(1994)Helvoirt" staat ter plaatse slechts één woning toe. Ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan waren ter plaatse reeds twee woningen aanwezig. Het college is voornemens te bevorderen dat bij de eerst volgende herziening van het bestemmingsplan twee bestemmingen "woondoeleinden" worden toegewezen nu het toewijzen van slechts één woonbestemming op een vergissing berust heeft. 2.
- Anders dan appellant heeft betoogd is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat de op 13 juni 1972 verleende bouwvergunning ziet op de bouw van een tweede zelfstandige wooneenheid ter plaatse. Zulks blijkt met name uit tekeningen die bij de in 1979 verleende bouwvergunning behoren. 2.
- Voorts is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen. Weliswaar heeft appellant gesteld dat als gevolg van het uitvoeren van het bouwplan de schoorsteen van zijn bijkeuken vermoedelijk niet goed meer zal functioneren en dat hij een verhoging van de schoorsteen esthetisch onaanvaardbaar vindt, doch het college heeft in dat verband terecht in aanmerking genomen dat de erven hebben verklaard bereid te zijn de schoorsteen op hun kosten te verhogen, waartoe een door de welstandscommissie goedgekeurde bouwtekening aan het college is verstrekt. Ook hebben de erven zich bereid verklaard het nadeel voor appellant anderszins te compenseren. Gelet hierop heeft de rechtbank kunnen oordelen dat het college in redelijkheid het belang van de erven bij het vernieuwen van de woning en het verbeteren van de woonkwaliteit zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van appellant in dit verband. 2.
- Hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd biedt evenmin aanknopingspunten om tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank te komen. 2.
- Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning terecht, overeenkomstig artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet heeft verleend. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat. w.g. Roemers w.g. Boot Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006 202