(2001). Gelet op artikel 37 van het Blk 2005, op het Besluit van 1 augustus 2005 (Stb. 2005, 398), houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het Blk 2005, en op de datum van uitgifte daarvan, is het Blk 2005 in werking getreden op 5 augustus
- Dit betekent dat het besluit van 12 oktober 2005 moest worden getoetst aan het Blk 2005 en niet aan het Besluit luchtkwaliteit. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. De omstandigheid dat, naar het college ter zitting naar voren heeft gebracht, ten tijde van het besluit van 18 maart 2005 het Besluit luchtkwaliteit nog daarop van toepassing was, maakt het vorenstaande niet anders. Het college diende bij zijn besluit van 12 oktober 2005 het recht in acht te nemen zoals dat op dat tijdstip gold. 2.
- Gelet op de hiervoor weergegeven overweging is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 12 oktober 2005 toetsen aan de hand van de grond van appellante inzake de luchtkwaliteit. 2.
- Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005), voor zover thans van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 bedoelde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht. Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, worden onder de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en toepassingen van wettelijke voorschriften in ieder geval begrepen de bevoegdheden op grond van de artikelen 2a, 2b, 4a, 6, tweede en zesde lid, 7, 10, 11, eerste en tweede lid, 12, 15, 17, 19, 21, 28, 33, 37, tweede en vijfde lid, 38, tweede lid, 39b, 40 en 41 van de WRO. 2.10.
- Het college stelt zich op het standpunt dat de vrijstelling geen, althans nagenoeg geen, gevolgen voor de luchtkwaliteit heeft omdat slechts voor één van de gebouwen vrijstelling is verleend van de maximale goothoogte van 6 m voor een hoogte van 7,60 m. 2.10.
- Uit artikel 7, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van het Blk 2005 volgt dat het college bij het besluit tot verlening van de vrijstelling gehouden was de grenswaarden als bedoeld in paragraaf 2 van het Blk 2005 in acht te nemen. Dit betekent dat slechts indien op voorhand is uitgesloten dat de vrijstelling gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, het college af heeft mogen zien van het doen van het onderzoek dat appellante verlangt. Dat is het geval, nu de vrijstelling er slechts toe strekt om ten aanzien van één van de gebouwen de goothoogte te verhogen tot 7,60 m in plaats van de maximale hoogte van 6 m die het uitbreidingsplan toestaat. Ten opzichte van de mogelijkheden die het uitbreidingsplan biedt, maakt de vrijstelling daarmee slechts de twee kantoorruimten ter grootte van 98 m2 mogelijk. Voor het overige kan ingevolge het uitbreidingsplan een bedrijfsverzamelgebouw worden verwezenlijkt met een gelijke omvang, gerekend naar bruto vloeroppervlakte, als het desbetreffende gebouw. 2.
- Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep van appellante gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2005, in zaak no. WRO 05/5412; III. verklaart het door appellante ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink, en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat. w.g. Van Angeren w.g. Huijben Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006 313-444.