(1985)was aan het perceel van appellant de bestemming "Agrarisch bouwblok" met onder meer de nadere aanduiding '8' toegekend. Ingevolge artikel 31 van de voorschriften bij dat plan waren burgemeester en wethouders bevoegd onder meer de bestemming "Agrarisch bouwblok", voor zover gelegen binnen de gebieden die op de plankaart waren aangeduid als 'gebied met wijzigingsbevoegdheid van burgemeester en wethouders', te wijzigen: (…)
- wat betreft gebied 8: in de bestemmingen "E.1.0", "Tuin" en "Achtertuin", ten behoeve van de bouw van twee eengezinswoningen (…) 2.7.
- In de plantoelichting is een richtlijn voor particuliere woningbouw-plannen opgenomen. Om te komen tot zuinig en intensief ruimtegebruik in het verstedelijkt gebied ligt de prioriteit bij de woningbouwopgave volgens het gemeentebestuur in eerste instantie bij herstructureringslocaties en inbreidingslocaties in de kern. Pas daarna kan invulling worden gegeven aan locaties in het overgangsgebied van het verstedelijkt gebied (aan de rand van de kern) naar het landelijk gebied en op uitbreidingslocaties. Het gemeentebestuur is terughoudend met een verdere verdichting van de stedenbouwkundige structuur in de kern. Openingen in deze structuur hebben namelijk vaak een bepaalde stedenbouwkundige waarde, omdat ze bijvoorbeeld een aantrekkelijke doorkijk bieden naar het landelijke gebied of markante bebouwing. Deze openingen kunnen groenelementen betreffen of dienen als speelterrein of parkeervoorziening; ze kunnen ook voor aangename afwisseling in de bebouwing zorgen of dienen als tegenhanger van een 'versteend' straatbeeld. Niet alle open plekken hoeven te worden opgevuld, aldus de plantoelichting (p. 26 e.v.). Het oordeel van de Afdeling 2.
- Ten aanzien van het perceel [locatie 1] is op de plankaart de aanduiding 'nieuw woonhuis toegestaan' niet opgenomen. Mitsdien voorziet het plan ter plaatse niet in de bouw van één of twee woningen. Ten aanzien van de door appellant gewenste bouwmogelijkheid is uit de stukken gebleken dat in het voorgaande plan een bevoegdheid tot wijziging van dat plan was opgenomen ten behoeve van de bouw van twee eengezinswoningen. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Wat betreft het perceel van appellant neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat de bouwmogelijkheid voor twee woningen onder het voorgaande plan eerst kon worden gerealiseerd na wijziging van dat plan. Voorts is ter zitting gebleken dat appellant onder het voorgaande plan geen verzoek heeft ingediend tot het toepassen van de genoemde wijzigingsbevoegdheid dan wel anderszins concrete bouwplannen kenbaar heeft gemaakt. Gelet hierop en het in de plantoelichting neergelegde beleid van het gemeentebestuur ten aanzien van particuliere woningbouwplannen, heeft verweerder met de gemeenteraad een verdichting van woningbouw nabij het buitengebied ter plaatse van het perceel van appellant vanuit ruimtelijk oogpunt ongewenst kunnen achten. 2.8.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] Het standpunt van appellant 2.
- Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Tuin -T-" betreffende het voorerf van zijn perceel aan de [locatie 2]. Appellant stelt dat ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid ter plaatse een zogeheten karschop te herbouwen. Hierbij stelt hij dat de bouw van een dergelijke schuur aansluit bij de doelstellingen van het plan betreffende de versterking van de cultuurhistorische waarden. Het standpunt van verweerder 2.
- Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Ook verweerder beschouwt het herbouwen van de karschop als een versterking van de cultuurhistorische waarden van het rijksmonument van appellant. Volgens hem verdient de oorspronkelijke locatie vanuit cultuurhistorisch oogpunt de voorkeur. De oorspronkelijke karschop was echter niet vóór de voorgevel gesitueerd. Voorts acht verweerder de handhaving van de voorgevelrooilijn, gelet op de huidige bebouwings-structuur van de Bosscheweg, van doorslaggevend belang. Hij merkt hierbij op dat voor appellant de mogelijkheid bestaat de karschop te herbouwen op zijn achtererf. Vaststelling van de feiten 2.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.11.
- Het perceel van appellant is in het plan onder meer bestemd voor "Woondoeleinden 1 -W1-". Appellant woont in de ter plaatse gevestigde historische boerderij, die is aangewezen als rijksmonument. De gronden van zijn perceel tussen zijn woning en de Bosscheweg zijn bestemd als "Tuin -T-". 2.11.
- Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder voorgevelrooilijn verstaan de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd. Ingevolge artikel 3.2.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften bij de bestemming "Woondoeleinden 1 -W1-", voor zover hier van belang, dienen bijgebouwen op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd. Ingevolge artikel 5.2.1 van de planvoorschriften bij de bestemming "Tuin -T-" mogen op of in deze gronden geen gebouwen worden gebouwd. 2.11.
- Volgens de plantoelichting vormt de ruimte omsloten door de oude linten Bosscheweg en Bramerslandstraat een specifiek ruimtelijk segment van de bebouwde kom. Het vormt het laatste restant waar nog sprake is van een bewaard gebleven middeleeuwse kavelstructuur, welke verder in de kom vrijwel geheel is verdwenen of verminkt is geraakt door bebouwing, verandering of versnippering. Tezamen met een dertiental authentieke bebouwingen, waaronder enkele rijksmonumenten, vormt dit segment daarom het cultuurhistorisch kerngebied bij uitstek van de kom. Ook de ruimtelijke kwaliteit is hoog door het groene en onbebouwde karakter, aldus de plantoelichting (p. 11). 2.11.
- Volgens het deskundigenbericht beschikten Dungense boerderijen van oorsprong over zogeheten karschoppen, halfopen schuren voor de stalling van karren. Deze schuren waren veelal op de weg georiënteerd, maar hadden geen vaste positie ten opzichte van de boerderij. De Bosscheweg kenmerkt zich door vrijstaande (woon)boerderijen en woonhuizen. Op het perceel van appellant aan de [locatie 2] is het niet mogelijk om de door appellant gewenste karschop op de oorspronkelijke plaats te herbouwen, aldus het deskundigenbericht. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Het stedenbouwkundig uitgangspunt dat niet vóór de voorgevelrooilijn mag worden gebouwd, acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk. Voorts kenmerkt de Bosscheweg zich blijkens de stukken door een historische bebouwingsstructuur die in zekere mate parallel loopt aan de infrastructuur van de Bosscheweg. Ook is uit het deskundigenbericht gebleken dat ieder perceel aan de Bosscheweg een tuin aan de weg heeft en dat de opstallen op geen enkel perceel direct aan of vlak langs de weg liggen. Gelet hierop heeft verweerder aan de handhaving van de voorgevelrooilijn op het perceel van appellant in redelijkheid doorslaggevende betekenis kunnen toekennen. De stelling dat de herbouw van de karschop in overeenstemming zou zijn met de cultuurhistorische doelstelling van het plan, doet hier niet aan af. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de karschop fysiek niet op de oorspronkelijke plaats kan worden gebouwd. Ook is uit de stukken gebleken dat nog slechts één dergelijke karschop aan de Bosscheweg aanwezig is. 2.12.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 3] Het standpunt van appellante 2.
- Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, onbebouwd -Ao-", voor zover het plan daarmee niet voorziet in twee bouwvlakken voor de bouw van twee vrijstaande woningen op het perceel ten oosten van het perceel Spurkstraat
- Daartoe stelt appellante ten eerste dat verweerder ten onrechte een eerst na de hoorzitting bij verweerder ingezonden stuk van het gemeentebestuur bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Voorts stelt appellante dat verweerder zich met de gemeenteraad ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bebouwing ter plaatse vanwege de gewenste openheid van het straatbeeld en de doorzichten naar het buitengebied onwenselijk is. Zij stelt dat bij bebouwing van het perceel geen sprake zal zijn van verstoring van het open straatbeeld. Ook bestaat ter plaatse geen doorkijk naar het buitengebied, omdat achter het perceel een loonbedrijf is gelegen. Voorts stelt appellante dat in vergelijkbare situaties ondanks de gewenste openheid woningbouw is toegestaan. Mitsdien heeft verweerder zijn besluit onjuist en onvoldoende gemotiveerd. Appellante merkt nog op dat zij ook kan instemmen met de mogelijkheid tot de bouw van één woning. Het standpunt van verweerder 2.
- Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder verwijst naar de kenmerkende ruimtelijke structuur van Den Dungen en stelt dat verdichting in de onderhavige situatie afbreuk doet aan de bestaande ruimtelijke kwaliteit die zich kenmerkt door openheid van het straatbeeld en doorzichten naar het buitengebied. Verweerder is niet gebleken dat ter plaatse geen sprake is van openheid. Voorts zijn de door appellante aangehaalde locaties waar nieuwe bebouwing is toegestaan niet vergelijkbaar met de onderhavige situatie, omdat deze locaties niet zijn gelegen in een lint als uitloper van de bebouwde kern, aldus verweerder. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt acht hij het aanvaardbaar dat de gemeenteraad prioriteit geeft aan herstructureringslocaties en inbreidingslocaties in de kern. Vaststelling van de feiten 2.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.15.
- Aan het perceel ten oosten van het perceel Spurkstraat 46 is de bestemming "Agrarische doeleinden, onbebouwd -Ao-" toegekend. Ingevolge artikel 14.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Agrarische doeleinden, onbebouwd -Ao-" aangewezen gronden bestemd voor: a een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering; (…) op de gronden zijn in verband met de bestemming toegelaten: e schuilgelegenheden ten behoeve van de onder a bedoelde doeleinden ; f bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge artikel 14.2.1 van de planvoorschriften mogen op of in deze gronden geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van de bouw van schuilgelegenheden, waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 20 m² en de (nok)hoogte niet meer dan 3 meter. 2.15.
- In de plantoelichting is een richtlijn voor particuliere woningbouwplannen opgenomen. Om te komen tot zuinig en intensief ruimtegebruik in het verstedelijkt gebied ligt de prioriteit bij de woningbouwopgave volgens het gemeentebestuur in eerste instantie bij herstructureringslocaties en inbreidingslocaties in de kern. Pas daarna kan invulling worden gegeven aan locaties in het overgangsgebied van het verstedelijkt gebied (aan de rand van de kern) naar het landelijk gebied en op uitbreidingslocaties. Het gemeentebestuur is terughoudend met een verdere verdichting van de stedenbouwkundige structuur in de kern. Openingen in deze structuur hebben namelijk vaak een bepaalde stedenbouwkundige waarde, omdat ze bijvoorbeeld een aantrekkelijke doorkijk bieden naar het landelijke gebied of markante bebouwing. Deze openingen kunnen groenelementen betreffen of dienen als speelterrein of parkeervoorziening; ze kunnen ook voor aangename afwisseling in de bebouwing zorgen of dienen als tegenhanger van een 'versteend' straatbeeld. Niet alle open plekken hoeven te worden opgevuld, aldus de plantoelichting (p. 26 e.v.). 2.15.
- Volgens het deskundigenbericht vormt de Spurkstraat vanaf het perceel aan de Spurkstraat 46 een overgang van verdicht woongebied, ten westen van de IJzeren Poortweg, naar het buitengebied met weinig of geen woningen. Voorts liggen aan weerszijden van het perceel Spurkstraat 46 woningen op ruime afstand van elkaar. Hierdoor ontstaat volgens het deskundigenbericht een beeld van openheid. De afstand tussen de in het plan opgenomen bouwvlakken ten behoeve van de woningen aan de Spurkstraat 46 en 48 bedraagt ongeveer 60 meter. Volgens de deskundige zou de bouw van één woning niet noodzakelijkerwijs het doorzicht naar het buitengebied belemmeren. Ook wordt een directe doorkijk vaak verhinderd door heggen, bomen en in de zomerperiode door maïsteelt, aldus de deskundige. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Blijkens het deskundigenbericht zijn de woningen aan de Spurkstraat gelegen in een uitloper van de bebouwde kom grenzend aan het buitengebied van Den Dungen. Voorts zijn de bouwvlakken langs de Spurkstraat vanaf de kruising met de Spekstraat en de IJzeren Poortweg gespreid en op een zekere afstand van elkaar gelegen. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse sprake is van openheid van het straatbeeld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat ten zuiden van het perceel met de bestemming "Agrarische doeleinden, onbebouwd -Ao-" bedrijfsbebouwing aanwezig is waarvoor bouwvergunningen zijn verleend. Mede gelet hierop is ter plaatse sprake van een verminderde doorkijk naar het buitengebied. Voorts heeft appellante in verband met de doorkijk naar het buitengebied in haar bedenkingen aangegeven te kunnen instemmen met een bouwmogelijkheid voor één woning. Nu de bouw van één woning volgens het deskundigenbericht niet noodzakelijkerwijs het doorzicht naar het buitengebied zou belemmeren, is de Afdeling van oordeel dat het voor verweerder in de rede lag om deze mogelijkheid in ogenschouw te nemen. Verweerder is echter in het bestreden besluit niet ingegaan op deze mogelijkheid. In zoverre is het bestreden besluit genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van appellante geen bespreking meer. Het beroep van [appellante sub 4] voor het overige Het standpunt van appellante 2.
- Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 1 -W1-" en de aanduiding "bedrijf toegestaan" betreffende haar bedrijfsperceel aan de Mgr. Godschalkstraat. Daartoe stelt appellante dat de ter plaatse bestaande bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3 ten onrechte niet als zodanig in het plan zijn bestemd. Ook blijkt uit het bestreden besluit niet welke van haar bedrijfsactiviteiten tot milieucategorie 3 behoren en mitsdien onder het overgangsrecht zijn gebracht, aldus appellante. Zij voert hierbij aan dat geen concreet zicht bestaat op verplaatsing van haar bedrijf. Verder stelt appellante dat de aanduiding "bedrijf toegestaan" ten onrechte niet aan het gehele bedrijfsperceel is toegekend. Uit het plan blijkt mitsdien niet dat ook het onbebouwde deel van haar perceel ten behoeve van haar installatiebedrijf mag worden gebruikt. Voorts omvat het toegekende bouwvlak niet alle aanwezige bedrijfsbebouwing en is nieuwbouw van een bedrijfsgebouw binnen het bouwvlak evenmin mogelijk gemaakt, aldus appellante. Het standpunt van verweerder 2.
- Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder onderschrijft het beleid van het gemeentebestuur waarin bedrijven in milieucategorie 3 vanwege hun milieuhygiënische hinder niet wenselijk en niet aanvaardbaar in een woonomgeving worden geacht. Hij merkt op dat appellante in afwachting van een eventuele verplaatsing haar bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3 onder het overgangsrecht van het plan kan voortzetten gedurende de planperiode. Voorts merkt verweerder op dat de aanduiding "bedrijf toegestaan" betrekking heeft op het gehele bouwvlak. Blijkens de plankaart geldt ten behoeve van het bedrijf van appellante geen maximaal bebouwings-percentage. Ook zijn de onbebouwde gronden van appellante binnen het bouwvlak opgenomen, waarmee het gebruik ervan ten behoeve van haar bedrijf is toegestaan, aldus verweerder. Vaststelling van de feiten 2.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.19.
- Het installatiebedrijf van appellante is gevestigd op gronden achter de woningen Mgr. Godschalkstraat […],[…],[…] en […]. Aan de gronden van de woning Mgr. Godschalkstraat […] en het achterliggende bedrijf is de bestemming "Woondoeleinden 1 -W1-" met één bouwblok en de nadere aanduiding "bedrijf toegestaan" toegekend. Blijkens de vergunning op grond van de Wet milieubeheer is ter plaatse onder meer de opslag van gasflessen toegestaan. 2.19.
- Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden 1 -W1-" aangewezen gronden bestemd voor een bedrijf in de milieucategorie 1 of 2 als bedoeld in bijlage 1 van deze voorschriften, ter plaatse van de aanduiding "bedrijf toegestaan" op de plankaart. In de bijlage bij de planvoorschriften is het type 'installatiebedrijf' niet opgenomen. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder i en k, zijn in verband met de bestemming op de gronden toegelaten gebouwen en aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten behoeve van de onder a t/m f bedoelde doeleinden. 2.19.
- Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt verstaan onder: bestemmingsvlak: een op de plankaart aangegeven vlak met een zelfde bestemming; bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandig (complex van) bouwwerk(en) is toegelaten; bouwvlak: een op de plankaart aangegeven vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop (hoofd)gebouwen zijn toegelaten; 2.19.
- Ingevolge artikel 3.2.1 van de planvoorschriften bij de bestemming "Woondoeleinden 1 -W1-" gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepalingen: a Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd; (…) 2.19.
- Ingevolge artikel 3.2.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften mag de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en de bijgebouwen bij een hoofdgebouw: 1 op bouwpercelen tot 300 m² niet meer bedragen dan 65 m²; 2 op percelen gelijk aan of groter dan 300 m² niet meer bedragen dan 65 m², vermeerderd met 10% van het aantal vierkante meters dat het perceel groter is dan 300 m², met dien verstande dat de totale bebouwde oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 250 m² (…) 2.19.
- Ingevolge artikel 25.3 van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het van kracht worden van dit plan worden voortgezet, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan naar de aard en omvang niet wordt vergroot. 2.19.
- Ten aanzien van de bedrijvigheid in het plangebied wordt in de plantoelichting (p. 46) opgemerkt dat gestreefd moet worden naar het verplaatsen van hinderlijke bedrijvigheid uit de woongebieden naar geschikte terreinen. De woonfunctie is en blijft maatgevend voor de categorie bedrijvigheid die wordt toegestaan. Deze bedrijvigheid mag de kwaliteit van het wonen niet in negatieve zin beïnvloeden. Dit houdt in dat alleen bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 zullen worden toegestaan. Van oudsher kunnen nog bedrijven van milieucategorie 3 voorkomen. Deze horen eigenlijk thuis op een bedrijventerrein, maar zolang zij nog wel in een woonomgeving zijn gesitueerd, mogen zij daar blijven bestaan en vallen zij onder het overgangsrecht, aldus de plantoelichting (p. 48). Het oordeel van de Afdeling 2.
- Blijkens de plankaart in samenhang met artikel 3.1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften zijn de bedrijfsactiviteiten van het installatiebedrijf van appellante ter plaatse van haar bedrijfsperceel niet toegestaan. In zijn reactie op het deskundigenbericht alsmede ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij bij nader inzien van mening is dat de bedrijfsactiviteiten van appellante in de milieucategorieën 1 en 2 ter plaatse ten onrechte niet als zodanig in het plan zijn toegelaten. Verweerder en de gemeenteraad achten deze bedrijfsactiviteiten aanvaardbaar in een woonomgeving. Nu verweerder echter op dit punt goedkeuring heeft verleend aan het plan en zich mitsdien in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, terwijl niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 2.20.
- Ten aanzien van de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel van appellante, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de plankaart, gelezen in samenhang met de planvoorschriften, volgt dat de aanduiding "bedrijf toegestaan" betrekking heeft op het op de plankaart als zodanig aangegeven bouwvlak dat is toegekend aan de gronden van de woning Mgr. Godschalkstraat 10A en de gronden van het bedrijf van appellante. Nu bij de bestemming "Woondoeleinden 1 -W1-" woonhuizen als hoofdgebouwen zijn aangemerkt, dienen de bedrijfsgebouwen van appellante te worden aangemerkt als aan- en uitbouwen en bijgebouwen als bedoeld in artikel 3.2.2 van de planvoorschriften. Ook deze zijn blijkens de begripsbepalingen bij de planvoorschriften als gebouwen slechts toegestaan binnen het bouwvlak. Uit het deskundigenbericht is voorts gebleken dat de bedrijfsbebouwing van appellante een grotere oppervlakte beslaat dan 250 m², welke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen blijkens artikel 3.2.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften ten hoogste is toegelaten. Mitsdien is een deel van de bedrijfsbebouwing van appellante niet als zodanig in het plan bestemd en daarmee onder de in 2.19.6 genoemde overgangsregeling gebracht. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder dit niet onderkend. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit eveneens op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 2.20.
- Het beroep van [appellante sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 1-W1-" en de aanduiding "bedrijf toegestaan" betreffende het bedrijfsperceel van appellante, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van het college voor het overige Het standpunt van verweerder 2.
- Verweerder acht artikel 6.1, onder b, c en d, van de planvoorschriften bij de bestemming "Centrumdoeleinden -C-" in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daarom goedkeuring onthouden aan deze planvoorschriften. Verweerder stelt dat in het plan ten onrechte geen sturingselementen zijn opgenomen om functiewisseling binnen de bestemming "Centrumdoeleinden -C-" in goede banen te leiden, zoals een wijzigingsbevoegdheid of een maximum bruto-vloeroppervlakte per functie. Mitsdien is het mogelijk dat het gebied met de bestemming "Centrumdoeleinden -C-" wordt bestreken door één functie, waardoor de structuur van het voorzieningenniveau in Den Dungen wordt ontwricht. De beleidsvisie van de gemeente versterkt het uitgangspunt dat er een noodzaak is voor een sturingsinstrument, aldus verweerder. Het standpunt van appellant 2.
- Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 6.1, onder b, c en d, van de planvoorschriften. Appellant acht het niet aannemelijk dat het gebied wordt bestreken met slechts één of enkele van de toegelaten vormen van gebruik binnen de bestemming "Centrumdoeleinden -C-". Voorts verwijst hij naar zijn uitvoeringsstrategie zoals beschreven in zijn schrijven in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 10:30 van de Awb. Aan deze uitvoerings-strategie ligt een ruimtelijke en functionele analyse en waardering van de ontwikkeling van Den Dungen ten grondslag. Nu het voorzieningenniveau in Den Dungen onder druk staat, heeft appellant bewust functiemenging en uitwisselbaarheid van functies rechtstreeks mogelijk gemaakt. Vaststelling van de feiten 2.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.23.
- Aan verscheidene gronden langs de Listerstraat, Bosscheweg, het Heilig Hartplein, Maaskantje en de Hoogstraat is de bestemming "Centrumdoeleinden -C-" toegekend. Ingevolge artikel 6.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Centrumdoeleinden -C-" aangewezen gronden bestemd voor: a wonen al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep en/of een aan huis verbonden bedrijf; b detailhandel; c horeca; d dienstverlenend bedrijf/instelling; (…) 2.23.
- Blijkens het deskundigenbericht en de plantoelichting is vooral langs het lint Hoogstraat-Maaskantje-Heilig Hartplein-Listerstraat duidelijk sprake van een menging van de woonfunctie met winkels, horeca, maatschappelijke voorzieningen en bedrijven. Ten aanzien van de gevestigde detailhandel wordt in de plantoelichting opgemerkt dat uit de Distributie Planologische Verkenning (bijlage 3 bij de plantoelichting) blijkt dat in vergelijking tot andere kernen van vergelijkbare grootte het aanbod als mager te typeren is. Gezien de nabijheid van winkelcentra van regionale betekenis, zoals 's-Hertogenbosch en Sint-Michielsgestel, is hierbij echter nuancering op zijn plaats. Voorts is er een tamelijk gevarieerd aanbod aan horeca in Den Dungen. Het huidige beleid van de gemeente is er op gericht de bestaande horeca-vestigingen te handhaven. Verder wordt een consolidatiebeleid nagestreefd, waarbij binnen het plangebied geen nieuwe horecabedrijven worden toegestaan. Ook de ontwikkeling van harde horeca - disco en dergelijke - wordt niet toegestaan, aldus de plantoelichting (p. 18). 2.23.
- In de plantoelichting (p. 24) is een waardering in sterke en zwakke punten van de kom Den Dungen opgenomen. Samen met de programmatische aspecten en de ontwikkelingsmogelijkheden van het plan vormt deze waardering de basis voor de ruimtelijke en functionele visie voor de kom van Den Dungen. Als zwakke punten van het bebouwd en onbebouwd gebied worden onder meer de verspreid liggende voorzieningen en het ontbreken van een centraal plein als ontmoetingsplek genoemd. 2.23.
- In haar advies ten behoeve van het ontwerp-besluit omtrent goedkeuring van het plan heeft de Provinciale Planologische Commissie (hierna: PPC) onder meer aangegeven te betreuren dat in het plan geen uitvoeringsstrategie is opgenomen in het kader van de gewenste opwaardering van het centrum. In de planvoorschriften zijn geen sturingsinstrumenten voor het gemeentebestuur opgenomen om functiewisseling binnen de bestemming "Centrumdoeleinden -C-" in goede banen te leiden, aldus de PPC. In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 10:30 van de Awb heeft het gemeentebestuur bij brief van 22 april 2005 een reactie op dit advies van de PPC uitgebracht. Hierin stelt het gemeentebestuur dat functiemenging en uitwisselbaarheid van functies in het 'centrum' van den Dungen - rond de kerk, het zorgcentrum en een deel van het lint Maaskantje-Heilig Hartplein-Listerstraat - gewenst zijn. De mate van flexibiliteit in de juridisch-planologische regeling om de (nodige) functiewisseling tegen het licht van mogelijke toekomstige ontwikkelingen te kunnen accomoderen is volgens het gemeentebestuur van wezenlijk belang. Met opzet is de doeleindenomschrijving van artikel 6.1 van de planvoorschriften op voorliggende manier vorm gegeven, aldus het gemeentebestuur. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Ingevolge de planvoorschriften zijn de binnen de bestemming "Centrumdoeleinden -C-" opgenomen functies bij recht toegelaten en zijn voorts geen beperkingen gesteld aan de nieuwvestiging van deze functies. Derhalve heeft verweerder terecht gesteld dat het plan in zoverre mogelijk maakt dat het gehele gebied met de bestemming "Centrumdoeleinden -C-" door één functie wordt bestreken. Mitsdien heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat de structuur van het voorzieningenniveau in Den Dungen kan worden ontwricht en dat gelet hierop ten onrechte in het plan geen sturingselementen zijn opgenomen om functiewisseling binnen de bestemming "Centrumdoeleinden -C-" te reguleren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat blijkens de plantoelichting reeds een gevarieerd aanbod aan horecabedrijven in de kern is gevestigd en het beleid van het gemeentebestuur erop is gericht om binnen het plangebied geen nieuwe horecabedrijven toe te laten. Het bestaan van de door het college genoemde uitvoeringsstrategie doet aan het bovenstaande niet af, nu hieraan geen bindende werking toekomt. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van appellant op dit punt is ongegrond. Het beroep van de Vereniging tot Behoud van het Groene Hart van Brabant Het standpunt van appellante 2.
- Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Ten eerste stelt appellante dat de gemeenteraad ten onrechte niet op ieder argument ter ondersteuning van haar zienswijze is ingegaan. Voorts stelt zij dat een aantal belangrijke, direct op de bebouwde kom aansluitende, bebouwde structuren ten onrechte niet in het plan zijn opgenomen. Ook wijst zij op enkele onvolkomenheden in de plantoelichting. 2.25.
- Voorts stelt appellante dat ten onrechte de aanduiding "bedrijf toegestaan" is toegekend aan het perceel Bramerslandstraat 17, nu ter plaatse geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden. Bovendien zijn daarmee meer bedrijfsactiviteiten toegestaan dan onder de voorheen geldende maatbestemming ten behoeve van het stratenmakersbedrijf. Dit bedrijf komt ook niet voor op de bedrijvenlijst bij de planvoorschriften. Ook stelt appellante dat ten onrechte een bouwvlak met de aanduiding "nieuw woonhuis toegestaan" is toegekend aan de gronden naast het perceel Grinsel
- Deze bebouwingsmogelijkheid tast volgens appellante de gebiedskarakteristiek en de monumentale waarde van het naastgelegen rijksmonument aan. 2.25.
- Verder stelt appellante dat ten onrechte in het plan geen toetsingskader is opgenomen ten behoeve van de cultuurhistorische waarden in het plangebied. Zo biedt de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden -VV-" geen bescherming voor het historisch straatprofiel. Voorts voert appellante aan dat onduidelijk is wat onder het begrip 'stedenbouwkundige karakteristiek' in de wijzigingsbepalingen bij de woonbestemmingen moet worden verstaan. Onder het begrip 'maaiveld' dient naar haar stelling te worden verstaan de terreinhoogte ten tijde van de terinzagelegging van het plan. Mitsdien kan de bestaande terreinhoogte worden gehandhaafd aan de hand van een digitale hoogtekaart. Ook stelt zij dat onduidelijk is wat onder de doeleinden van de bestemming "Tuin -T-" wordt begrepen. Ten slotte is naar haar stelling ten onrechte geen definitie opgenomen van 'cultuurhistorische waarden'. De omschrijving van cultuurhistorische waarden in het streekplan is niet relevant voor het bestemmingsplan, aldus appellante. 2.25.
- Voorts worden volgens appellante de particuliere groenstructuren en de archeologische en cultuurhistorische waarden van het bodemprofiel onvoldoende beschermd door het plan. Hierbij stelt zij dat ruime bebouwingsmogelijkheden voor bijgebouwen in het plan zijn opgenomen. Appellante stelt dat diep penetrerende bebouwing met bijgebouwen moet worden voorkomen door op de diepe percelen in het plangebied een bebouwingsvrije zone op te nemen en bijzondere open plekken als zodanig op de plankaart weer te geven. Voorts dient volgens appellante ter behoud van het particulier groen een maximaal toelaatbaar verhardingsvlak te worden opgenomen. Zij stelt hierbij dat verweerder niet heeft onderbouwd dat in het plangebied geen bijzondere waarden in de voortuinen aanwezig zijn. Daarnaast wenst appellante een aanlegvergunningenstelsel voor de bescherming van het bestaande authentieke bodemarchief. Ten slotte moet volgens appellante worden gestreefd naar sanering van agrarische bedrijven aan de rand van de kom om de bestaande milieu-hygiënische belemmeringen voor stedelijke bebouwing op te heffen. Het standpunt van verweerder 2.
- Verweerder heeft in de bedenkingen van appellante geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder merkt op dat aan de plantoelichting geen juridische status kan worden toegekend. Voorts stelt hij dat de gemeenteraad zorgvuldig is ingegaan op de door appellante ingediende zienswijzen en dat de strekking van de zienswijzen volledig is beantwoord. Ten aanzien van de plangrens acht verweerder het acceptabel dat de gemeenteraad de plangrens heeft afgestemd op de begrenzing van het bestemmingsplan voor het buitengebied. 2.26.
- Ten aanzien van het perceel Bramerslandstraat 17 stelt verweerder dat de gemeenteraad heeft verklaard dat uit een gemeentelijke inventarisatie is gebleken dat ter plaatse feitelijk bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend. Voorts merkt hij op dat het plan geen maatbestemmingen kent. De eventuele vestiging van een ander type bedrijf, mits opgenomen in de bedrijvenlijst bij het plan, acht verweerder niet bezwaarlijk. Het nieuwe bouwvlak naast Grinsel 86 acht verweerder vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar in relatie tot de onmiddellijke omgeving. Ook past de voorziene woningbouw volgens verweerder binnen het ruimtelijk beleid waarbij prioriteit wordt gegeven aan zogeheten inbreidingslocaties. De noodzaak voor het zoeken naar alternatieve locaties is dan ook niet aanwezig, aldus verweerder. 2.26.
- Voorts stelt verweerder dat het plan voldoende waarborg biedt voor de bescherming van bijzondere open plekken en cultuurhistorische waarden. Hierbij stelt hij dat de aanwezige groenwaarden voor zover noodzakelijk worden beschermd door de bestemming "Tuin -T-", waarbinnen geen bebouwing is toegestaan. Verweerder meent dat in het gangbare spraakgebruik voldoende duidelijk is wat onder een tuin en derhalve onder tuindoeleinden moet worden verstaan. Ook de in het plan opgenomen definitie van 'maaiveld' is volgens verweerder gebruikelijk. Verder stelt verweerder dat appellante niet heeft onderbouwd dat een maximaal toelaatbaar verhardingsvlak voor het particulier groen moet worden opgenomen. De opname van een dergelijke regeling ten aanzien van voortuinen, alsmede een aanlegvergunningenstelsel ten behoeve van het bodemarchief, acht verweerder wegens het ontbreken van bijzondere waarden als beschermde stads- of dorpsgezichten te verstrekkend. Het vaststellen van een bebouwingsvrije zone in achtertuinen acht verweerder evenmin noodzakelijk. Verweerder merkt op dat het begrip 'cultuurhistorische waarden' in het streekplan is gedefinieerd en is gekoppeld aan de provinciale cultuurhistorische waardenkaart, die verweerder en de gemeenteraad bij de beoordeling van het plan hebben betrokken. Voorts merkt hij op dat binnen de bestemmingen "Woondoeleinden 1 -W1-" en "Woondoeleinden 3 -W3-" wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van de nieuwbouw van een woning gebonden zijn aan de voorwaarde dat de stedenbouwkundige karakteristiek niet mag worden aangetast. Hierbij zullen de groene zichtrelaties met het buitengebied, de grotere groenstructuren en de cultuurhistorische waarden worden betrokken. Ook zijn de woonbestemmingen onder meer gericht op de instandhouding van rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en beeldbepalende bebouwing. Door de begrenzingen van de bouwvlakken en genoemde wijzigingsbevoegdheden is voldoende veiliggesteld dat verdichting van bebouwing niet plaatsvindt waar dat ongewenst is, aldus verweerder. Ten slotte merkt hij op dat sanering van agrarische bedrijven tot de beleidsmatige keuze van de gemeenteraad behoort. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.
- Ingevolge artikel 14 van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders, voor zover zulks noodzakelijk is: a. om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a. 2.27.
- Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt verstaan onder: tuin: een stuk grond behorende bij een woonhuis, welke is ingericht met (open) water en/of waterhuishoudkundige voorzieningen, groen en/of groenvoorzieningen en/of verhardingen ten behoeve van het woongenot en ten dienste van het gebruik van het woonhuis; maaiveld: de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft. 2.27.
- Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, f, m en n, en artikel 4.1, aanhef en onder a, d, j en k, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden 1 -W1-" en "Woondoeleinden 3 -W3-" aangewezen gronden bestemd voor wonen (…) en de instandhouding en bescherming van de op de plankaart als 'rijksmonument', 'gemeentelijk monument' of 'beeldbepalende bebouwing' aangegeven gebouwen, met de daarbij behorende tuinen en erven en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden 1 -W1-" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf toegestaan" op de plankaart bestemd voor een bedrijf in de milieucategorie 1 of 2 als bedoeld in bijlage 1 van deze voorschriften. Ingevolge artikel 3.2.1 en 4.2.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, is de nieuwbouw van woonhuizen, uitgezonderd vervangende nieuwbouw, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "nieuw woonhuis toegestaan" op de plankaart. Ingevolge artikel 3.2.1 en 4.2.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften dient de op de plankaart als 'open bebouwing', 'halfopen bebouwing', 'gesloten bebouwing' aangegeven bebouwingskarakteristiek te worden aangehouden. 2.27.
- Ingevolge artikel 3.2.2 en 4.2.2 van de planvoorschriften bij de bestemmingen "Woondoeleinden 1 -W1-" en "Woondoeleinden 3 -W3-" gelden voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen de volgende bepalingen: a aan- en uitbouwen dienen op een afstand van tenminste 3 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd. b de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en de bijgebouwen bij een hoofdgebouw mag: 1 op bouwpercelen tot 300 m² niet meer bedragen dan 65 m²; 2 op percelen gelijk aan of groter dan 300 m² niet meer bedragen dan 65 m², vermeerderd met 10% van het aantal vierkante meters dat het perceel groter is dan 300 m², met dien verstande dat de totale bebouwde oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 250 m². c de goothoogte van een aan- en uitbouw en een bijgebouw mag niet meer dan 3 meter bedragen. d. de (nok)hoogte van een aan- en uitbouw en een bijgebouw mag niet meer dan 5,5 meter bedragen. 2.27.
- Ingevolge artikel 3.7.1 en 4.7.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen in die zin dat binnen de bestemming "Woondoeleinden 1 -W1-" en "Woondoeleinden 3 -W3-" een bouwmogelijkheid wordt gecreëerd ten behoeve van de nieuwbouw van woonhuizen, met dien verstande dat 1 de stedenbouwkundige karakteristiek van de omgeving niet wordt aangetast; 2 de bebouwingstypologie en goot- en nokhoogte aansluiten bij de aangrenzende bebouwing; (…) 4 er geen bezwaren zijn vanuit archeologisch en milieutechnisch (…) oogpunt; (…) 2.27.
- Ingevolge artikel 5.1 van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Tuin -T-" aangewezen gronden bestemd voor: a tuinen, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; met daaraan ondergeschikt: b (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; c groen en groenvoorzieningen. Ingevolge artikel 5.2.1 van de planvoorschriften mogen op of in deze gronden geen gebouwen worden gebouwd. Ingevolge artikel 5.2.2 mag bij het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a de (nok)hoogte van erfafscheidingen niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de (nok)hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 meter mag bedragen. b de (nok)hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 4 meter bedragen. 2.27.
- Ingevolge artikel 16.1 van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Groenvoorzieningen -G-" aangewezen gronden bestemd voor: a groen en groenvoorzieningen; b (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; c paden; d speelvoorzieningen; e instandhouding en bescherming van de op de plankaart als 'gemeentelijk monument' of 'beeldbepalende bebouwing' aangegeven gebouwen; (…) op de gronden zijn in verband met de bestemming toegelaten: k bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge artikel 16.2 van de planvoorschriften mogen op of in deze gronden geen gebouwen worden gebouwd. 2.27.
- Ingevolge artikel 17.1 van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Verkeers- en verblijfdoeleinden -VV-" aangewezen gronden bestemd voor: a wegen, ontsluitingswegen en paden; b infrastructurele voorzieningen; c parkeervoorzieningen; d verhardingen; e groen en groenvoorzieningen; f speelvoorzieningen; g (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h nutsvoorzieningen. Vaststelling van de feiten 2.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.28.
- Het streekplan vermeldt dat de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang zijn aangegeven op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart
(2002). Bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen moet met deze waarden rekening worden gehouden. Dit geldt in het bijzonder voor de historisch-landschappelijke vlakken met hoge en zeer hoge waarde, zoals aangegeven op toelichtende kaart G van het streekplan (p. 65). Het plangebied is op deze kaart niet als zodanig aangegeven. Blijkens de uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart in de plantoelichting (p. 9) bestaan de cultuurhistorische waarden van Den Dungen uit de hoog gewaardeerde historische stedenbouw langs de oude linten van Den Dungen en de zeer hoog gewaardeerde historische geografie van Maaskantje. 2.28.
- De ruimte omsloten door de oude linten Bosscheweg en Bramerslandstraat vormt volgens de plantoelichting een specifiek ruimtelijk segment van de bebouwde kom. Het vormt het laatste restant waar nog sprake is van een bewaard gebleven middeleeuwse kavelstructuur welke verder in de kom vrijwel geheel is verdwenen of verminkt is geraakt door bebouwing, verandering of versnippering. Tezamen met een dertiental authentieke bebouwingen, waaronder enkele rijksmonumenten, vormt dit segment daarom het cultuurhistorisch kerngebied bij uitstek van de kom. Ook de ruimtelijke kwaliteit is hoog door het groene en onbebouwde karakter, aldus de plantoelichting (p. 11). 2.28.
- Blijkens de plantoelichting (p. 38) worden de cultuurhistorische linten uit historisch en stedenbouwkundig oogpunt hoog gewaardeerd. Inbreiding en herinrichting van het openbaar gebied dienen vanuit dit besef plaats te vinden. Zoveel als mogelijk zijn de bestaande kwaliteiten (bebouwingsgrenzen, hoogten, tuin e.d.) vastgelegd in het bestemmingsplan. Ook is een beschermende regeling opgenomen voor de aanwezige (potentiële) gemeentelijke monumenten en rijksmonumenten. Gezien het stenige beeld van de meeste nieuwere woonbuurten wordt voorgesteld om de afmetingen van voortuinen en tuinen op hoeken van wegen niet verder te verkleinen. Het groene beeld van de woongebieden wordt namelijk in belangrijke mate bepaald door die voortuinen. In verband hiermee is in het voorliggend bestemmingsplan de bestemming "Tuin -T-" opgenomen, waar geen (hoofd)bebouwing mag worden opgericht. Zo worden naast voortuinen ook zijtuinen veiliggesteld van bebouwing, aldus de plantoelichting (p. 43). 2.28.
- Ten aanzien van de archeologische waarde van het plangebied wordt in de plantoelichting opgemerkt dat de huidige bebouwde kom en de omgeving van Den Dungen een middelhoge verwachtingswaarde hebben. Ter hoogte van de Hoogstraat en het bedrijventerrein 't Schild liggen gebieden met hoge archeologische verwachtingswaarden. In geval van plannen binnen gebieden met hoge of middelhoge archeologische trefkans moeten de archeologische waarden worden geïnventariseerd. Indien uit deze inventarisatie blijkt dat er archeologische waarden in het geding zijn, moet aanvullend onderzoek uitwijzen of deze waarden behoudenswaardig zijn. In voorkomend geval moeten deze waarden worden veiliggesteld, aldus de plantoelichting (p. 9). 2.28.
- Blijkens het deskundigenbericht wordt Den Dungen gekenmerkt door diepe huispercelen met grote achtertuinen en voortuinen met grote variatie aan diepte. Het groene karakter bestaat uit openbaar en particulier groen en uit vrije doorzichten naar het buitengebied. Het middengebied tussen de Bosscheweg en de Bramerslandstraat heeft een zeer groen karakter door de diepe privé-tuinen. De Bramerslandstraat is een zeer rustige woonstraat. Aan Bramerslandstraat 17 zijn nieuwe woningen gevestigd met op de achterliggende gronden bedrijfsbebouwing. Deze vormt de enige bebouwing achter de woonbebouwing aan de Bramerslandstraat. De bedrijfsactiviteiten van het stratenmakersbedrijf op het perceel Bramerslandstraat 17 zijn inmiddels beëindigd. Het perceel tussen Grinsel 86 en 86A betreft een onbebouwd terrein, aldus het deskundigenbericht. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de gemeenteraad de door haar ingediende zienswijzen heeft behandeld. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat de gemeenteraad de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de gemeenteraad niet voldoende is gemotiveerd. Voorts is niet gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Dit betoog van appellante kan mitsdien niet slagen. 2.29.
- Gelet op de systematiek van de WRO komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat verweerder deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de gemeenteraad de plangrens en daarmee het plangebied heeft afgestemd op de plangrens van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Blijkens het deskundigenbericht zijn hierin de gebieden opgenomen waar agrarische of agrarisch verwante functies dominant zijn. Voor zover appellante heeft gewezen op onjuistheden of onvolledigheden in de plantoelichting, overweegt de Afdeling dat verweerder in de betreffende bedenkingen geen aanleiding behoefde te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden, nu aan deze toelichting geen bindende betekenis toekomt. 2.29.
- Ten aanzien van het bouwvlak met de aanduiding "nieuw woonhuis toegestaan" naast het perceel Grinsel 86, overweegt de Afdeling dat de maximaal toegestane goot- en nokhoogte en het halfopen bebouwingstype van de toegelaten woonbebouwing gelijk zijn gesteld aan die van het naastgelegen rijksmonument. Nu voorts is gebleken dat nabij het bouwvlak een nieuwe woningbouwlocatie is gelegen, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouwmogelijkheid vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is in relatie tot de onmiddellijke omgeving. Hierbij heeft de Afdeling tevens in aanmerking genomen dat in het vorige bestemmingsplan ook in een bouwmogelijkheid op het perceel is voorzien. 2.29.
- Uit artikel 3.7.1 en 4.7.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, volgt dat burgemeester en wethouders het plan kunnen wijzigen in die zin dat binnen de bestemmingen "Woondoeleinden 1 -W1-" en "Woondoeleinden 3 -W3-" een nieuw woonhuis is toegelaten. Daartoe stelt het plan onder meer de voorwaarde dat de stedenbouwkundige karakteristiek van de omgeving niet wordt aangetast. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat de groene zichtrelaties met het buitengebied, de grotere groenstructuren en de cultuurhistorische waarden onderdeel uitmaken van de kenmerkende stedenbouwkundige karakteristiek van Den Dungen. Mitsdien zullen deze in de plantoelichting beschreven aspecten worden betrokken bij de besluitvorming omtrent vaststelling en goedkeuring van de op artikel 3.7.1 en 4.7.1 van de planvoorschriften gebaseerde wijzigingsplannen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het begrip 'stedenbouwkundige karakteristiek' voldoende duidelijk is. 2.29.
- Ten aanzien van de bescherming van de cultuurhistorische waarden in het plan, overweegt de Afdeling het volgende. Gelet op de planvoorschriften dienen de in het plangebied aanwezige rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en beeldbepalende bebouwing in stand te worden gehouden en te worden beschermd op de gronden met de bestemmingen "Woondoeleinden 1-W1-" en "Woondoeleinden 3 -W3-". Dit geldt blijkens de desbetreffende planvoorschriften ook onder de bestemmingen "Centrumdoeleinden -C-", "Maatschappelijke doeleinden -M-", "Agrarische doeleinden -A-" en "Groenvoorzieningen -G-". Daarnaast staat de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden -VV-", waarbinnen ook groen en water zijn toegestaan, niet in de weg aan het behoud van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden als het historische straatprofiel. Daarbij is het beleid blijkens de plantoelichting (p. 60) onder meer gericht op behoud en verbetering van de inrichtingskenmerken en de verblijfs- en belevingskwaliteit van de binnen deze bestemming opgenomen gebieden met verkeersfuncties. Voorts is de bouw van nieuwe woonhuizen slechts mogelijk na wijziging van het plan of ter plaatse van de betreffende aanduiding op de plankaart. Daarbij dienen de bebouwingstypologie en de goot- en nokhoogte aan te sluiten bij de aangrenzende bebouwing. Gelet op het bovenstaande wordt de uitstraling van de bestaande cultuurhistorische stedenbouw naar het oordeel van de Afdeling voldoende beschermd in het plan. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat een definitie van het begrip 'cultuurhistorische waarden' in het plan noodzakelijk is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dit begrip als zodanig niet is opgenomen in de bebouwings- of gebruiksvoorschriften van het plan. Voorts houdt verweerder blijkens het streekplan bij de beoordeling van een bestemmingsplan rekening met de aanwezige cultuurhistorische waarden zoals aangegeven op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. De stelling van appellante, dat de omschrijving van cultuurhistorische waarden in het streekplan niet relevant is voor het bestemmingsplan, is mitsdien onjuist. Nu blijkens de doeleindenomschrijving en de bouwvoorschriften bij de bestemming "Tuin -T-" de als zodanig aangewezen gronden onder meer bestemd zijn voor (open) water en groen en voorts op deze gronden, met uitzondering van erfafscheidingen en kleinschalige bouwwerken, niet mag worden gebouwd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de omschrijving van de bestemming "Tuin -T-" onduidelijk is. Tevens is de Afdeling niet gebleken dat de omschrijvingen van de bestemming "Tuin -T-" en het begrip 'maaiveld' ongebruikelijk zijn. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voldoende waarborg biedt voor de bescherming van cultuurhistorische waarden. 2.29.
- Ten aanzien van de stellingen van appellante dat de particuliere groenstructuren, het bodemprofiel en het bodemarchief onvoldoende worden beschermd, overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling acht de voorschriften voor de bouw van aan,- uit- en bijgebouwen in het algemeen niet onredelijk. Voorts is de maximale toegestane oppervlakte van aan-, uit- en bijgebouwen afhankelijk van de totale oppervlakte van de betreffende percelen. Daarnaast is met name aan voortuinen bij woningen en de achterste delen van diepe percelen de bestemming "Tuin -T-" toegekend, op grond waarvan niet mag worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en kleinschalige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De gronden met de bestemming "Tuin -T-" dienen derhalve als open plek te worden gehandhaafd. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het vaststellen van een bebouwingsvrije zone in de achtertuinen en het als zodanig opnemen van bijzondere open plekken op de plankaart niet noodzakelijk is. Gelet op de betrokken belangen van de bewoners heeft verweerder zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het opnemen van een maximaal toelaatbaar verhardingsoppervlak voor de voortuinen te verstrekkend is. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat in het plangebied geen bijzondere waarden als beschermde stads- of dorpsgezichten aanwezig zijn. 2.29.
- Blijkens haar beroepschrift wenst appellante een algemene regeling voor werken en werkzaamheden in de bodem voor het gehele plangebied. Gelet op artikel 14 van de WRO is het door appellante gewenste aanlegvergunningenstelsel ter bescherming van het bodemarchief slechts mogelijk indien dat noodzakelijk is om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming, dan wel noodzakelijk is ter handhaving en bescherming van bepaalde reeds gerealiseerde bestemmingen. Het door appellante gewenste aanlegvergunningenstelsel is evenwel niet gericht op te realiseren of reeds gerealiseerde bestemmingen. Voorts acht de Afdeling een dergelijk stelsel evenmin noodzakelijk, nu in het plan ten aanzien van het op de cultuurhistorische waardenkaart met 'hoge archeologische trefkans' aangeduide gebied geen ontwikkelingen zijn voorzien. Ook is nieuwbouw van woonhuizen met toepassing van de in artikel 3.7.1 en 4.7.1 van de planvoorschriften neergelegde wijzigingsbevoegdheid slechts mogelijk indien er geen bezwaren vanuit archeologisch oogpunt bestaan. Dit betoog van appellante kan mitsdien niet slagen. 2.29.
- Voor zover appellante in beroep bezwaar maakt tegen de goedkeuring van het plan omdat niet is voorzien in een sanering van agrarische bedrijven aan de rand van de kern, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gemeenteraad in zoverre de vrijheid toekomt om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. 2.29.
- Ten aanzien van het perceel Bramerslandstraat 17 volgt uit de planvoorschriften in samenhang met de bijbehorende bedrijvenlijst dat het voorheen ter plaatse gevestigde stratenmakersbedrijf niet als zodanig is bestemd. Daarentegen zijn alle bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 zoals opgenomen in de bedrijvenlijst ter plaatse toegelaten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter niet aannemelijk geworden dat ter plaatse nog bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. In dit verband is van belang dat de aanduiding "bedrijf toegestaan" niet was opgenomen in het ontwerp van het plan, maar deze ambtshalve bij de vaststelling ter plaatse in het plan is opgenomen. Gelet op het bovenstaande alsmede de cultuurhistorische waarde en het groene karakter van het gebied tussen de Bosscheweg en de Bramerslandstraat zoals weergegeven in 2.28.5 heeft verweerder de enkele stelling van de gemeenteraad dat ter plaatse feitelijk bedrijfsactiviteiten plaatsvinden niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd. 2.29.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op de door appellante bestreden onderdelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling, behoudens hetgeen in de voorgaande overweging is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze onderdelen anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder, behalve wat betreft evenbedoeld plandeel, in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is gegrond,voor zover het op dit plandeel betrekking heeft en voor het overige ongegrond. Proceskostenveroordeling 2.
- Ten aanzien van de beroepen van [appellante sub 3], [appellante sub 4] en de Vereniging dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft het beroep van het college is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 1], voor zover dat erop is gericht dat niet de aanduiding "bedrijf toegestaan" is toegekend aan het perceel [locatie 1], en het beroep van [appellante sub 4], betreffende artikel 3.7.1 van de planvoorschriften, niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen van [appellante sub 3] en [appellante sub 4], voor zover ontvankelijk, geheel en de beroepen van het college en de Vereniging gedeeltelijk gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 mei 2005, no. 1036677, voor zover daarbij: a. goedkeuring is onthouden aan de plandelen met de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden 2 -B2-", "Verkeers- en verblijfsdoeleinden -VV-", "Water -WA-" en "Groenvoorzieningen -G-", welke plandelen zien op het bedrijventerrein Het Schild, en aan de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden - W3-" en "Tuin -T-" betreffende de woonpercelen aan de westzijde van de Listerstraat; b. goedkeuring is verleend aan:
- het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, onbebouwd -Ao-" ten oosten van het perceel Spurkstraat 46;
- het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 1 -W1-" en de aanduiding "bedrijf toegestaan" dat betrekking heeft op de gronden van [appellante sub 4] aan de Mgr. Godschalkstraat;
- het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 1 -W1-" en met de aanduiding "bedrijf toegestaan" dat betrekking heeft op de gronden aan de Bramerslandstraat 17, zoals weergegeven op de bijgevoegde kaart 1; IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1], voor zover ontvankelijk, en de beroepen van het college en de Vereniging voor het overige ongegrond; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellante sub 3] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 674,17 (zegge: zeshonderdvierenzeventig euro en zeventien cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellante sub 4] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de Vereniging in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 30,17 (zegge: dertig euro en zeventien cent), het dient door de provincie Noord-Brabant aan de Vereniging onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor [appellante sub 3], [appellante sub 4], het college en de Vereniging vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, mr. M.G.J. Parkins-de Vin, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Kooijman Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007 177-
- plankaart