(1981)(AB 1985, 614) en 1 april 1986 in zaak no. R01.84.2391 (AB 1987, 534) terecht heeft overwogen dat, indien en voor zover de gevraagde informatie uit het dossier gegevens over appellante bevat, niet artikel 67 van de Awr, maar de Wob op de aanvraag van toepassing is. 2.
- Appellante betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb is voldaan en dat de staatssecretaris kon afzien van horen voordat de nieuwe beslissing op bezwaar werd genomen. 2.5.
- Voorafgaand aan de beslissing op bezwaar van 12 juli 2002 is appellante gehoord. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in artikel 7:2 van de Awb niet een algemene verplichting is opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de rechtbank, waarbij de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd, en dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om belanghebbende opnieuw te horen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat van een situatie waarin het noodzakelijk was opnieuw te horen geen sprake is. Niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die daartoe zouden nopen. Bij gebreke van nieuwe feiten en omstandigheden was de verwachting gerechtvaardigd dat opnieuw horen tot niet meer zou leiden dan een herhaling van de reeds eerder ingebrachte bezwaren. Enkel tijdsverloop als zodanig noodzaakt niet tot het opnieuw horen. 2.
- Zoals appellante ter zitting nogmaals heeft bevestigd, komt zij niet op tegen de vernietiging van de beslissing op bezwaar op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob. 2.
- Het hoger beroep van appellante richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Volgens appellante bevinden zich in het dossier in ieder geval stukken die geen inzicht kunnen geven in opsporingstactieken, waartoe zij verwijst naar de financiële gegevens. Daarbij komt, zo stelt appellante, dat het jegens haar verrichte strafrechtelijk onderzoek is geëindigd in een sepot. 2.7.
- De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de door de staatssecretaris vertrouwelijk overgelegde stukken. Zij is met de rechtbank van oordeel dat het belang van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob, zich in dit geval voordoet, nu de gegevens aanleiding zijn geweest voor en zijn gebruikt ten behoeve van een lopend strafrechtelijk opsporingsonderzoek dat zich uitstrekt tot aan appellante gelieerde personen. Aan de omstandigheid dat appellante zelf niet (langer) wordt vervolgd komt reeds daarom geen doorslaggevende betekenis toe. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de staatssecretaris in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan aan het belang van openbaarmaking van de gegevens. 2.
- Voor zover appellante nog gronden heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en d en artikel 11 van de Wob, behoeven deze, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen bespreking. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat. w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006 419