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de medebestemming. Het oordeel van de Afdeling 2.6.
- Uit artikel 3 van de planvoorschriften volgt dat bij een onthouding van goedkeuring aan een hoofdbestemming, een eventueel met deze hoofdbestemming samenvallende medebestemming zijn zelfstandige werking behoudt. Het college betoogt derhalve tevergeefs dat onthouding van goedkeuring onduidelijkheid ten aanzien van de medebestemmingen met zich brengt. Ten aanzien van de door verweerder verrichte toetsing overweegt de Afdeling dat er voor verweerder geen grond bestond het gebiedsplan "Wijde Biesbosch" bij de beoordeling van het bestemmingsplan te betrekken. Dit gebiedsplan was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet bekendgemaakt. De Afdeling stelt vast dat de door Provinciale Staten gegeven uitwerkingsregels als bedoeld in overweging 2.6.
- voor de stadsregio Breda-Tilburg geen aanknopingspunt bieden voor een uitwerking die met zich brengt dat het in het streekplan als "vestigingsgebied glastuinbouw" aangeduide gebied ten zuiden van de Provincialeweg in Oosteind voor verstedelijkingsdoeleinden kan worden ingericht. Verder leidt de Afdeling uit de tekst van het uitwerkingsplan zoals weergegeven in overwegingen 2.6.6 en 2.6.7 af dat verweerder met dit uitwerkingsplan beoogd heeft het streekplanbeleid voor de gronden ten zuiden van de Provincialeweg te herzien. De Wet op de Ruimtelijke Ordening biedt echter geen grondslag voor een herziening van het streekplan door het vaststellen van een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 4a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Aan het uitwerkingsplan, voor zover het betrekking heeft op de gronden ten zuiden van de Provincialeweg die in het streekplan zijn aangeduid als "vestigingsgebied glastuinbouw", moet derhalve thans voorbij worden gegaan. Het betoog van het college dat gelet op het uitwerkingsplan, de gronden ten zuiden van de Provincialeweg gevrijwaard dienen te blijven van de verdere oprichting van glasopstanden, slaagt derhalve niet. Uit het streekplan volgt dat verweerder in beginsel de gemeentelijke besluitvorming volgt daar waar het betreft de bescherming van natuur- en landschapswaarden in gebieden in de AHS-landbouw van het streekplan die niet de hoofdfunctie bos en natuur hebben. De gronden ten zuiden van de Provincialeweg liggen in de AHS-landbouw van het streekplan en hebben niet de hoofdfunctie bos en natuur, zodat verweerder in beginsel gehouden is de gemeentelijke besluitvorming over de bescherming van natuur- en landschapswaarden zoals neergelegd in het bestemmingsplan te volgen. Met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" heeft de raad onder meer beoogd de landschapswaarden van het desbetreffende gebied te beschermen. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebied ten zuiden van de Provincialeweg geen landschapswaarden vertegenwoordigt waarvan aantasting op voorhand als onaanvaardbaar moet worden beschouwd. In zoverre heeft verweerder in redelijkheid de gemeentelijke besluitvorming over de bescherming van landschapswaarden niet behoeven te volgen en komt voor het desbetreffende planonderdeel overwegende betekenis toe aan de aanduiding "vestigingsgebied glastuinbouw" in het streekplan. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. De beroepen van het college, [appellanten sub 9], en [appellanten sub 18] zijn in zoverre ongegrond. TRANSFORMATORSTATION EN MANEGE TEN ZUIDEN VAN DE PROVINCIALEWEG Het standpunt van appellante 2.
- Het college betoogt voorts dat verweerder onzorgvuldig te werk is gegaan bij het op de plankaart blauw omlijnen van de gronden ten zuiden van de Provincialeweg met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", waaraan hij goedkeuring heeft onthouden. Daardoor is ook aan de hoofdbestemming van een ten zuiden van de Provincialeweg gelegen manege en transformatorstation goedkeuring onthouden. Vaststelling van de feiten 2.7.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.7.
- Ten zuiden van de Provincialeweg zijn een manege en een transformatorstation gevestigd. Aan de manege is de hoofdbestemming "Recreatieve doeleinden -R-" met de nadere aanduiding "R1, manege" toegekend. Aan het het transformatorstation is de hoofdbestemming "Nutsvoorziening -N-" met de nadere aanduiding "N3, transformatorstation" toegekend. Verweerder heeft aan beide hoofdbestemmingen blijkens de blauwe omlijning op de plankaart, bezien in samenhang met het dictum, goedkeuring onthouden. Ter zitting is van de zijde van verweerder verklaard dat de onthouding van goedkeuring aan voornoemde plandelen op een vergissing berust. Het oordeel van de Afdeling 2.7.
- Nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat de onthouding van goedkeuring aan vorengenoemde hoofdbestemmingen op een vergissing berust, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van het college is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan de hoofdbestemming "Recreatieve doeleinden -R-" met de nadere aanduiding "R1, manege" en de hoofdbestemming "Nutsvoorziening -N-" met de nadere aanduiding "N3, transformatorstation". In de gegeven omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, goedkeuring te verlenen aan beide hoofdbestemmingen. HOGE DIJK 48 Standpunt appellanten 2.
- [appellanten sub 9], en [appellanten sub 18] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" van het perceel Hoge Dijk
- Appellanten voeren daartoe aan dat verweerder heeft miskend dat ten aanzien van het perceel ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de verleende vergunning voor de oprichting van een glastuinbouwbedrijf nog niet rechtens onaantastbaar was. Standpunt verweerder 2.8.
- Verweerder heeft een door de grondeigenaar ingebrachte bedenking tegen het ontbreken van een bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf gegrond verklaard. Daarbij heeft hij verwezen naar de overwegingen die hij ten grondslag heeft gelegd aan de onthouding van goedkeuring aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" van de gronden ten zuiden van de Provincialeweg. Vaststelling van de feiten 2.8.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.8.
- De gronden aan de Hoge Dijk 48 liggen ten zuiden van de Provincialeweg in Oosteind. Aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" van de desbetreffende gronden heeft verweerder goedkeuring onthouden. 2.8.
- Uit het in overweging 2.6.
- weergegeven streekplanbeleid voor de gronden ten zuiden van de Provincialeweg volgt dat nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven in overeenstemming is met het streekplan. Het oordeel van de Afdeling 2.8.
- Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet aan zijn beleid kon vasthouden omdat de procedure in verband met een door het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout alsnog verleende bouwvergunning ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet was afgerond. Hiervoor is reeds geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de gronden ten zuiden van de Provincialeweg in Oosteind toegekende hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Er bestaat geen grond op dit oordeel terug te komen voor zover het betrekking heeft op de gronden van het perceel Hoge Dijk
- Het beroep van [appellanten sub 9] en [appellanten sub 18] is ook in zoverre ongegrond. PROVINCINCIALEWEG 160 Het standpunt van appellanten 2.
- [appellanten sub 9] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" van het perceel Provincialeweg
- Zij voeren daartoe aan dat verweerder heeft miskend dat ten aanzien van het perceel ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de verleende vergunning voor de oprichting van een glastuinbouwbedrijf nog niet rechtens onaantastbaar was. Het standpunt van verweerder 2.9.
- Verweerder heeft erop gewezen dat het perceel is gelegen in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg in Oosteind met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", waaraan hij goedkeuring heeft onthouden. In verband daarmee heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de raad bij de herziening van het plan ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening rekening dient houden met de verleende bouwvergunning en met de overwegingen die aan de onthouding van goedkeuring aan de hoofdbestemming ten grondslag zijn gelegd. Het oordeel van de Afdeling 2.9.
- Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet aan zijn beleid kon vasthouden omdat de procedure in verband met een door het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout geweigerde bouwvergunning ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet was afgerond. Hiervoor is reeds geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de gronden ten zuiden van de Provincialeweg in Oosteind toegekende hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Er bestaat geen grond om met betrekking tot het perceel Provincialeweg 160 anders te oordelen. Het beroep van [appellanten sub 9] is ook in zoverre ongegrond. GRIENDSTEEG ONGENUMMERD Het standpunt van appellanten 2.
- [appellanten sub 9] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", van het perceel Griendsteeg ongenummerd. Zij voeren daartoe aan dat verweerder heeft miskend dat ten aanzien van het perceel ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de verleende vergunning voor de oprichting van een glastuinbouwbedrijf nog niet rechtens onaantastbaar was. Het standpunt van verweerder 2.10.
- Verweerder heeft verwezen naar de ambtshalve overwegingen die hij ten grondslag heeft gelegd aan de onthouding van goedkeuring aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" die aan het perceel is toegekend. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf op de desbetreffende gronden, niet kan worden aanvaard. Het oordeel van de Afdeling 2.10.
- Het betoog in beroep berust op een onjuiste lezing van het bestreden besluit. Weliswaar heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" die aan het desbetreffende perceel is toegekend, maar uit het bestreden besluit volgt niet dat de raad bij de herziening van het plan ingevolge het bepaalde in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een medebestemming moet toekennen die voorziet in een bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf voor de desbetreffende gronden. Het beroep van [appellanten sub 9] mist in zoverre feitelijke grondslag en is derhalve in zoverre ongegrond. GRONDEN NABIJ DE EKELSTRAAT Het standpunt van appellanten 2.
- De ZLTO en [appellant sub 19] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 19, twaalfde lid, van de planvoorschriften, voorzover dit voorschrift betrekking heeft op gronden nabij de Ekelstraat. De uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven in het desbetreffende gebied is na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid ten onrechte beperkt tot maximaal drie hectare, hetgeen volgens appellanten in strijd is met het streekplan. Standpunt van verweerder 2.11.
- Verweerder heeft geen aanleiding gezien het bestreden planvoorschrift, voor zover dat betrekking heeft op de gronden nabij de Ekelstraat, in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de desbetreffende gronden in het streekplan niet zijn aangeduid als vestigingsgebied voor glastuinbouw, en dat het streekplan voor glastuinbouwbedrijven buiten de vestigingsgebieden overeenkomstig artikel 19, twaalfde lid, van de planvoorschriften, voorziet in uitbreiding tot maximaal drie hectare. Vaststelling van de feiten 2.11.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.11.
- Aan de door appellanten bedoelde gronden nabij de Ekelstraat is de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" toegekend. De gronden zijn op plankaart 2 "Ontwikkelingen" aangeduid als "AHS-landschap". Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften mag, voor zover hier van belang, op de als zodanig bestemde gronden niet worden gebouwd. Aan bestaande glastuinbouwbedrijven in het desbetreffende gebied is de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" toegekend. Ingevolge artikel 15, vierde lid, onder e, sub 3, van de planvoorschriften, is nieuwbouw van kassen op de als zodanig medebestemde gronden uitgesloten, behoudens ten behoeve van de op de detailplankaart als glastuinbouwbedrijf aangeduide bedrijven tot een maximum van twee hectare. Ingevolge artikel 15, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften zijn kassen ten behoeve van glastuinbouwbedrijven binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan. Volgens de bij artikel 18 van de planvoorschriften behorende tabel 2 ("Wijziging ex artikel 11 WRO") zijn burgemeester en wethouders bevoegd, voor zover hier van belang, de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" te wijzigen in de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-". Voor de toepassing van deze bevoegdheid vormt, voor zover hier van belang, artikel 19, twaalfde lid, tweede zin, van de beschrijving in hoofdlijnen, het toetsingskader. Ingevolge voornoemde bepaling is uitbreiding van het bestemmingsvlak/bebouwingsvlak van glastuinbouwbedrijven die zijn gelegen in het gebied dat op plankaart 2 "Ontwikkelingen" als "AHS-landschap" is aangeduid, in beginsel toegestaan tot maximaal drie hectare, tenzij er overwegende bezwaren zijn van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard. 2.11.
- De gronden nabij de Ekelstraat zijn op de streekplankaart niet voorzien van de aanduiding "vestigingsgebied glastuinbouw". Het streekplan laat buiten de vestigingsgebieden uitbreiding van glasopstanden tot een oppervlakte van maximaal drie hectare toe. Het oordeel van de Afdeling 2.11.
- Artikel 19, twaalfde lid, van de planvoorschriften maakt deel uit van de beschrijving in hoofdlijnen. Ingevolge artikel 19, eerste lid, is de beschrijving in hoofdlijnen het toetsingskader voor de toepassing van vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 18, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften. Het plan voorziet niet in een wijzigingsbevoegdheid voor het verruimen van de op de gronden met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" ingevolge artikel 15, vierde lid, onder e, sub 3, van de planvoorschriften bij recht toegelaten en door verweerder goedgekeurde maximale bebouwde oppervlakte van twee hectare per bouwvlak. Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien leidt tot de conclusie dat het plan voorziet in een wijzigingsbevoegdheid om het bouwvlak te vergroten tot drie hectare maar dat binnen het aldus verruimde bouwvlak de bouw van glasopstanden is beperkt tot een maximale oppervlakte van 2 hectare. Het betoog ter zitting van verweerder dat ingevolge artikel 15, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften binnen het gehele bestemmingsvlak kassen zijn toegelaten zodat toch tot een oppervlakte van drie hectare kan worden gebouwd, leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze bepaling betrekking heeft op de situering van de glasopstanden binnen het bouwvlak en niet op de oppervlakte daarvan. 2.11.
- Hoofdstuk 5 van het streekplan biedt de mogelijkheid af te wijken van de beleidslijn, dat buiten de vestigingsgebieden voor glastuinbouw uitbreiding van glasopstanden tot maximaal drie hectare mogelijk is. Het college van gedeputeerde staten is daartoe bevoegd in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. Verweerder heeft geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in het streekplan aanwezig behoeven te achten, op grond waarvan hij bij de beoordeling van het bestemmingsplan in zoverre toepassing had moeten geven aan zijn bevoegdheid om van de beleidslijn af te wijken door op genoemde gronden glasopstanden die ruimer zijn drie hectare toelaatbaar te achten. 2.11.
- Nu verweerder zich op het standpunt stelt dat uitbreiding van glasopstanden tot drie hectare op de desbetreffende gronden in overeenstemming is met het streekplan, en hij er bij de goedkeuring van het bestemmingsplan ten onrechte van is uitgegaan dat het bestemmingsplan op bedoelde gronden voorziet in de mogelijkheid tot een verruiming van glasopstanden tot drie hectare, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de ZLTO en [appellant sub 19] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 19, twaalfde lid, tweede zin, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op de gronden nabij de Ekelstraat met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden". GRONDEN TUSSEN HEISTRAAT EN WILHELMINAKANAAL Het standpunt van appellanten 2.
- [appellanten sub 12] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" die is toegekend aan gronden tussen de Heistraat en het Wilhelminakanaal. Zij voeren daartoe aan dat het plan op deze gronden ten onrechte niet voorziet in nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven en onvoldoende mogelijkheden biedt voor doorgroei van bestaande glastuinbouwbedrijven. Het gebied vertegenwoordigt volgens appellanten geen landschappelijke waarden die de beperkingen rechtvaardigen. Het standpunt van verweerder 2.12.
- Verweerder heeft de door [appellanten sub 12] bestreden hoofdbestemming niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de desbetreffende gronden in het streekplan niet zijn aangeduid als vestigingsgebied voor glastuinbouw en dat het streekplan voor glastuinbouwbedrijven buiten de vestigingsgebieden overeenkomstig artikel 19, twaalfde lid, van de planvoorschriften, voorziet in uitbreiding tot maximaal drie hectare. Vaststelling van de feiten 2.12.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens 2.12.
- In het streekplan zijn de door [appellanten sub 12] bedoelde gronden niet aangeduid als "vestigingsgebied glastuinbouw". Het streekplan laat buiten de vestigingsgebieden uitbreiding van glasopstanden tot een oppervlakte van maximaal drie hectare toe. Het oordeel van de Afdeling 2.12.
- In overweging 2.11.7 is geoordeeld dat verweerder ten onrechte ervan uitgaat dat het plan na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uitbreiding van glasopstanden tot drie hectare mogelijk maakt. Bedoelde overwegingen zijn ook van toepassing op de gronden tussen de Heistraat en het Wilhelminakanaal, hetgeen met zich brengt dat het plan, anders dan verweerder meent, op de desbetreffende gronden geen uitbreiding van glasopstanden tot drie hectare per bouwvlak toelaat. 2.12.
- Hoofdstuk 5 van het streekplan biedt de mogelijkheid af te wijken van de beleidslijn, dat buiten de vestigingsgebieden voor glastuinbouw uitbreiding van glasopstanden tot maximaal drie hectare en nieuwvestiging mogelijk is. Het college van gedeputeerde staten is daartoe bevoegd in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. Dat het gebied geen bijzondere landschappelijke waarden vertegenwoordigt, zoals appellanten hebben betoogd, wordt geacht te zijn verdisconteerd in het streekplan en behoefde voor verweerder derhalve geen aanleiding te zijn in afwijking van het streekplan op bedoelde gronden nieuwvestiging en uitbreiding van glasopstanden tot meer dan drie hectare per bouwvlak, toelaatbaar te achten. 2.12.
- Nu verweerder zich op het standpunt stelt dat uitbreiding van glasopstanden tot drie hectare op de desbetreffende gronden in overeenstemming is met het streekplan en hij er bij de goedkeuring van het bestemmingsplan ten onrechte van is uitgegaan dat het bestemmingsplan op bedoelde gronden voorziet in de mogelijkheid tot verruiming van glasopstanden tot drie hectare, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 19, twaalfde lid, tweede zin, van de planvoorschriften, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellanten sub 12] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 19, twaalfde lid, tweede zin, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op de gronden tussen de Heistraat en het Wilhelminakanaal met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden". PERCEEL [LOCATIE 2] Het standpunt van appellanten 2.
- [appellanten sub 6] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" van hun gronden aan de [locatie 2]. Zij voeren aan het gebied waarin hun gronden liggen een primair agrarisch gebied betreft dat in het streekplan is aangeduid als "AHS-landbouw". Appellanten stellen voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de differentiatie "dikke eerdgronden" die aan hun gronden is toegekend. Appellanten stellen dat zij hun gronden al ruim 20 jaar bewerken en betwisten de aanwezigheid van beschermingswaardige dikke eerdgronden. Nu deze waarden niet aanwezig zijn, is het afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van de gronden ten onrechte aangemerkt als strijdig gebruik, evenals het aanbrengen van een drainagesysteem. Appellanten stellen in beroep tevens dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" van hun gronden aan de [locatie 2]. Het toegekende bouwvlak is te klein zodat het ketelhuis, de opslagplaats voor vloeibare mest en de verkoopkas daarbuiten vallen. Voorts biedt het bouwvlak geen ruimte voor de verplichte aanleg van een waterbassin. Het standpunt van verweerder 2.13.
- Verweerder heeft de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Wel heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan op de desbetreffende gronden te weinig uitbreidingsmogelijkheden biedt aan grondgebonden agrarische bedrijven en voorts, dat de voorschriften te beperkend zijn met het oog op de oprichting van teeltondersteunende voorzieningen in het gebied. Verweerder heeft gelet hierop goedkeuring onthouden aan artikel 19, negende lid, van de planvoorschriften en aan artikel 19, achttiende lid, onder g, sub 3, van de planvoorschriften, voor zover betrekking hebben op de gronden nabij de Ekelstraat. Ten aanzien van de differentiatie "dikke eerdgronden" heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze gronden vanwege hun zeldzaamheid beschermd dienen te worden. Ten aanzien van de omvang van het bouwvlak heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat buiten het bouwvlak geen bouwwerken zijn gesitueerd die binnen het bouwvlak thuishoren, en dat de omvang van het bouwvlak derhalve toereikend is. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" voor zover die de omvang van het toegekende bouwvlak betreft. Verweerder is bij nader inzien van mening dat de omvang van het toegekende bouwvlak te beperkt is. Vaststelling van de feiten 2.13.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.13.
- Op nagenoeg het gehele perceel is een kas gevestigd. De gronden worden al ruim 20 jaar bewerkt. 2.13.
- Blijkens de plantoelichting zijn de zogenoemde dikke eerdgronden ontstaan omdat de mens gedurende vele honderden jaren de akkers rond de nederzettingen ophoogde met mest, stro, huisvuil, heideplaggen en geel zand. Op die manier kon een laag van 30 tot 50 cm op de oorspronkelijke bodem ontstaan. De dikke eerdgronden zijn volgens de plantoelichting kenmerkend voor de cultuurhistorische aspecten van het landschap. Het oordeel van de Afdeling 2.13.
- Door de onthouding van goedkeuring aan artikel 19, negende lid, van de planvoorschriften en aan artikel 19, achttiende lid, onder g, sub 3, van de planvoorschriften, voor zover betrekking hebbend op de gronden nabij de Ekelstraat, heeft verweerder beoogd aan de bedenkingen van appellanten tegen de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" tegemoet te komen. Appellanten hebben zich in hun beroepschrift beperkt tot een nagenoeg woordelijke herhaling van hetgeen zij bij verweerder als bedenking tegen de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" naar voren hebben gebracht, en hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de onthouding van goedkeuring, mede naar aanleiding van de door appellanten ingediende bedenking, niet toereikend zou zijn. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding verder op de beroepsgrond gericht tegen de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" in te gaan. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" van het de gronden aan de Ekelstraat. Het beroep van [appellanten sub 6] is in zoverre ongegrond. 2.13.
- Hierna, in overweging 2.55.6., is overwogen dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de differentiatievlakken "dikke eerdgronden" op waardenkaart 1 niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en dat het bestreden besluit derhalve in zoverre dient te worden vernietigd. Daaruit volgt dat alsnog deugdelijk onderzoek verricht zal moeten worden naar de aanwezigheid van dikke eerdgronden op het desbetreffende perceel. Dit betekent voor het perceel van appellanten dat op grond van de resultaten van dat onderzoek vervolgens dient te worden afgewogen welk gebuik in verband met de bescherming van eventuele dikke eerdgronden als strijdig moet worden aangemerkt, en welk gebruik toelaatbaar is na het verlenen van een aanlegvergunning. Het beroep van [appellanten sub 6] is daarmee in zoverre gegrond. 2.13.
- Nu verweerder zich ten aanzien van de omvang van het bouwvlak op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellanten sub 6] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het bouwvlak van de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" op het perceel [locatie 2], dat op detailplankaart 105 is aangegeven, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. PERCEEL [LOCATIE 3] Het standpunt van appellant 2.
- [appellant sub 10] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" die aan zijn perceel [locatie 3] is toegekend. Hij voert daartoe aan dat de gronden in het streekplan zijn aangeduid als "AHS-landbouw" en dat de hoofdbestemming in zoverre in strijd is met het streekplan. Voorts vertegenwoordigt het perceel volgens appellanten geen waarden die de toegekende hoofdbestemming rechtvaardigen. Voorts stelt appellant dat verweerder heeft miskend dat zijn bouwvlak onvoldoende reële mogelijkheden biedt voor de uitbreiding van zijn bedrijf. Appellant stelt voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de differentiatie "dikke eerdgronden" die aan zijn gronden is toegekend. Hij betwist de aanwezigheid van beschermingswaardige dikke eerdgronden. Nu deze waarden niet aanwezig zijn, is het afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van de gronden ten onrechte aangemerkt als strijdig gebruik, evenals het aanbrengen van een drainagesysteem. Tevens stelt appellant dat in het door verweerder goedgekeurde plan ten onrechte niet is voorzien in een bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf. Daardoor kan hij zijn huidige agrarische bedrijf niet omschakelen naar een glastuinbouwbedrijf. Appellant voert in dit verband aan dat omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf in overeenstemming is met de "Nota Glastuinbouw". Het standpunt van verweerder 2.14.
- Verweerder heeft de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Wel heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan op de desbetreffende gronden te weinig uitbreidingsmogelijkheden biedt aan grondgebonden agrarische bedrijven en voorts, dat de voorschriften te beperkend zijn met het oog op de oprichting van teeltondersteunende voorzieningen. Verweerder heeft gelet hierop goedkeuring onthouden aan artikel 19, negende lid, van de planvoorschriften en aan artikel 19, achttiende lid, onder g, sub 3, van de planvoorschriften, voor zover deze betrekking hebben op het gebied waarin het perceel van appellant ligt. Voorts heeft verweerder het standpunt ingenomen dat appellant bij gebleken noodzaak het college kan verzoeken met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid zijn bouwvlak te verruimen. Ten aanzien van de differentiatie "dikke eerdgronden" heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze gronden vanwege hun zeldzaamheid beschermd dienen te worden. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het streekplan omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf alleen toelaat op gronden die in een "vestigingsgebied glastuinbouw"liggen. De gronden van appellant liggen volgens verweerder niet in een dergelijk gebied. De omvang van het toegekende bouwvlak heeft verweerder toereikend geacht. Vaststelling van de feiten 2.14.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.14.
- Appellant exploiteert ter plaatse sinds 1986 een vollegrondstuinbouwbedrijf dat gericht is op de teelt van bloemen en aardbeien. Op de gronden staan vier tunnelkassen waarin aardbeien worden geteelt. 2.14.
- Aan de gronden van appellant is de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" toegekend en de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" met de nadere aanduiding "g."(grondgebonden). Ingevolge artikel 15, vierde lid, onder e, aanhef en sub 3, van de planvoorschriften, is nieuwbouw van kassen op de gronden met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" uitgesloten, behoudens ten behoeve van de op detailplankaarten als glastuinbouwbedrijf aangeduide glastuinbouwbedrijven. 2.14.
- De gronden van appellant liggen niet in een gebied dat in het streekplan is aangeduid als "vestigingsgebied glastuinbouw". Het streekplan laat buiten de vestigingsgebieden geen omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf toe. 2.14.
- De "Nota Glastuinbouw" is op 24 augustus 1999 door verweerder vastgesteld, derhalve ten tijde van het voorheen van toepassing zijnde streekplan. In het overgangsbeleid van het op 15 maart 2002 in werking getreden streekplan is vermeld dat de "Nota Glastuinbouw" van kracht blijft, totdat deze is herzien of ingetrokken. Bij strijdigheid van deze nota met het streekplan geldt de inhoud van dit plan. Het oordeel van de Afdeling 2.14.
- Door de onthouding van goedkeuring aan artikel 19, negende lid, van de planvoorschriften en aan artikel 19, achttiende lid, onder g, sub 3, van de planvoorschriften, heeft verweerder beoogd aan de bedenkingen van appellant tegen de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" tegemoet te komen. Appellant heeft zich in zijn beroepschrift beperkt tot een nagenoeg woordelijke herhaling van hetgeen hij bij verweerder als bedenking tegen de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" naar voren heeft gebracht, en heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de onthouding van goedkeuring niet toereikend zou zijn. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding verder op de beroepsgrond gericht tegen de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" in te gaan. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" van de gronden aan de [locatie 3]. Het beroep van [appellant sub 10] is in zoverre ongegrond. 2.14.
- Hierna, in overweging 2.55.6., is overwogen dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de differentiatievlakken "dikke eerdgronden" op waardenkaart 1 niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en dat het bestreden besluit derhalve in zoverre dient te worden vernietigd. Daaruit volgt dat alsnog deugdelijk onderzoek verricht zal moeten worden naar de aanwezigheid van dikke eerdgronden. Dit betreft ook het perceel van appellant. Op grond van de resultaten van dat onderzoek dient vervolgens afgewogen te worden welk gebruik in verband met de bescherming van eventuele dikke eerdgronden als strijdig moet worden aangemerkt, en welk gebruik toelaatbaar is na het verlenen van een aanlegvergunning. Het beroep van [appellant sub 10] is in zoverre gegrond. 2.14.
- Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het streekplan omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf op de gronden aan de Heikant niet toelaat. Daargelaten de vraag of de "Nota Glastuinbouw" omschakeling ter plaatse toelaat, moet worden vastgesteld dat daaraan in dat geval, gelet op het overgangsbeleid van het streekplan, voorbij gegaan dient te worden. Hoofdstuk 5 van het streekplan biedt de mogelijkheid af te wijken van de beleidslijn dat buiten de vestigingsgebieden omschakeling naar glastuinbouw niet mogelijk is. Het college van gedeputeerde staten is daartoe bevoegd in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. Dat bij agrariërs die buiten de vestigingsgebieden een grondgebonden bedrijf exploiteren, de behoefte kan ontstaan om te schakelen naar glastuinbouw, moet geacht worden te zijn verdisconteerd in het streekplan en behoefde voor verweerder derhalve geen aanleiding te zijn in afwijking van het streekplan op bedoelde gronden omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf toelaatbaar te achten. Het beroep van [appellant sub 10] is in zoverre ongegrond. 2.14.
- Voor zover het de omvang van het bouwvlak betreft, heeft verweerder miskend dat appellant met zijn bedenkingen heeft beoogd dat hem bij recht reële uitbreidingsmogelijkheden worden toegekend. Verweerder heeft volstaan met appellant te wijzen op de mogelijkheid het college bij gebleken noodzaak te verzoeken met toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zijn bouwvlak te verruimen. Door met dit standpunt te volstaan, heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of appellant binnen het toegekende bouwvlak voldoende reële uitbreidingsmogelijkheden heeft en of er aanleiding bestaat hem eventueel alsnog bij recht binnen het bouwvlak voldoende reële uitbreidingsmogelijkheden te bieden. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 10] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover het betrekking heeft op het bouwvlak van de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" met de nadere aanduiding "g."(grondgebonden) van het perceel [locatie 3], dat op detailplankaart nummer 56 is aangegeven. GLASTUINBOUW TEN NOORDEN VAN DE PROVINCIALEWEG BIJ OOSTEIND Het standpunt van appellanten 2.
- De ZLTO, [appellant sub 19] en [appellant sub 5] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 15, vierde lid, onder e, sub 3, van de planvoorschriften voorzover dat betrekking heeft op de gronden met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" ten noorden van de Provincialeweg. Dit voorschrift is volgens appellanten in strijd met het streekplan omdat daarmee de uitbreiding bij recht van glastuinbouwbedrijven tot maximaal twee hectare wordt beperkt. De ZLTO en [appellant sub 19] stellen voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 19, twaalfde lid, tweede zin, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op voornoemde gronden ten noorden van de Provincialeweg. De uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven in de desbetreffende gebieden is na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid ten onrechte beperkt tot maximaal drie hectare, hetgeen volgens appellanten in strijd is met het streekplan. [appellant sub 5] voert voorts aan dat verweerder heeft miskend dat, anders dan de raad heeft beoogd, het plan geen wijzigingsbevoegdheid bevat teneinde de bij recht toegelaten oppervlakte aan kassen binnen het bouwvlak te verruimen tot drie hectare. Het standpunt van verweerder 2.15.
- Verweerder heeft artikel 15, vierde lid, onder e, sub 3, van de planvoorschriften niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de bescherming van de openheid van de ten noorden van de Provincialeweg gelegen Willemspolder noopt tot een beperking van de oppervlakte van glasopstanden bij recht tot twee hectare en na wijziging tot drie hectare. Voorts heeft hij zich anders dan appellant [appellant sub 5] op het standpunt gesteld dat het plan na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid een uitbreiding van glasopstanden tot drie hectare mogelijk maakt. Vaststelling van de feiten 2.15.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens 2.15.
- De gronden ten noorden van de Provincialeweg zijn in het streekplan gesitueerd in de hoofdzone "landbouw" van de agrarische hoofdstructuur (hierna: AHS-landbouw). Het gebied is op de streekplankaart voorts aangeduid als subzone "vestigingsgebied glastuinbouw". Uit het streekplan blijkt dat de als zodanig aangeduide gebieden zijn bedoeld voor de concentratie van glastuinbouwbedrijven. Gemeenten zullen moeten bepalen tot welke omvang individuele bedrijven in de nader begrensde vestigingsgebieden mogen groeien. Hierbij geldt dat de omvang van glastuinbouwbedrijven in vestigingsgebieden in beginsel alleen mag worden beperkt, voor zover dat noodzakelijk is in verband met ter plaatse aanwezige waarden en belangen van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard. 2.15.
- De gronden ten noorden van de Provincialeweg, de zogeheten Willemspolder, zijn blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, een waardevol open agrarisch gebied. Het betreft tevens een waterhuishoudkundig waardevol gebied vanwege de ligging in het overgangsgebied tussen klei- en zandgronden. 2.15.
- Aan de gronden ten noorden van Provincialeweg is de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" toegekend. De gronden zijn op plankaart 2 "Ontwikkelingen" aangeduid als "AHS-landschap". Op waardenkaart 3 (Landschap) zijn de gronden aangeduid als "open gebied". Aan bestaande glastuinbouwbedrijven in het desbetreffende gebied is de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" toegekend. Ingevolge artikel 15, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften zijn kassen ten behoeve van glastuinbouwbedrijven binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan. Ingevolge artikel 15, vierde lid, onder e, sub 3, van de planvoorschriften, is de nieuwbouw van kassen op de als zodanig medebestemde gronden uitgesloten, behoudens ten behoeve van de op de detailplankaart als glastuinbouwbedrijf aangeduide bedrijven tot een maximum van twee hectare. 2.15.
- Volgens de bij artikel 18 van de planvoorschriften behorende tabel 2 ("Wijziging ex artikel 11 WRO") zijn burgemeester en wethouders bevoegd, voor zover hier van belang, de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" te wijzigen in de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-". Voor de toepassing van deze bevoegdheid vormt, voor zover hier van belang, artikel 19, twaalfde lid, tweede zin, van de beschrijving in hoofdlijnen het toetsingskader. Ingevolge voornoemde bepaling is uitbreiding van het bestemmingsvlak/bebouwingsvlak van glastuinbouwbedrijven die zijn gelegen in het gebied dat op plankaart 2 "Ontwikkelingen" als "AHS-landschap" is aangeduid, in beginsel toegestaan tot maximaal drie hectare, tenzij er overwegende bezwaren zijn van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard. Het oordeel van de Afdeling 2.15.
- Het streekplan laat in de "vestigingsgebieden glastuinbouw" die zijn gelegen in de AHS-landbouw van het streekplan een beperking van de glasopstanden om onder meer landschappelijke en waterhuishoudkundige redenen toe. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebied ten noorden van de Provincialeweg waarden vertegenwoordigt die de raad op goede gronden in het bestemmingsplan heeft beoogd te beschermen, onder meer door de uitbreiding bij recht van glasopstanden in de Willemspolder per bouwvlak te beperken tot twee hectare. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 15, vierde lid, onder e, sub 3, van de planvoorschriften, voor zover betrekking hebben op de gronden in de Willemspolder, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan. Het beroep van de ZLTO, [appellant sub 19] en [appellant sub 5] is in zoverre ongegrond. 2.15.
- Voorts bestaat gelet op de waarden van het gebied geen aanleiding te oordelen dat verweerder in de Willemspolder een verdergaande uitbreiding dan drie hectare, na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, aanvaardbaar had moeten achten. Zoals echter in overweging 2.11.5 reeds is overwogen, heeft verweerder miskend dat artikel 19, twaalfde lid, tweede zin, van de planvoorschriften, anders dan beoogd, na toepassing van de daarin vervatte wijzigingsbevoegdheid, geen uitbreiding tot drie hectare mogelijk maakt. Nu verweerder zich op het standpunt stelt dat uitbreiding van glasopstanden tot drie hectare in de Willemspolder in overeenstemming is met het streekplan en hij er bij de goedkeuring van het bestemmingsplan ten onrechte vanuit is gegaan dat het bestemmingsplan op bedoelde gronden voorziet in de mogelijkheid tot een verruiming van glasopstanden tot drie hectare, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de ZLTO, [appellant sub 19], en [appellant sub 5] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 19, twaalfde lid, tweede zin, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op de gronden met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" en de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" met de aanduiding "gt" (glastuinbouw) ten noorden van de Provincialeweg in Oosteind. PERCEEL [LOCATIE 4] ([appellant sub 5]) Het standpunt van appellant 2.
- [appellant sub 5] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" die aan zijn gronden aan de [locatie 4] is toegekend. Hij voert daartoe aan dat een deel van de bebouwing die hij op grond van een rechtens onaantastbare bouwvergunning mag oprichten, buiten het bouwvlak valt en derhalve ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Het standpunt van verweerder 2.16.
- Verweerder heeft de bestreden medebestemming niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Daarbij heeft hij het standpunt ingenomen dat appellant ingevolge de verleende bouwvergunning zijn glasopstand kan realiseren. Het oordeel van de Afdeling 2.16.
- In het deskundigenbericht is vermeld dat appellant ingevolge de hem verleende bouwvergunning, zijn glasopstand binnen het op zijn glastuinbouwbedrijf betrekking hebbende bouwvlak, kan realiseren. In zijn reactie op het deskundigenbericht heeft appellant de inhoud van het deskundigenbericht in zoverre gemotiveerd bestreden. Het verhandelde ter zitting heeft onvoldoende uitsluitsel gegeven over de vraag of het bouwvlak toereikend om de vergunde bebouwing te kunnen realiseren. Verweerder heeft met zijn standpunt miskend dat de bedenking niet gericht was op de realisering van de bouwvergunning als zodanig, maar op de realisering van de bouwvergunning in overeenstemming met het bestemmingsplan. Verweerder heeft voorts uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, het noodzakelijke feitenonderzoek ten onrechte achterwege gelaten. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 5] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover verweerder daarbij goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" van het perceel [locatie 4], als aangegeven op detailplankaart
- [LOCATIE 5] ([appellant sub 19]) Het standpunt van appellant 2.
- [appellant sub 19] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de hoofdbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" van zijn gronden aan de [locatie 5]. Daardoor kan hij zijn glasopstand bij recht niet uitbreiden tot drie hectare. Het standpunt van verweerder 2.17.
- Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwvlak voldoende ruim is en heeft daaraan goedkeuring verleend. Vaststelling van de feiten 2.17.
- De gronden van appellant zijn gesitueerd in de Willemspolder. Het oordeel van de Afdeling 2.17.
- In overweging 2.15.7 heeft de Afdeling overwogen dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 15, vierde lid, onder e, sub 3, van de planvoorschriften, dat uitbreiding bij recht van glasopstanden tot twee hectare mogelijk maakt, voor zover betrekking hebbend op de gronden in de Willemspolder, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het betoog in beroep van appellant geeft geen aanleiding op om tot een ander oordeel te komen met betrekking tot het bouwvlak van appellant. Het beroep van [appellant sub 19] is in zoverre ongegrond. OMVANG EN UITBREIDING GLASTUINBOUWBEDRIJVEN BUITEN VESTIGINGSGEBIEDEN VOOR GLASTUINBOUW Het standpunt van appellanten 2.
- De ZLTO, [appellant sub 19] en [appellant sub 5] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 15, vierde lid, onder e, sub 3, van de planvoorschriften. Daardoor is de uitbreiding bij recht van glastuinbouwbedrijven buiten de vestigingsgebieden in de AHS-landbouw van het streekplan volgens appellanten ten onrechte beperkt tot twee hectare. [appellant sub 5] stelt voorts dat verweerder heeft miskend dat het plan weliswaar de mogelijkheid biedt na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid het bestemmingsvlak van een glastuinbouwbedrijf te verruimen tot drie hectare, maar dat het plan geen wijzigingsbevoegdheid bevat om de daarbinnen bij recht toegelaten oppervlakte van twee hectare te wijzigen. Het standpunt van verweerder 2.18.
- Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uitbreiding van glastuinbouwbedrijven buiten de vestigingsgebieden in de AHS-landbouw van het streekplan is toegestaan tot maximaal drie hectare en dat het plan een dergelijke uitbreiding na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk maakt. Hij heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Vaststelling van de feiten 2.18.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.18.
- Volgens het streekplan is uitbreiding van bouwvlakken voor glastuinbouwbedrijven buiten de vestigingsgebieden in de AHS-landbouw in beginsel toegestaan tot een maximale netto glasopstand van drie hectare. 2.18.
- De gronden van het plangebied die in het streekplan als "AHS-landbouw zijn aangeduid, zijn in het voorliggende bestemmingsplan voor een deel aangeduid als "AHS-landbouw" en voor een andere deel als "AHS-landschap". Het oordeel van de Afdeling 2.18.
- Door het gebruik van de woorden "in beginsel" biedt het streekplan geen aanknopingspunt voor het oordeel dat glastuinbouwbedrijven buiten de vestigingsgebieden in de AHS-landbouw van het streekplan zonder meer hun glasopstand tot maximaal drie hectare mogen uitbreiden. Het standpunt van verweerder, dat een uitbreiding bij recht tot twee hectare en tot drie hectare na toepassing van een in het plan vervatte wijzigingsbevoegdheid aanvaardbaar kan worden geacht, acht de Afdeling redelijk. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 15, vierde lid, onder e, sub 3, van de planvoorschriften, voor zover betrekking hebbend op glastuinbouwbedrijven in delen van het plangebied die in het streekplan als AHS-landbouw zijn aangeduid, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan. Het beroep van de ZLTO, [appellant sub 19] en [appellant sub 5] is in zoverre ongegrond. 2.18.
- Zoals echter in overweging 2.11.5 reeds is overwogen, heeft verweerder miskend dat artikel 19, twaalfde lid, tweede zin, van de planvoorschriften, anders dan beoogd, na toepassing van de daarin vervatte wijzigingsbevoegdheid, geen uitbreiding tot drie hectare van glasopstanden in de AHS-landschap van het bestemmingsplan mogelijk maakt. Dit oordeel is eveneens van toepassing ten aanzien van artikel 19, vijftiende lid, van de planvoorschriften, waarmee wordt beoogd uitbreiding van glasopstanden in de AHS-landbouw van het bestemmingsplan tot drie hectare mogelijk te maken. Nu verweerder zich op het standpunt stelt dat uitbreiding van glasopstanden tot drie hectare buiten de vestigingsgebieden in de AHS-landbouw van het streekplan in overeenstemming is met het streekplan en hij bij de goedkeuring van het bestemmingsplan er ten onrechte van is uitgegaan dat het bestemmingsplan op bedoelde gronden voorziet in de mogelijkheid tot een verruiming van glasopstanden tot drie hectare, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de ZLTO, [appellant sub 19], en [appellant sub 5] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 19, twaalfde lid, tweede zin, en artikel 19, vijftiende lid, van de planvoorschriften, voor zover deze bepalingen betrekking hebben op gronden waaraan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" en de aanduiding "gt" (glastuinbouw) is toegekend. GOOT- EN NOKHOOGTE AGRARISCHE BEDRIJFSGEBOUWEN Het standpunt van appellanten 2.
- De BMF en anderen stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 15, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften. Zij voeren daartoe aan dat de in het planvoorschrift toegelaten goot- en nokhoogte van agrarische bedrijfsgebouwen van 6 respectievelijk 10 meter, een aantasting van het landschap met zich zal brengen. De ZLTO en [appellant sub 19] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 15, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften omdat niet is voorzien in een voorschrift om van deze bepaling vrijstelling te verlenen tot een goot- en nokhoogte van 8 meter respectievelijk 12 meter. Zij betogen dat de toegelaten hoogte in incidentele gevallen een onnodige belemmering van de bedrijfsvoering met zich zal brengen. Het standpunt van verweerder 2.19.
- Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de toegelaten goot- en nokhoogte gangbaar zijn en heeft aan het bestreden planvoorschrift goedkeuring verleend. Als in een incidenteel geval de noodzaak bestaat voor het oprichten van hogere bebouwing, kan dit via een afzonderlijke procedure worden bewerkstelligd. Vaststelling van de feiten 2.19.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.19.
- Naar aanleiding van een door de ZLTO naar voren gebrachte zienswijze is het bestreden planvoorschrift gewijzigd vastgesteld. De toegelaten goothoogte is ten opzichte van het ontwerp-plan verruimd van 4,5 naar 6 meter, en de toegelaten goothoogte is verruimd van 9 naar 10 meter. De BMF en anderen hebben tegen het bepaalde in artikel 15, vierde lid, onder f, van de voorschriften van het ontwerp-bestemmingsplan geen zienswijze kenbaar gemaakt. Het oordeel van de Afdeling 2.19.
- Omdat de BMF en anderen geen zienswijze tegen het ontwerp-bestemmingsplan naar voren hebben gebracht, kan hier uitsluitend ter beoordeling staan of verweerder de verruiming van de goot-en nokhoogte bij de vaststelling van het plan aanvaardbaar heeft kunnen achten. Appellanten hebben hun stelling dat de verruiming leidt tot een aantasting van het landschap in het geheel niet onderbouwd, bijvoorbeeld door het noemen van concrete locaties waarbij de toegelaten goot- en nokhoogte van agrarische bedrijfsgebouwen op landschappelijke bezwaren stuit. Reeds hierom ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat verweerder de toegelaten goot- en nokhoogte in redelijkheid niet aanvaardbaar heeft kunnen achten omdat deze te ruim is. Voorts acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat in incidentele gevallen met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend kan worden voor een verruiming van de toegelaten nok- en goothoogte niet onredelijk. Het betoog van de ZLTO en [appellant sub 19] dat het plan ten onrechte niet voorziet in een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid treft derhalve geen doel. 2.19.
- Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op standpunt kunnen stellen dat artikel 15, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan. De beroepen van de BMF en anderen, de ZLTO en [appellant sub 19] zijn in zoverre ongegrond. GOOT- EN NOKHOOGTE KASSEN Het standpunt van appellanten 2.
- Het college en [appellanten sub 9] stellen dat verweerder ten onechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 15, vierde lid, onder e, sub 4, van de planvoorschriften, volgens welke bepaling de goot- en nokhoogte van kassen respectievelijk 4,5 en 5 meter mag bedragen. Zij brengen naar voren dat de door verweerder beoogde verruiming van de goot- en nokhoogte het landschap zal aantasten. Het standpunt van verweerder 2.20.
- Verweerder heeft het bestreden planvoorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de maatvoering die de raad heeft vastgesteld niet overeenkomt met de thans gangbare maatvoering bij de bouw van glasopstanden. Daarbij heeft hij erop gewezen dat tussen de gewassen en de nok voldoende ruimte moet zijn om temperatuurschommelingen tegen te gaan. Voorts heeft hij erop gewezen dat een ruimere hoogte noodzakelijk is om schermen te kunnen plaatsen die de overlast vanwege assimilatiebelichting voor de omgeving beperken. Het oordeel van de Afdeling 2.20.
- Appellanten hebben het standpunt van verweerder dat de bedrijfsvoering van glastuinbouwbedrijven is gebaat bij de bouw van kassen met een ruimere goot- en nokhoogte, niet bestreden. Derhalve dient te worden uitgegaan van dit belang. Voorts hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat het plangebied waarden vertegenwoordigt die elke verruiming van de goot- en nokhoogte, ondanks het aanwezige bedrijfsbelang, vanuit landschappelijk oogpunt, op voorhand onaanvaardbaar maakt. 2.20.
- Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 15, vierde lid, onder e, sub 4, van de planvoorschriften, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. De beroepen van het college en van [appellanten sub 9] zijn in zoverre ongegrond. BOOMTEELT WILLEMSPOLDER Het standpunt van appellanten 2.
- De ZLTO en [appellant sub 19] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 23, Tabel Strijdig gebruik/Aanlegvergunningen, voorzover daarin het omzetten van bouwland in boomkwekerij is aangemerkt als strijdig gebruik. Het standpunt van verweerder 2.21.
- Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de openheid van de Willemspolder het vereiste van een aanlegvergunning voor het omzetten van bouwland in boomkwekerij rechtvaardigt. Vaststelling van de feiten 2.21.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.21.
- De gronden van de Willemspolder zijn op waardenkaart 3 (Landschap) aangeduid als "open gebied". Blijkens artikel 23, Tabel Strijdig gebruik/Aanlegvergunningen, van de planvoorschriften, is het omzetten van bouwland ten behoeve van boomteelt (werkzaamheid 19) in het voorliggende plan aangemerkt als "strijdig gebruik". Het oordeel van de Afdeling 2.21.
- Het standpunt van verweerder is gebaseerd op een onjuiste lezing van artikel 23, Tabel Strijdig gebruik/Aanlegvergunningen, waarin het omzetten van bouwland in grasland is aangemerkt als strijdig gebruik. 2.21.
- Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de ZLTO en van [appellant sub 19] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding "s" (strijdig) van werkzaamheid 19 (omzetten van bouwland in boomkwekerij) in de tabel "Strijdig gebruik/Aanlegvergunningen" van artikel 23 van de planvoorschriften, voor zover deze aanduiding betrekking heeft op het differentiatievlak "open gebied" van de Willemspolder. OMSCHAKELING NAAR INTENSIEVE VEEHOUDERIJ Het standpunt van appellanten 2.
- De ZLTO en [appellant sub 19] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 19, vijfde lid, van de planvoorschriften omdat daardoor omschakeling naar intensieve veehouderij in het gehele plangebied is uitgesloten. Het standpunt van verweerder 2.22.
- Verweerder heeft het bestreden planvoorschrift niet in strijd met een goede ruimtelijk ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Verweerder heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid het bestemmingsplan in een voorkomend geval te herzien. Vaststelling van de feiten 2.22.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.22.
- In artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften is, voor zover hier van belang, bepaald dat de gronden die op de detailplankaarten zijn aangewezen voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" overeenkomstig de aanduidingen op de plankaart medebestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Ingevolge artikel 1, onder 4, wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren. Op de detailplankaarten zijn de bouwvlakken binnen de plandelen met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" voorzien van één van de aanduidingen "AB", "ng." (niet grondgebonden), "g." (grondgebonden) of "gt." (glastuinbouw). In artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften wordt niet verwezen naar de aanduidingen op het renvooi. 2.22.
- Ingevolge artikel 19, vijfde lid, van de planvoorschiften is omschakeling naar een intensieve veehouderij in het gehele plangebied uitgesloten. Voornoemde bepaling is onderdeel van de beschrijving in hoofdlijnen. Ingevolge artikel 19, eerste lid, is de beschrijving in hoofdlijnen het toetsingskader voor de toepassing van vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 18, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften. Het oordeel van de Afdeling 2.22.
- Nu in de planvoorschriften niet wordt verwezen naar de aanduidingen op het renvooi van de detailplankaarten komt aan deze aanduidingen geen juridisch bindende betekenis toe. Dit brengt met zich dat op alle gronden waaraan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" is toegekend bij recht een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf kan worden uitgeoefend. Omdat de goedkeuring van het bestreden planvoorschrift niet met zich brengt dat omschakeling naar een niet-grondgebonden bedrijf niet mogelijk is, missen de beroepen van de ZLTO en [appellant sub 19] in zoverre feitelijke grondslag. De beroepen van de ZLTO en [appellant sub 19] zijn in zoverre ongegrond. UITBREIDING INTENSIEVE VEEHOUDERIJEN IN GHS-LANDBOUW en AHS-LANDSCHAP Het standpunt van appellanten 2.
- De ZLTO en [appellant sub 19] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 19, tiende lid, eerste zin van de planvoorschriften. Appellanten voeren daartoe aan dat deze bepaling met zich brengt dat intensieve veehouderijen op zogenoemde duurzame locaties hun bouwblok niet tot 2,5 hectare kunnen uitbreiden. Voorts wijzen appellanten erop dat volgens het streekplan alle intensieve veehouderijen, ook buiten de duurzame locaties, hun bouwblokken met 15% kunnen uitbreiden. 2.23.
- Verweerder heeft geen aanleiding gezien de bestreden planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft daaraan goedkeuring verleend. Vaststelling van de feiten 2.23.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.23.
- Intensieve veehouderijen mogen in de GHS-landbouw en de AHS-landschap blijkens paragraaf 3.4.7 van het streekplan eenmalig hun bouwblok uitbreiden, uitsluitend als dit noodzakelijk is vanwege de eisen voor dierenwelzijn. Verder mogen intensieve veehouderijen in de subzones leefgebied weidevogels (onderdeel van leefgebied kwetsbare soorten) en leefgebied struweelvogels van de GHS-landbouw en in de AHS-landschap op duurzame locaties voor intensieve veehouderij hun bouwblok uitbreiden tot maximaal 2,5 hectare. 2.23.
- Volgens de bij artikel 18 van de planvoorschriften behorende tabel 2 ("Wijziging ex artikel 11 WRO") zijn burgemeester en wethouders bevoegd, voorzover hier van belang, de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" te wijzigen in de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-". Voor de toepassing van deze bevoegdheid vormt, voorzover hier van belang, artikel 19, tiende en veertiende lid, van de beschrijving in hoofdlijnen, het toetsingskader. In artikel 19, tiende lid, eerste zin van de beschrijving in hoofdlijnen is bepaald dat intensieve veehouderijen binnen de bestemmingsplanzones GHS-landbouw en AHS-landschap hun bouwvlakken na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid eenmalig mogen uitbreiden als dat noodzakelijk is vanwege de eisen voor dierenwelzijn. 2.23.
- Ter zitting is van de zijde van de gemeente Oosterhout onweersproken verklaard dat bij het toekennen van bouwvlakken aan intensieve veehouderijen is uitgegaan van gegevens over noodzaak en behoefte die door de individuele agrariërs zijn verstrekt. Op basis daarvan is de omvang van het bij recht toe te kennen bouwvlak bepaald, waarbij onder meer als uitgangspunt heeft gegolden dat de continuïteit van de reële en volwaardige agrarische bedrijven gedurende de planperiode moet zijn veiliggesteld. Het oordeel van de Afdeling 2.23.
- Vastgesteld wordt dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het streekplan, omdat intensieve veehouderijen in de GHS-landbouw en de AHS-landschap zowel volgens het streekplan als ingevolge het bestemmingsplan hun bouwblok eenmalig mogen uitbreiden uit een oogpunt van dierenwelzijn. 2.23.
- Intensieve veehouderijen op zogenoemde duurzame locaties in de AHS-landschap en GHS-landbouw mogen hun bouwvlak volgens het streekplan eenmalig uitbreiden tot een oppervlakte van 2,5 hectare zonder dat daaraan, anders dan ingevolge het bestreden planvoorschrift, redenen van dierenwelzijn ten grondslag dienen te liggen. Aan het bestreden planvoorschrift kan evenwel niet de gevolgtrekking worden verbonden dat het plan aan de desbetreffende intensieve veehouderijen minder uitbreidingsmogelijkheden biedt dan het streekplan. Aan de desbetreffende bedrijven zijn immers ook bij recht uitbreidingsmogelijkheden toegekend. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan, mede gelet op de bij recht toegekende bouwmogelijkheden, in zoverre niet in overeenstemming is met het streekplan. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan artikel 19, tiende lid, eerste zin, van het bestemmingsplan. De beroepen van de ZLTO en [appellant sub 19] zijn in zoverre ongegrond. UITBREIDING INTENSIEVE VEEHOUDERIJEN IN DE AHS-LANDBOUW Het standpunt van appellanten 2.
- De ZLTO en [appellant sub 19] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 19, veertiende lid, van de planvoorschriften. Appellanten voeren daartoe aan dat deze bepaling met zich brengt dat intensieve veehouderijen, anders dan in het streekplan, niet kunnen uitbreiden. Appellanten wijzen er voorts op dat op plankaart 3 geen kwetsbare gebieden zijn aangeduid, zodat artikel 19, veertiende lid, ook voor deze gebieden van toepassing is. Het standpunt van verweerder 2.24.
- Verweerder heeft geen aanleiding gezien het bestreden planvoorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat in de AHS-landbouw maatwerk moet worden geleverd, waarbij rekening moet worden gehouden met cultuurhistorische en landschappelijke waarden, alsmede belangen van water-, bodemhuishoudkundige en milieuhygiënische aard. Verweerder acht het bestemmingsplan daarmee in overeenstemming. Vaststelling van de feiten 2.24.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.24.
- Blijkens paragraaf 3.4.8 van het streekplan is in de AHS-landbouw uitbreiding van bouwvlakken van intensieve veehouderijen in beginsel zonder meer toegestaan in veeverdichtingsgebieden en op duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij. In landbouwontwikkelingsgebieden met accent intensieve veehouderij kunnen bouwvlakken in ruime mate worden uitgebreid. 2.24.
- Voornoemde gebieden komen in het plangebied niet voor. 2.24.
- Blijkens paragraaf 3.4.8 van het streekplan is buiten de in overweging 2.24.3 genoemde gebieden uitbreiding van bouwvlakken voor de intensieve veehouderij in de AHS-landbouw een kwestie van maatwerk. 2.24.
- Op plankaart 3 zijn zogenoemde "zeer kwetsbare" gebieden aangeduid. 2.24.
- Ingevolge artikel 19, veertiende lid, van de planvoorschriften, mogen intensieve veehouderijen in de AHS-landbouw binnen een afstand van 250 meter tot zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden, zoals aangegeven op plankaart 3, na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, eenmalig uitbreiden, uitsluitend vanwege eisen voor dierenwelzijn. 2.24.
- Ter zitting is van de zijde van de gemeente Oosterhout onweersproken verklaard dat bij het toekennen van bouwvlakken aan intensieve veehouderijen is uitgegaan van gegevens over noodzaak en behoefte die door de individuele agrariërs zijn verstrekt. Op basis daarvan is de omvang van het bij recht toe te kennen bouwvlak bepaald, waarbij onder meer als uitgangspunt heeft gegolden dat de continuïteit van de reële en volwaardige agrarische bedrijven gedurende de planperiode moet zijn veiliggesteld. Het oordeel van de Afdeling 2.24.
- Anders dan appellanten stellen, biedt artikel 19, veertiende lid, van de planvoorschriften, geen aanknopingspunt voor het toepassen van deze bepaling op intensieve veehouderijen die op een afstand van minder dan 250 van zogenoemde "kwetsbare gebieden" liggen. De Afdeling is van oordeel dat bij het toekennen van bouwblokken aan agrarische bedrijven in de AHS-landbouw van het bestemmingsplan blijkens het verhandelde ter zitting maatwerk is geleverd als bedoeld in het streekplan. Dat in artikel 19, veertiende lid, van de planvoorschriften, aan een beperkte categorie bedrijven in de AHS-landbouw daarenboven uitbreidingsmogelijkheden na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid zijn geboden, leidt derhalve niet tot het oordeel dat het plan in zoverre niet in overeenstemming is met het streekplan. 2.24.
- Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan artikel 19, veertiende lid, van de planvoorschriften. De beroepen van de ZLTO en [appellant sub 19] zijn in zoverre ongegrond. OPPERVLAKTE PERMANENTE ONDERSTEUNENDE KASSEN NA VRIJSTELLING Het standpunt van appellante 2.
- Het college stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 19, achttiende lid, onder g, sub 3, tweede gedachtestreepje, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op gronden die verweerder op bijlage 3 van het bestreden besluit heeft aangeduid. Het standpunt van verweerder 2.25.
- Verweerder heeft voornoemd planvoorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden voor zover het voorschrift van toepassing is op gronden die onder meer op bijlage bijlage 3 van het bestreden besluit zijn aangeduid. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de desbetreffende gronden weliswaar enige landschappelijke waarden vertegenwoordigen, maar dat deze niet rechtvaardigen dat uitbreiding met vrijstelling van de bij recht toegelaten oppervlakte van 1000 m² voor permanente ondersteunende kassen wordt beperkt tot 2500 m². Vaststelling van de feiten 2.25.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.25.
- De gronden op bijlage 3 bij het bestreden besluit zijn in het streekplan aangeduid als "AHS-landbouw". Het provinciale beleid, als verwoord in het streekplan, is er op gericht teeltondersteunende voorzieningen in gebieden met deze aanduiding in beginsel toe te staan. Gedeputeerde Staten kunnen blijkens het streekplan verdere invulling geven aan deze globale beleidslijn voor teeltondersteunende voorzieningen. Deze nadere invulling betreft de Beleidsnota "Teeltondersteunende voorzieningen in de land- en tuinbouw" van maart 2003 (hierna: nota TOV). Op bladzijde 2 van de nota TOV is verwoord dat in de gebieden in de AHS-landbouw die op bestemmingsplanniveau zijn aangeduid als "agrarisch gebied met meerwaarde" het beleid van toepassing is dat in de nota TOV is verwoord ten aanzien van teeltondersteunende voorzieningen in de AHS-landschap, subcategorie RNLE-landschapsdeel. Blijkens tabel 1 "Richtlijnen voor toepassing van teeltondersteunende voorzieningen" van de nota TOV is bij recht in bedoelde gebieden een oppervlakte van 1000 m² aan teeltondersteunde voorzieningen toegestaan, en een oppervlakte tot 2500 m² na een verleende vrijstelling. 2.25.
- Aan de gronden op bijlage 3 is de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" toegekend. Op bestemmingsplankaart 2 "Ontwikkelingen" zijn de gronden aangeduid als "AHS-landschap". Op waardenkaart 3 "Landschap" is een deel van het gebied aangeduid als "halfopen gebied" en een ander deel als "vestigingspatroon". Verweerder heeft de toegekende hoofdbestemming en voornoemde aanduidingen goedgekeurd. Het oordeel van de Afdeling 2.25.
- De raad heeft de gronden beschouwd als een agrarisch gebied met meerwaarde, en daaraan de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" toegekend. Door de hoofdbestemming goed te keuren, evenals de in 2.25.
- genoemde aanduidingen heeft verweerder de raad in dezen gevolgd. Dit brengt naar het oordeel van de Afdeling met zich dat overeenkomstig de nota TOV binnen de bouwvlakken in het op bijlage 3 aangeduide gebied na vrijstelling een maximale oppervlakte van 2500 m² teeltondersteunende voorzieningen kan worden opgericht. Het planvoorschrift waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden, is daarmee in overeenstemming. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voor zover verweerder daarbij goedkeuring heeft onthouden aan artikel 19, achttiende lid, onder g, sub 3, tweede gedachtestreepje, van de planvoorschriften voor zover dat betrekking heeft op gronden die verweerder op bijlage 3 bij het bestreden besluit heeft aangeduid, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van het college is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd. TIJDELIJKE HOGE TUNNELS EN TIJDELIJKE HOGE AFDEKFOLIES Het standpunt van appellanten 2.
- De ZLTO en [appellant sub 19] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 19, achttiende lid, onder h, van de planvoorschriften. Daardoor is het verlenen van vrijstelling voor de oprichting van tijdelijke hoge folies en tijdelijke hoge tunnels buiten de agrarische bouwvlakken in gebieden met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied" en "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" ten onrechte niet mogelijk. Voorts betogen appellanten dat door de goedkeuring aan voornoemde bepaling het verlenen van vrijstelling voor het oprichten van wandelkappen aansluitend aan bouwvlakken met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" ten onrechte is beperkt tot een oppervlakte van 1 hectare. Het standpunt van verweerder 2.26.
- Verweerder heeft het bestreden planvoorschrift niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het planvoorschrift in overeenstemming is met het provinciale beleid terzake. Vaststelling van de feiten 2.26.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.26.
- In de nota TOV is op bladzijde 2 vermeld dat in de gebieden die in het streekplan zijn aangeduid als AHS-landschap en AHS-landbouw, hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in principe alleen binnen het bouwvlak zijn toegestaan. Van een "hoge teeltondersteunende voorziening" is blijkens de nota TOV sprake indien de voorziening hoger is dan 1,5 meter. Tijdelijk als bedoeld in de nota TOV, ziet op de duur van de teeltperiode, met een maximum van 8 maanden. De nota TOV laat op het uitgangspunt dat teeltondersteunende voorzieningen binnen de bouwvlakken moeten worden opgericht een uitzondering toe voor zogenoemde wandelkappen. Dit zijn plastic tunnels voor de tijdelijke bescherming van een buitenteelt. Wandelkappen zijn blijkens tabel 1 "Richtlijnen voor toepassing van teeltondersteunende voorzieningen" van de nota TOV in de AHS-landbouw van het streekplan aansluitend aan het bouwvlak toegelaten tot een oppervlakte van maximaal twee hectare. Voor zover de in het streekplan aangeduide AHS-landbouw in een bestemmingsplan is bestemd als "agrarisch gebied met meerwaarde' is aansluitend aan de bouwvlakken een maximale oppervlakte wandelkappen van 1 hectare toegelaten. Het oordeel van de Afdeling 2.26.
- Het in geding zijnde planvoorschrift laat het verlenen van vrijstelling voor de oprichting van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak niet toe. Dit is in overeenstemming met het provinciale beleid ter zake. Dat het verlenen van vrijstelling voor de oprichting van wandelkappen aansluitend aan de bouwvlakken in gebieden met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" is beperkt tot 1 ha, is eveneens in overeenstemming met het provinciale beleid. De gronden met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" liggen weliswaar in de AHS-landbouw van het streekplan, maar de door de raad toegekende bestemming, die ziet op bescherming van "meerwaarde" als bedoeld in de nota TOV, brengt een beperking tot 1 hectare met zich. De conclusie van verweerder dat het bestreden planvoorschrift in overeenstemming is met het provinciale beleid, is derhalve juist. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het bestreden planvoorschrift. De beroepen van de ZLTO en [appellant sub 19] zijn in zoverre ongegrond. STELLINGENTEELT Het standpunt van appellanten 2.
- De ZLTO en [appellant sub 19] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften. Daardoor is op de gronden met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" de zogenoemde stellingenteelt ten onrechte beperkt tot maximaal 1 hectare. Het standpunt van verweerder 2.27.
- Verweerder heeft het bestreden planvoorschrift niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Vaststelling van de feiten 2.27.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.27.
- De nota TOV laat op het uitgangspunt dat teeltondersteunende voorzieningen binnen de bouwvlakken moeten worden opgericht een uitzondering toe voor zogenoemde stellingenteelt. Stellingenteelt is blijkens tabel 1 "Richtlijnen voor toepassing van teeltondersteunende voorzieningen" van de nota TOV in de AHS-landbouw van het streekplan aansluitend aan het bouwvlak toegelaten tot een oppervlakte van maximaal 1 hectare op gronden die zijn gesitueerd in de AHS-landbouw van het streekplan, maar die in het bestemmingplan zijn bestemd als "agrarisch gebied met meerwaarde". Het oordeel van de Afdeling 2.27.
- Het bestreden planvoorschrift is in overeenstemming met het streekplan. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het bestreden planvoorschrift. De beroepen van de ZLTO en [appellant sub 19] zijn in zoverre ongegrond. UITBREIDING GRONDGEBONDEN BEDRIJVEN IN DE ALS AHS-LANDSCHAP AANGEDUIDE GEBIEDEN Het standpunt van appellante 2.
- Het college stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel, 19, negende lid, van de planvoorschriften. Het college voert daartoe aan dat verweerder de in dit planvoorschrift met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid geboden uitbreidingsmogelijkheid voor grondgebonden agrarische bedrijven in de gebieden die in het bestemmingsplan als AHS-landschap zijn aangeduid, ten onrechte te beperkend heeft geacht. Het standpunt van verweerder 2.28.
- Verweerder heeft het bestreden planvoorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat voor grondgebonden bedrijven een maximale bouwvlakomvang van 1,5 hectare zonder toepassing van een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid op gespannen voet staat met het streekplanbeleid. Vaststelling van de feiten 2.28.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.28.
- De plandelen met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" zijn in het streekplan aangeduid als AHS-landbouw. Het provinciale beleid ten aanzien van de in de AHS-landbouw gelegen grondgebonden agrarische bedrijven voorziet niet in een maximale oppervlakte voor bouwvlakken maar in bouwvlakken op maat. In het streekplan wordt aangegeven dat daarbij onder andere rekening moet worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische belangen. 2.28.
- Blijkens de plantoelichting is de raad bij het toekennen van bouwvlakken uitgegaan van gegevens die door de individuele agrariërs zijn verstrekt. Op basis daarvan is de omvang van het bij recht toe te kennen bouwvlak bepaald, waarbij onder meer als uitgangspunt heeft gegolden dat de continuïteit van de reële en volwaardige agrarische bedrijven gedurende de planperiode moet zijn veiliggesteld. Indien gedurende de planperiode blijkt dat een agrarisch bedrijf behoefte heeft aan verdergaande uitbreiding dan bij recht is toegelaten, kan met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid het bouwvlak worden verruimd. 2.28.
- Volgens de bij artikel 18 van de planvoorschriften behorende tabel 2 ("Wijziging ex artikel 11 WRO") zijn burgemeester en wethouders bevoegd, voorzover hiervan belang, de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" te wijzigen in de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" ten behoeve van de vergroting van een bouwvlak. Voor de toepassing van deze bevoegdheid vormt, voorzover hier van belang, artikel 19, negende lid, van beschrijving in hoofdlijnen, het toetsingskader. Ingevolge artikel 19, negende lid, mogen, voorzover hier van belang, grondgebonden agrarische bedrijven, die zijn gesitueerd in de gebieden die in het bestemmingsplan als "AHS-landschap" zijn aangeduid, na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, hun bouwvlak uitbreiden met 15% ten opzichte van de omvang zoals aanwezig op het moment van de tervisielegging van het ontwerpplan, of tot een oppervlakte van 1,5 ha als het bouwvlak na uitbreiding met 15% kleiner zou zijn dan 1,5 ha. Het oordeel van de Afdeling 2.28.
- Verweerder heeft aan de beoordeling van het bestreden planvoorschrift niet de juiste en volledige feiten ten grondslag gelegd. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de wijze waarop de bouwvlakken bij recht zijn toegekend. Ook heeft hij niet onderzocht of de bij recht toegekende bouwvlakken op voorhand zijn beperkt tot een omvang van 1,5 hectare. Voorts kunnen, anders dan verweerder meent, alle bouwvlakken van grondgebonden bedrijven in de AHS-landschap van het bestemmingsplan na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid worden uitgebreid. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van het college is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 19, negende lid, van de planvoorschriften, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. HERGEBRUIK VRIJKOMENDE AGRARISCHE BEDRIJFSLOCATIES TEN BEHOEVE VAN RECREATIEVE DOELEINDEN Het standpunt van appellante 2.
- Het college stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 19, drieëntwintigste lid, onder c, van de planvoorschriften. Het college voert daartoe aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat aan de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing voor recreatieve doeleinden, de voorwaarde verbonden moet worden dat deze eerst na een advies van een onafhankelijke toetsingscommissie kan worden toegepast. Het college wijst erop dat deze voorwaarde ten tijde van de vaststelling van het plan niet van toepassing was en voorts, dat het plan voldoende waarborgen bevat voor een verantwoorde toepassing van de in het geding zijnde wijzigingsbevoegdheid. Voorts stelt het college dat verweerder in verband met vorenbedoelde onthouding van goedkeuring ten onrechte eveneens goedkeuring heeft onthouden aan artikel 19, drieëntwintigste lid, onder sub c, sub 1 en 2, van de planvoorschriften. Het standpunt van verweerder 2.29.
- Verweerder heeft het bestreden planvoorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat aan de toepassing van de desbetreffende wijzigingsbevoegdheid een advies van een onafhankelijke toetsingscommissie ten grondslag dient te liggen. Vaststelling van de feiten 2.29.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.29.
- Het streekplan is in werking getreden op 15 maart
- Het bestemmingsplan is vastgesteld op 14 juli
- 2.29.
- Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij abusievelijk goedkeuring heeft onthouden aan artikel 19, drieëntwintigste lid, onder c, sub 1 en 2, van de planvoorschriften. 2.29.
- In paragraaf 3.4.9 van het streekplan is vermeld dat in de subzone "overig bos- en natuurgebied" van de GHS-natuur, in de GHS-landbouw en in de AHS-landschap bestaande en voormalige agrarische bouwvlakken in aanmerking kunnen komen als nieuwe locatie voor verblijfsrecreatie. Nieuwe dagrecreatiepunten zijn in de GHS en in de AHS-landschap mogelijk. Daarbij geldt als voorwaarde dat nieuwe locaties dan wel dagrecreatieve punten en hun uitstralingseffecten de draagkracht van het betrokken gebied niet mogen overschrijden. Tevens moet de nieuwvestiging leiden tot een verrijking van het toeristisch product in de streek. De ingebruikneming van een nieuwe locatie voor verblijfsrecreatie moet gepaard gaan met de uitvoering van een beplantingsplan. Voor de toetsing aan deze criteria wordt een onafhankelijke adviescommissie ingesteld, waarin deskundigen op het terrein van recreatie en toerisme en op het gebied van natuur en landschap zitting hebben. Het oordeel van de Afdeling 2.29.
- Anders dan het college heeft betoogd, kon de raad ten tijde van de vaststelling van het plan ervan op de hoogte zijn dat plannen voor hergebruik van agrarische bedrijfslocaties ten behoeve van recreatieve doeleinden volgens het provinciale beleid getoetst dienen te worden door een onafhankelijke adviescommissie. Nu de in het plan vervatte wijzigingsbevoegdheid deze voorwaarde niet bevat, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden planonderdeel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van het college is in zoverre ongegrond. Nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat hij in verband met vorenbedoelde onthouding van goedkeuring abusievelijk ook goedkeuring heeft onthouden aan artikel 19, drieëntwintigste lid, onder c, sub 1 en 2, van de planvoorschriften, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van het college is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 19, drieëntwintigste lid, onder c, sub 1 en 2, van de planvoorschriften. VRIJSTELLINGSREGELING LICHTMASTEN, SCHUIL-/EN RUSTGELEGENHEDEN Het standpunt van appellante 2.
- Het college stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 19, negenentwintigste lid, onder b, sub 1 en 2, van de planvoorschriften. Daardoor is het niet mogelijk vrijstelling te verlenen voor het plaatsen van lichtmasten met een maximale hoogte van 10 meter bij een in het plangebied gelegen golfbaan en kan evenmin vrijstelling worden verleend voor het oprichten van schuil- en rustgelegenheden op deze golfbaan. 2.30.
- Verweerder heeft de bestreden plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Vaststelling van de feiten 2.30.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.30.
- Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij bij nader inzien abusievelijk goedkeuring heeft onthouden aan artikel 19, negenentwintigste lid, onder b, sub 1 en sub 2, van de planvoorschriften, omdat hij bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft onderkend dat de vrijstellingsbepalingen uitsluitend betrekking hebben op een in het plangebied gelegen golfbaan. Het oordeel van de Afdeling 2.30.
- Nu verweerder zich ten aanzien van artikel 19, negenentwintigste lid, onder b, sub 1 en 2, van de planvoorschriften op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van het college is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. WONINGBOUW NA SLOOP NIET AGRARISCHE BEDRIJFSGEBOUWEN Het standpunt van appellante 2.
- Het college stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 19, vierentwintigste lid, onder c, van de planvoorschriften. Daardoor biedt het plan ten onrechte niet de mogelijkheid, na het slopen van niet-agrarische bebouwing, onder voorwaarden, de bouw van een burgerwoning toe te staan. Het college betoogt dat de geboden bouwmogelijkheid leidt tot milieuwinst en tot een afname van bebouwing in het buitengebied. Het standpunt van verweerder 2.31.
- Verweerder heeft het bestreden planvoorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het plan aldus de bouw van burgerwoningen in het buitengebied mogelijk maakt in situaties waarin het provinciale beleid niet voorziet. Vaststelling van de feiten 2.31.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.31.
- Artikel 19, vierentwintigste lid, onder c, van de planvoorschriften vormt een onderdeel van de beschrijving in hoofdlijnen. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften, vormt de beschrijving in hoofdlijnen het toetsingskader voor de toepassing van vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden zoals bedoeld in artikel 18, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften. 2.31.
- De bij artikel 18 van de planvoorschriften behorende tabel 2 ("Wijziging ex artikel 11 WRO") bevat een wijzigingsbevoegdheid op grond waarvan het college de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden" kan wijzigen in de medebestemming "Woondoeleinden". Voor de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid vormt artikel 19, vierentwintigste lid, onder c, van de planvoorschriften het toetsingskader. 2.31.
- Verweerder heeft goedkeuring verleend aan de in tabel 2 ("Wijziging ex artikel 11 WRO") opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Het oordeel van de Afdeling 2.31.
- Nu verweerder bij het bestreden besluit geen goedkeuring heeft onthouden aan de in tabel 2 ("Wijziging ex artikel 11 WRO") opgenomen wijzigingsbevoegdheid, staat het bestreden besluit er niet aan in de weg dat het college van burgemeester en wethouders toepassing geeft aan deze wijzigingsbevoegdheid. Het beroep mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag en is in zoverre dan ook ongegrond. HERBOUW BURGERWONING BUITEN BESTAANDE FUNDAMENTEN Het standpunt van appellante 2.
- Het college stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 19, vijfentwintigste lid, onder e, van de planvoorschriften. Daardoor kan geen vrijstelling worden verleend voor de herbouw van een woning buiten de bestaande fundamenten. Het college betoogt dat de desbetreffende regeling geen verdere verstening met zich brengt, z
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.