(3)". Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor wonen en tuinen. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming woningen (inclusief uitbouwen) met bijgebouwen worden gebouwd. Uit de tabel bij het vierde lid, onder f, volgt dat het maximumaantal woningen per bouwvlak één bedraagt, tenzij anders op de plankaarten 1 tot en met 4 is aangegeven. 2.16.
- Ter plaatse van het plandeel bevinden zich thans twee woningen, aangeduid als Jaagpad 18a en Jaagpad 18b. 2.16.
- Als reactie op de ingebrachte bedenkingen verwijst het college van burgemeester en wethouders mede naar de reactie op de ingebrachte zienswijzen. Daarin geeft hij aan dat de extra woning op het perceel ondanks het restrictieve beleid ten aanzien van nieuwe woningen in het buitengebied gebouwd mag worden in het kader van het ruimte-voor-ruimtebeleid. Op het perceel zullen glasopstanden worden afgebroken en om dat te bekostigen wordt een extra woning toegestaan. Landschappelijk is de kwaliteitswinst groot volgens het college van burgemeester en wethouders. Ter zitting is onweersproken gesteld dat het in dit geval gaat om de sloop van kassen met een oppervlakte van ongeveer 2.400 m². 2.16.
- Ingevolge het provinciale beleid is functieverandering van zowel agrarische als niet-agrarische functies naar onder meer kleinschalige vormen van wonen onder voorwaarden toegestaan bij herinrichting of sanering van vrijkomende bebouwing. Dit zogenoemde ruimte-voor-ruimtebeleid is neergelegd in het streekplan. Het oordeel van de Afdeling 2.16.
- Uit vorenvermelde regeling volgt dat het plan drie woningen mogelijk maakt ter plaatse van het plandeel. Uit het beroep en het verhandelde ter zitting volgt dat het beroep zich op dit punt beperkt tot de mogelijkheid voor de bouw van een derde woning. Voor het mogelijk maken van een derde woning op het perceel verwijzen de gemeenteraad en verweerder naar het provinciale ruimte-voor-ruimtebeleid. Onder toepassing van dit beleid kan worden afgeweken van het algemene provinciale beleid dat voorziet in het zoveel mogelijk weren van nieuwe woonbebouwing in het buitengebied. De Afdeling acht het beleid waarmee de openheid van het landschap kan worden bevorderd, in zoverre niet onredelijk. Niet is gebleken dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een derde woning op het perceel kan worden gebouwd met inachtneming van de voorwaarden die voor toepassing van dit beleid gelden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien geen toepassing te geven aan het ruimte-voor-ruimtebeleid en in plaats daarvan vast te houden aan zijn algemene conserverende beleid. Hij heeft de belangen die zijn betrokken bij de bouw van de nieuwe woning en de afbraak van de kassen zwaarder kunnen wegen dan de belangen van appellant gevrijwaard te blijven van de extra woning. Niet is gebleken dat het woon- en leefklimaat van appellant door de extra woning ernstig wordt geschaad. De omstandigheid dat appellant zelf niet in aanmerking kan komen voor toepassing van het ruimte-voor-ruimtebeleid betekent verder niet dat in andere gevallen, waarbij wel wordt voldaan aan de voorwaarden van dat beleid, daaraan geen toepassing kan worden gegeven. 2.16.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanduiding niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding. Het beroep van [appellant sub 9] is op dit punt ongegrond. Het standpunt van [appellante sub 10] 2.
- [appellante sub 10] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden grondgebonden veehouderij (Av)" voor haar percelen aan de [locatie 11]. 2.17.
- Zij voert hiertoe aan door het verkleinen van het bouwblok zowel in de huidige als in de toekomstige uitbreidingsmogelijkheden te worden beperkt. Ook maakt het plan het onmogelijk als aanvulling op de huidige bedrijfsvoering nevenactiviteiten uit te oefenen. Voorts is ten onrechte de mogelijkheid vervallen om op het perceel kassen te bouwen tot op een afstand van 250 meter uit de weg, aldus appellante. Het standpunt van verweerder 2.17.
- Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij stemt in met de weerlegging door het college van burgemeester en wethouders van de ingebrachte bedenkingen. Vaststelling van de feiten 2.17.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.17.
- Aan het plandeel is de bestemming "Agrarische doeleinden grondgebonden veehouderij (Av)" toegekend met de aanduiding "(b)" voor een bouwblok van ongeveer 4.800 m². Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden veehouderij. Ingevolge het tweede lid zijn de in het eerste lid bedoelde gronden tevens bestemd voor de doeleinden die in hoofdstuk III voor het betrokken deelgebied - bij wijze van medebestemming - zijn aangegeven. Daarbij is per deelgebied ook aangegeven welke doeleinden en bouwmogelijkheden na vrijstelling of planwijziging toelaatbaar zijn. Ingevolge het vierde lid gelden voor het bouwen de aanduidingen op de plankaart en de volgende bepalingen: a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde - met uitzondering van terreinafscheidingen - mogen uitsluitend op gronden met de nadere aanduiding "(b)" worden gebouwd; […]. 2.17.
- Aan de zone aan de westzijde van de Amstel, waar het plandeel zich bevindt, is voor het grootste gedeelte de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met natuur, landschappelijke en cultuurhistorische waarde (zone Aln)" toegekend. Daarvoor geldt het beleid dat duurzame, grondgebonden veehouderijbedrijven behouden moeten blijven en zich moeten kunnen ontwikkelen. De aanwezige glastuinbouwbedrijven kunnen worden gehandhaafd, maar naar uitplaatsing en sanering zal worden gestreefd. In landschappelijk opzicht wordt behoud van de openheid en het verkavelingspatroon nagestreefd. Ingevolge artikel 25, derde lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen voor het overschrijden van bouwvlakken ten behoeve van agrarische bedrijven op de kaartbladen 1, 2 en 4, met inachtneming van het volgende: a. een doelmatige bedrijfsvoering moet overschrijding van de maatvoering noodzakelijk maken; deze noodzaak is in ieder geval aanwezig wanneer overschrijding van het bouwvlak noodzakelijk is om aan milieuvoorschriften te kunnen voldoen; b. de maatvoering mag niet verder worden overschreden dan vanwege milieuvoorschriften noodzakelijk is; indien overschrijding om andere redenen mogelijk wordt gemaakt, mag het bouwvlak met niet meer dan 25% worden uitgebreid; c. bij overschrijding van bouwvlakken dienen bestaande doorzichten naar de achterliggende polder behouden te blijven; d. overschrijding van bouwvlakken is niet toegestaan ter plaatse van gronden met archeologische waarden. Ingevolge artikel 25, vierde lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om - met toepassing van artikel 11 van de WRO - het plan te wijzigen teneinde de op de plankaart aangegeven bouwvlakken te vergroten, met inachtneming van het volgende: a. een doelmatige bedrijfsvoering moet vergroting van het bouwvlak noodzakelijk maken; b. het bouwvlak mag niet met meer dan 25% worden vergroot; c. bij overschrijding van bouwvlakken dienen bestaande doorzichten naar de achterliggende polder behouden te blijven; d. overschrijding van bouwvlakken is niet toegestaan ter plaatse van gronden met archeologische waarden. 2.17.
- Appellante exploiteert een rundveehouderij met ongeveer twintig vleeskoeien en 25 stuks jongvee, alsmede ongeveer 35 schapen. Zij beschikt over een huisperceel met een omvang van ongeveer 17,5 hectare. Daarnaast gebruikt zij elders enkele stukken natuurgebied om koeien en schapen te laten grazen. 2.17.
- Als reactie op de ingebrachte bedenkingen geeft het college van burgemeester en wethouders aan dat het perceel van appellante is gelegen in de zone "Aln". Hij wijst er op dat het bestemmingsplan een vrijstellingsbevoegdheid kent voor het overschrijden van het bouwblok en een wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwblok. De bedrijfsvoering blijft binnen de zone "Aln" mogelijk. De glastuinbouwbestemming is vervallen omdat alleen bestaande kassenbedrijven kunnen blijven voortbestaan. 2.17.
- In het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1984" was aan de percelen van appellante een bouwblok van ongeveer 5.500 m² toegekend. Ten opzichte van de oude regeling is in het nieuwe plan de diepte van het bouwblok verkleind van 100 meter naar ongeveer 65 meter en is de breedte vergroot van 55 meter tot gemiddeld 70 meter. Het oordeel van de Afdeling 2.17.
- Naar uit de stukken volgt kan appellante met de thans voorliggende planregeling haar bedrijfsvoering ongewijzigd voortzetten. Van concrete uitbreidingsplannen of plannen voor een gewijzigde bedrijfsvoering is niet gebleken. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de belangen die zijn betrokken bij het waarborgen en bevorderen van de openheid van het landschap en de sanering van de glastuinbouw in dit gebied zwaarder kunnen wegen dan de belangen van appellante vast te houden aan de bestaande rechten. Daarbij komt dat het plan onder omstandigheden met toepassing van de vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheid in ruimere bebouwingsmogelijkheden voor appellante kan voorzien. 2.17.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel. Het beroep van [appellante sub 10] is ongegrond. Proceskostenveroordeling 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 9] te worden veroordeeld. Wat betreft de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 8] voor zover het betreft de subbestemming "Bouwinstallatiebedrijf (Bis)" voor het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" voor het perceel Bedrijvenweg 24 en 26 en Hoofdweg 23 en [locatie 9] niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep van [appellant sub 9] gedeeltelijk gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 20 september 2005, kenmerk 2005-8334, voor zover het betreft de goedkeuring van de subbestemming "Recreatieve doeleinden" en de aanduiding "(c)" voor het plandeel met de bestemming "Water en oevergebieden", zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart; IV. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2], het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn, Bedrijven Belangenvereniging De Kwakel, [appellant sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 7] en [appellante sub 10] geheel en de beroepen van [appellant sub 8] en [appellant sub 9] voor het overige ongegrond; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 9] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 9] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VI. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 9] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Bechinka Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2006
- plankaart