(2004)rechtvaardigt niet het vertrouwen dat het verbod van artikel 5.1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV niet op hem van toepassing zou zijn, noch dat hij in aanmerking kwam voor een ontheffing daarvan. 2.3.
- De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat zich in dit geval niet zodanig bijzondere, nijpende omstandigheden voordoen dat tot ontheffingverlening moest worden besloten. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat. w.g. Van Altena w.g. Haverkamp Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2006 306-538.