← Nederland

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6854

200506955/1. Datum uitspraak: 24 januari 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats], 3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats], 4. [appellante sub 4A], wonend te [woonplaats], en [appellanten sub 4B], wonend te [woonplaats], 5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], 6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats], 7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], 8. [appellanten sub 8], wonend te [woonplaats], 9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats], 10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats], 11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats], 12. [appellante sub 12], gevestigd te [plaats], 13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats], 14. [appellante sub 14], gevestigd te [plaats], 15. [appellante sub 15], gevestigd te [plaats], 16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats], 17. [appellante sub 17A] en [appellante sub 17B], gevestigd te [plaats], 18. [appellante sub 18A] en [appellante sub 18B], gevestigd te [plaats], 19. [appellanten sub 19], wonend te [woonplaats], 20. de afdeling Drimmelen van de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie, gevestigd te Made, gemeente Drimmelen, en de afdeling Moerdijk van de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie, gevestigd te Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk (hierna: de ZLTO), 21. [appellante sub 21], gevestigd te [plaats], 22. het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk (hierna: het college), 23. [appellante sub 23], wonend te [woonplaats], 24. [appellanten sub 24], wonend te [woonplaats], 25. [appellant sub 25], wonend te [woonplaats], appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 13 december 2004 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 oktober 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied Moerdijk" vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 juli 2005, no. 1059028, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. Bij brief van 13 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 31 mei 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 en 3 oktober 2006, waar appellanten zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerder en de gemeenteraad hebben zich doen vertegenwoordigen. Appellanten sub 2, 14, 16 en 17, zijn niet verschenen en hebben zich evenmin doen vertegenwoordigen. Voorts zijn daar als partij gehoord [partij A], in persoon, [partij B], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, [partij C], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [partij D], vertegenwoordigd door mr. P.J. Wetzels, en [partij E], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis. 2. Overwegingen Intrekkingen 2.1. [appellante sub 18A] en [appellante sub 18B] hebben ter zitting hun beroepsgrond gericht tegen artikel 31, derde lid, en artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften, ingetrokken. Het college heeft ter zitting de beroepsgrond gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan het plandeel Molendijk 6 ingetrokken. Overgangsrecht 2.2. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft. Toetsingskader 2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. Inhoudelijke aspecten PERCEEL [LOCATIE 1] TE [PLAATS] Het standpunt van verweerder 2.4. Verweerder heeft de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de nadere aanwijzingen "bouwvlak (b)" en "zonder woning" ter plaatse van het perceel [locatie 1] te [plaats] in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Daarbij heeft hij het standpunt ingenomen dat het toegekende bouwvlak te veel bebouwing mogelijk maakt ten opzichte van de bestaande bebouwing. Voorts acht verweerder de vestiging van een paardenfokkerij ongewenst in verband met de ruimtelijke situatie ter plaatse. De standpunten van appellanten 2.4.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 16] kunnen zich niet verenigen met de motivering die verweerder aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag heeft gelegd. Volgens [appellant sub 1] streeft verweerder ten onrechte een beperking van de toegekende bouw- en gebruiksmogelijkheden voor voornoemd perceel na. Appellant voert aan dat hij concrete plannen heeft voor de oprichting van een paardenfokkerij met bedrijfswoning ter plaatse van het perceel. Hij heeft daar groot belang bij omdat zijn huidige bedrijf in de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle moet wijken voor de bouw van een woonwijk, aldus appellant. Volgens [appellant sub 16] heeft verweerder ten onrechte betekenis toegekend aan de op het perceel aanwezige bebouwing. Appellant meent dat deze bebouwing volledig vervallen is en dat er geen reden bestaat haar als zodanig te bestemmen. Hij betoogt dat de in het vorige plan toegekende agrarische bestemming zonder bouwmogelijkheden opnieuw aan het perceel had moeten worden toegekend. Vaststelling van de feiten 2.4.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.4.2.1. In het provinciaal ruimtelijk beleid zoals vastgelegd in de Partiële herziening Streekplan Noord-Brabant 2002 (eerste herziening), zoals vastgesteld op 3 december 2004, voor zover thans van belang, is in paragraaf 3.4.14 opgenomen dat de ontwikkeling van paardenhouderijen een belangrijke bijdrage kan leveren aan de vitaliteit van het platteland. Deze paardenhouderijen verdienen in dit verband bijzondere aandacht vanwege de grote verscheidenheid aan bedrijfsvormen, al dan niet gemengd. Zo kan een paardenfokkerij worden beschouwd als een agrarisch bedrijf, indien het fokken van paarden hoofdonderdeel uitmaakt van de bedrijfsvoering. Voorts zijn er paardenhouderijen waarbij de nadruk ligt op het africhten van paarden, en zijn er paardentransportbedrijven, paardenhandelsbedrijven en paardenpensions. Daarnaast zijn er uiteraard de op het publiek gerichte maneges. Alle paardenhouderijen hebben gemeen dat er een bepaalde mate van grondgebondenheid vereist is. Onderscheidend voor de verschillende bedrijfsvormen zijn de omvang van de bebouwing, in het bijzonder de rijhallen, en de publieks- en verkeersaantrekkende werking. Buiten de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven en buiten de locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling 'ruimte-voor-ruimte' is vestiging op een voormalige agrarische bedrijfslocatie toegestaan. Daarbij gelden in beginsel de volgende voorwaarden: - in geval van vestiging in de AHS en in bebouwingsconcentraties kan bij gebleken noodzaak de voormalige agrarische bedrijfslocatie uitgebreid worden tot een maximum van 1,5 hectare; - bij afweging van een voorgenomen vestiging dienen zich geen overwegende bezwaren van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard voor te doen. 2.4.2.2. In het provinciaal ruimtelijk beleid zoals neergelegd in het streekplan is in paragraaf 3.4.12, voor zover thans van belang, opgenomen dat nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf in het buitengebied uitsluitend is toegestaan voor intensieve veehouderijen in een veeverdichtingsgebied en op duurzame locaties voor intensieve veehouderij, voor glastuinbouwbedrijven in de vestigingsgebieden glastuinbouw, en voor grondgebonden veehouderijen in West-Brabant, als dat noodzakelijk is voor de verplaatsing van een grondgebonden veehouderij. Nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in kernrandzones en binnen een afstand van 250 meter tot zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden is echter uitgesloten. […] In de behoefte aan locaties voor nieuwe of te verplaatsen bedrijven kan worden voorzien door gebruik te maken van vrijkomende agrarische bedrijfslocaties. […] Het kan echter zo zijn dat onvoldoende geschikte bouwblokken vrijkomen voor de opvang van intensieve veehouderijen of grondgebonden veehouderijen die moeten worden verplaatst uit kwetsbare gebieden of vanwege stedelijke uitbreidingen. Dan kan nieuwvestiging in veeverdichtingsgebieden of op duurzame projectlocaties voor intensieve veehouderij aan de orde zijn. […] Nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf is de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een agrarisch bouwblok. 2.4.2.3. Hoofdstuk 5 van het streekplan biedt de mogelijkheid van de beleidslijnen uit hoofdstuk 3 van het streekplan af te wijken. Het college van gedeputeerde staten is bevoegd in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen, hiervan af te wijken. 2.4.2.4. Het plandeel waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden, is in het Streekplan Noord-Brabant 2002 (hierna: het streekplan) gesitueerd in de hoofdzone "landbouw" van de agrarische hoofdstructuur (hierna: de AHS-landbouw). 2.4.2.5. Aan de gronden van het perceel [locatie 1] zijn de gebiedsbestemming "Gebied met verweving van landbouw, water en natuurwaarden (ARWN)", de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de nadere aanwijzingen "bouwvlak (b)" en "zonder woning" toegekend. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Agrarische doeleinden (A) bestemd voor volwaardige of reële agrarische bedrijven zoals genoemd in artikel 1, zevende lid, onder a, b, c, f, g en i. Ingevolge artikel 2, derde lid, onder a en b, van de planvoorschriften mogen uitsluitend ten dienste van de bestemming gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Ingevolge artikel 2, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften, mogen gebouwen uitsluitend worden gebouwd op bouwsteden op de gronden met de nadere aanwijzing (b). Ingevolge artikel 2, vierde lid, onder n, van de planvoorschriften, mogen op de gronden met de nadere aanwijzing (

  1. zw)geen bedrijfswoningen worden gebouwd. 2.4.2.6. Ingevolge artikel 32 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het gebied op de kaart aangewezen als gebied met verweving van landbouw, recreatie, water en natuurwaarden (ARWN) bestemd voor: a. de doeleinden en bouwmogelijkheden, zoals in de bij dit voorschrift behorende tabel 3 en de tabellen 5.1 en 5.2. is aangegeven, hetzij rechtstreeks (medebestemming), hetzij na vrijstelling of planwijziging; b. de doeleinden en bouwmogelijkheden, overeenkomstig hoofdstuk II; een en ander met inachtneming van de in dit gebied voorkomende waarden in de vorm van een kenmerkende landschapsstructuur, waardevolle water- en oevervegetaties, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden. Blijkens tabel 3 van artikel 32 van de planvoorschriften is grondgebonden veehouderij met inbegrip van paardenfokkerij als hoofdtak en als neventak toelaatbaar als (mede)bestemming binnen het gebied op de kaart aangewezen als gebied met verweving van landbouw, recreatie, water en natuurwaarden (ARWN). 2.4.2.7. Blijkens de plankaart van het bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Standdaarbuiten gold ter plaatse van het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en cultuurhistorische waarde". Ingevolge artikel 6, lid A, onder I, van de planvoorschriften was bebouwing ter plaatse niet toegestaan. 2.4.2.8. Blijkens het deskundigenbericht bevinden zich op het perceel [locatie 1] twee opstallen die omstreeks 1940 zijn opgericht ten behoeve van een vlasverwerkingsbedrijf. De ene opstal betreft een bedrijfshal met een oppervlakte van ongeveer 440 m². De andere opstal betreft een gebouw met een oppervlakte van ongeveer 200 m². Verder staan een zogeheten portocabin en een woonwagen op het perceel. 2.4.2.9. Voorts is in het deskundigenbericht gesteld dat de bebouwing op het perceel [locatie 1] grotendeels in een degelijke staat verkeert en niet binnen afzienbare tijd zal verdwijnen. 2.4.2.10. Ten aanzien van de situering van het betrokken perceel is in het deskundigenbericht gesteld dat het perceel achter de woningen aan de Barlaaksedijk 11 en 13 is gelegen. Het perceel maakt deel uit van de uiterwaard van het riviertje de Dintel en ligt naast een bosstrook. De afstand van de opstallen tot de woning van [appellant sub 16] bedraagt ongeveer 100 meter. Het oordeel van de Afdeling 2.4.3. De Afdeling stelt vast dat door de onthouding van goedkeuring aan het plandeel waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellanten zijn gericht, in zoverre aan hun bezwaren is tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan. De Afdeling vat het beroep van appellanten daarom aldus op dat zij zich er tegen verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd. 2.4.4. Verweerder heeft zich, gelet op het provinciaal ruimtelijk beleid betreffende het buitengebied, terecht op het standpunt gesteld dat nieuwvestiging van het bedrijf van [appellant sub 1] op de betrokken gronden in strijd is met het provinciaal beleid. Hierbij is in aanmerking genomen dat in het vorige bestemmingsplan aan deze gronden geen agrarisch bouwblok is toegekend, zodat sprake is van nieuwvestiging. Verder doet verplaatsing van een veehouderij, als bedoeld in het provinciaal beleid, zich niet voor, nu het bedrijf van appellant niet aan te merken is als een veehouderij die moet worden verplaatst uit een kwetsbaar gebied of vanwege stedelijke uitbreidingen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van het streekplan die aanleiding kunnen geven tot afwijking van het streekplan. Dat appellant in het verleden herhaaldelijk concrete bouwplannen heeft besproken met het gemeentebestuur en aanvragen voor bouwvergunningen heeft gediend, kan niet als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt. Voor zover [appellant sub 1] in dit verband een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een bouwstede ten behoeve van zijn bedrijf zou voorzien. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve reeds hierom geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden. 2.4.5. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 16] overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Anders dan [appellant sub 16] meent, noopt de omstandigheid dat de bebouwing op het perceel [locatie 1] onder het overgangsrecht van het vorige plan is gebracht, niet tot de conclusie dat thans niet zou mogen worden voorzien in de nieuwvestiging van enige vorm van bedrijvigheid op dat perceel. Voorts acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat, gelet op de ter plaatse aanwezige bebouwing, moet worden voorzien in een passend gebruik waarbij een toename van de bebouwing wordt uitgesloten en waarbij de kleinschaligheid van de op het perceel te ontwikkelen functie wordt gegarandeerd, niet onredelijk. 2.4.6. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder aan de motivering van de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de nadere aanwijzingen "bouwvlak (b)" en "zonder woning" ter plaatse van het perceel [locatie 1] te [plaats] de door appellanten aangevoerde redenen ten grondslag had moeten leggen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 16] zijn ongegrond. HET BEDRIJF [APPELLANTE SUB 21] Het standpunt van verweerder 2.5. Verweerder heeft de perceelsbestemming "Agrarisch aanverwante doeleinden (AD)" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats] alsmede artikel 6, eerste lid, onder k, van de planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat, voor zover het plan binnen dit plandeel constructiewerkzaamheden mogelijk maakt, dit in juridisch opzicht deels nieuwe activiteiten betreft die niet functioneel aan het buitengebied gebonden zijn. Verweerder heeft verder in aanmerking genomen dat het ter plaatse gevestigde bedrijf [appellante sub 21] niet als een agrarisch aanverwant bedrijf kan worden aangemerkt. Voorts heeft verweerder artikel 6, eerste lid, onder o, van de planvoorschriften en de nadere aanwijzing "o" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats] in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Volgens hem zijn dit voorschrift en deze nadere aanduiding overbodig en te beperkend, en behoort binnen de bestemming de functie van specifieke gebouwen niet te worden gereguleerd. 2.5.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien goedkeuring te onthouden om de reden dat het bestemmingsvlak had moeten worden uitgebreid met manoeuvreerruimte. Hij acht het niet aanvaardbaar dat bestemmingsvlakken ten behoeve van niet-agrarische bedrijven worden uitgebreid. Evenmin heeft verweerder aanleiding gezien goedkeuring te onthouden om de reden dat het plan had moeten voorzien in meer bebouwingsmogelijkheden voor uitbreiding van het bedrijf. Volgens hem biedt het plan reeds voldoende mogelijkheden. 2.5.1.1. Verweerder heeft voorts hoofdstuk II van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Volgens hem berust de in dit hoofdstuk aangebrachte nuancering van de categorie-indeling van nader aangeduide bedrijven op grond van het elektromotorische vermogen niet op een deugdelijke motivering. Verweerder heeft in de bedenkingen van [appellante sub 21] geen aanleiding gezien hoofdstuk I van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft daaraan goedkeuring verleend. De standpunten van appellanten 2.5.2. [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellante sub 21] en het college kunnen zich niet verenigen met de motivering die verweerder aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag heeft gelegd. 2.5.2.1. Volgens [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] heeft verweerder ten onrechte gesteld dat aan het perceel van [appellante sub 21] een bedrijfsbestemming moet worden toegekend. Appellanten vrezen dat daardoor ook andere, niet aan het buitengebied gebonden activiteiten binnen het plandeel mogelijk worden gemaakt. Zij betogen dat aan het perceel een op het bedrijf toegesneden bestemming moet worden toegekend. 2.5.2.2. Volgens [appellante sub 21] heeft verweerder ten onrechte gesteld dat een deel van de bedrijfsactiviteiten niet onder het overgangsrecht van het voorgaande bestemmingsplan viel. Appellante betoogt dat daarom alle bedrijfsactiviteiten als zodanig in het plan bestemd moeten worden. [appellante sub 21] voert verder aan dat verweerder tevens goedkeuring had moeten onthouden aan voornoemd plandeel om de reden dat het plan niet voorziet in voldoende manoeuvreerruimte achter de bedrijfsloods. Volgens appellante zijn met de gemeente gemaakte afspraken verkeerd in het plan verwerkt. Daarnaast voert [appellante sub 21] aan dat verweerder goedkeuring had moeten onthouden aan het plandeel omdat het plan onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt. Voor zover het betreft het gedeelte van het plandeel waaraan de nadere aanwijzing (
  2. z)is toegekend, voert [appellante sub 21] aan dat verweerder aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag had moeten leggen dat een passende subbestemming had moeten worden toegekend, zodat appellante dit plandeel voor haar bedrijfsactiviteiten kan gebruiken. [appellante sub 21] kan zich verder niet verenigen met de goedkeuring van hoofdstuk I van de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor zover daardoor haar constructiewerkplaats binnen milieucategorie 4 valt. Zij meent dat haar activiteiten binnen categorie 3 dienen te vallen. 2.5.2.3. Volgens het college heeft verweerder ten onrechte goedkeuring onthouden aan artikel 6, eerste lid, onder k, van de planvoorschriften en aan de nadere aanwijzing "o". Appellant betoogt dat de in het plan neergelegde regeling juridisch aanvaardbaar is en in dit geval noodzakelijk om te waarborgen dat de betrokken loods uitsluitend voor opslag zal worden gebruikt. Vaststelling van de feiten 2.5.3. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.5.3.1. Aan de gronden van het bedrijfsperceel van [appellante sub 21] aan de [locatie 2] is de perceelsbestemming "Agrarisch aanverwante doeleinden (AD)" toegekend. Behoudens een strook grond aan de Klundertseweg is aan de gronden voorts de subbestemming "Agrarisch technisch hulp- / landbouwmechanisatiebedrijf" met de aanduiding

(3)toegekend. Aan de genoemde strook grond is de nadere aanwijzing (z) toegekend. Het deel van het plandeel waarop een deels open bedrijfsgebouw staat, is verder voorzien van de nadere aanwijzing (o). 2.5.3.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder k, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Agrarische aanverwante doeleinden - AD ter plaatse van de subbestemming "Agrarisch technisch hulp- / landbouwmechanisatiebedrijf" bestemd voor een agrarisch technisch hulpbedrijf/landbouwmechanisatiebedrijf gericht op het vervaardigen en repareren van landbouwwerktuigen (hoofdactiviteit) alsmede metaalconstructies voor zowel de agrarische als niet-agrarische sector (nevenactiviteit). Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder n, van de planvoorschriften zijn, indien op de kaart de aanduiding
(3)achter de subbestemming is vermeld, uitsluitend activiteiten voor zover deze voorkomen in ten hoogste categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder o, van de planvoorschriften mag ter plaatse van de nadere aanwijzing (
  1. o)uitsluitend opslag plaatsvinden. 2.5.3.3. Ingevolge artikel 6, vierde lid, onder b, mogen op gronden met de nadere aanwijzing (
  2. z)uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 2.5.3.4. Blijkens de plankaart bedraagt de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing op het bedrijfsperceel van [appellante sub 21] 880 m². Daarnaast staat op de plankaart een afzonderlijk bouwvlak ingetekend ten behoeve van een opslagloods, dat volledig mag worden bebouwd. 2.5.3.5. In haar uitspraak van 26 april 2006 in zaak no. 200504738/1, inzake het hoger beroep van het college en [appellante sub 21] in het geding tussen [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] enerzijds en het college anderzijds, heeft de Afdeling het volgende overwogen: "2.1. [appellante sub 21] exploiteert aan de [locatie 2] te [plaats] een agrarisch-technisch hulpbedrijf dat tevens constructiewerkzaamheden uitvoert voor onder meer loodsen. 2.2. Ingevolge artikel 11 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied", vastgesteld op 25 juli 1994, goedgekeurd op 30 augustus 1994 en onherroepelijk geworden op 30 januari 1996, rust op de betrokken gronden de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf, Ah(l)". De op de plankaart als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarisch-technisch hulpbedrijf (loonploeg- en loondorsbedrijf, landbouwmechanisatiebedrijf), al dan niet gecombineerd met een agrarisch bedrijf, met bijbehorende bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen, andere bouwwerken en erven. Ingevolge artikel 11, lid C, sub 1, is het verboden de bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bestemming. Ingevolge artikel 55, lid C, sub 1, van de planvoorschriften, mag het gebruik van de bouwwerken strijdig met het plan ten tijde van het onherroepelijk worden hiervan, worden gehandhaafd en voortgezet. 2.3. Nadat het college in bezwaar zijn besluit om niet op te treden tegen bedoelde constructiewerkzaamheden had gehandhaafd, heeft de rechtbank op 31 oktober 2003 de daartegen door [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] ingestelde beroepen gegrond verklaard en daarbij overwogen, dat het college heeft nagelaten gedegen te onderzoeken in hoeverre constructiewerkzaamheden al plaatsvonden op 30 januari 1996, zijnde de hier van toepassing zijnde peildatum. Het college heeft vervolgens een nieuwe beslissing genomen op de bezwaren tegen zijn besluit om niet-handhavend op te treden. Op de daartegen gerichte beroepen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] is de thans ter beoordeling staande uitspraak gevolgd, waarin de rechtbank heeft geoordeeld, dat niet aannemelijk is dat [appellante sub 21] op de peildatum werkzaamheden van betekenende omvang verrichtte ten behoeve van de constructie van spanten en dat, voor zover deze werkzaamheden wel in enige omvang plaatsvonden, [appellante sub 21] zich er niet op kan beroepen dat deze zijn toegestaan ingevolge artikel 55, lid C, sub 1, van de planvoorschriften. 2.4. Het college en [appellante sub 21] betogen in hoger beroep, dat de rechtbank niet tot dit oordeel had mogen komen, omdat uit de reeds eerder overgelegde gegevens genoegzaam kan worden opgemaakt dat op de peildatum in betekenende mate constructiewerkzaamheden plaatsvonden. 2.5. De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat, voor zover uit de ingestelde hoger beroepen zou kunnen worden afgeleid dat appellanten op het standpunt staan dat constructiewerkzaamheden voor loodsen (deels) zouden kunnen worden toegelaten op grond van de bestemming, met de rechtbank en mede gelet op het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen wordt geoordeeld, dat onder de werkzaamheden van een agrarisch technisch hulpbedrijf niet kunnen worden begrepen constructiewerkzaamheden voor onder meer loodsen. 2.5.1. Anders dan de rechtbank oordeelt, moet het er voorts voor worden gehouden dat er, gelet op de door [appellante sub 21] overgelegde gegevens en het nader onderbouwde standpunt van het college, reeds ten tijde van de peildatum in betekenende mate constructiewerkzaamheden plaatsvonden. Dit kan echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en gegrondverklaring van de hoger beroepen leiden. [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] hebben immers ook betoogd, dat er vanaf de peildatum van een verdere toename sprake is geweest. In het bestreden besluit en in de aangevallen uitspraak is daaraan niet toegekomen. Het college heeft in zijn beslissing op bezwaar van 8 september 2004 alleen overwogen dat uit de overgelegde gegevens niet kan worden opgemaakt hoeveel uren ten tijde van de peildatum aan constructiewerkzaamheden werden besteed. Vervolgens wordt overwogen dat het landbouwmechanische gedeelte op zich de omvang heeft van een volwaardig technisch hulpbedrijf en de constructiewerkzaamheden, voor zover in strijd met het bestemmingsplan, onder het overgangsrecht vallen. 2.5.2. Deze motivering is niet voldoende draagkrachtig. Nu de constructiewerkzaamheden in strijd waren met de bestemming mochten deze immers naar aard noch omvang toenemen ten opzichte van de situatie op de peildatum. In het Controlerapport Wet Milieubeheer van 3 december 1996 werd al melding gemaakt van een waarschijnlijk te plaatsen tweede bovenloopkraan. Het college heeft op 11 april 2002 aan [appellante sub 21] onder meer medegedeeld dat is geconstateerd, dat het bedrijf was uitgebreid ten opzichte van het bedrijf dat in de milieuvergunning van 8 september 1997 was vergund. Deze overtreding diende binnen een maand te worden opgeheven. Onder andere werd de bijplaatsing van een derde bovenloopkraan gememoreerd en werd melding gemaakt van een toegenomen aantal aan- en afvoerbewegingen ten opzichte van de aantallen, vermeld in de aanvraag van de in 1997 verleende vergunning. Het college heeft dan ook niet voldoende onderzocht, of de constructiewerkzaamheden die plaatsvonden ten tijde van het bestreden besluit naar aard en omvang zijn toegelaten op grond van artikel 55, lid C, sub 1." Het oordeel van de Afdeling 2.5.4. Het beroep van [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] mist feitelijke grondslag. Anders dan appellanten veronderstellen, heeft verweerder zich niet op het standpunt gesteld dat een algemene bedrijfsbestemming zou moeten worden toegekend aan de gronden van [appellante sub 21]. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat een specifieke op de situatie toegesneden bestemmingsregeling moet worden getroffen. 2.5.5. Ten aanzien van het beroep van [appellante sub 21] wordt het volgende overwogen. Anders dan appellante betoogt, heeft de Afdeling in haar voornoemde uitspraak van 26 april 2006 niet geoordeeld dat alle algemene constructiewerkzaamheden onder de reikwijdte van het overgangsrecht van het voorgaande plan vielen, doch slechts die werkzaamheden voor zover zij na de peildatum niet naar aard en omvang zijn toegenomen. Gelet hierop heeft verweerder in de bedenking van [appellante sub 21] geen aanleiding behoeven te zien aan de onthouding van goedkeuring mede ten grondslag te leggen dat alle bedrijfsactiviteiten in het thans voorliggende plan als zodanig hadden moeten worden bestemd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de Afdeling voldoende aannemelijk geworden dat uit een oogpunt van milieuhygiëne een ontsluiting van het bedrijf van [appellante sub 21] op het Merenswegje gunstiger is dan de bestaande ontsluiting op de Klundertseweg. Verweerder heeft deze omstandigheid niet aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegd. De Afdeling is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om met het oog op het op grond van artikel 30 van de WRO op te stellen plan de aanwijzing te geven dat bedoeld plan zal dienen te voorzien in een ontsluitingsmogelijkheid op het Merenswegje. In verband hiermee heeft verweerder evenmin afdoende gemotiveerd waarom een verdere uitbreiding van het bedrijf na de reeds vergunde en in aanbouw zijnde loods op voorhand uitgesloten zou moeten worden. Wat betreft hoofdstuk I van de Staat van Bedrijfsactiviteiten heeft [appellante sub 21] geen argumenten naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verweerder hieraan geen goedkeuring had kunnen verlenen. Overigens is ter zitting gebleken dat de verweerder en de gemeenteraad met [appellante sub 21] van mening zijn dat het bedrijf moet worden aangemerkt als een categorie 3 bedrijf in de zin van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. 2.5.6. Ten aanzien van het beroep van het college wordt overwogen dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 6, eerste lid, onder o, van de planvoorschriften en de nadere aanwijzing "o" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats] uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening overbodig en te beperkend voor het bedrijf [appellante sub 21] zijn. 2.5.7. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hoofdstuk I van de Staat van Bedrijfsactiviteiten niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellante sub 21] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.5.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep van [appellante sub 21] gedeeltelijk gegrond is, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de perceelsbestemming "Agrarisch aanverwante doeleinden (AD)" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats] alsmede artikel 6, eerste lid, onder k, van de planvoorschriften. Nu de beroepen van [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] evenals het beroep van [appellante sub 21] betrekking hebben op het plandeel met de perceelsbestemming "Agrarisch aanverwante doeleinden (AD)" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats] alsmede op artikel 6, eerste lid, onder k, van de planvoorschriften, zijn deze beroepen eveneens gegrond. 2.5.9. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 6, eerste lid, onder o, van de planvoorschriften en de nadere aanwijzing "o" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats] in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen het college heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan artikel 6, eerste lid, onder o, van de planvoorschriften en aan de nadere aanwijzing "o" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats]. Het beroep van het college is in zoverre ongegrond. HET BEROEP VAN [APPELLANTE SUB 4A], [APPELLANTEN SUB 4B] Het standpunt van verweerder 2.6. Verweerder heeft de nadere aanwijzing "bouwstede" ter plaatse van de gronden met de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" ter hoogte van het perceel [locatie 3] te [plaats] in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Volgens verweerder is een bouwstede op deze plek in strijd met het toepasselijke provinciale en gemeentelijke beleid en bestaat geen reden om in afwijking daarvan de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op deze gronden mogelijk te maken. Het standpunt van appellanten 2.6.1. [appellante sub 4A], [appellanten sub 4B] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan voornoemde nadere aanwijzing. Zij voeren aan dat voorafgaand aan het goedkeuringsbesluit al concrete plannen bestonden voor de vestiging van een melkveehouderijbedrijf en dat verweerder die plannen bij zijn besluitvorming had moeten betrekken. Vaststelling van de feiten 2.6.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.6.2.1. Aan de gronden van [appellante sub 4A] ter hoogte van het perceel [locatie 3] te [plaats] is de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de nadere aanwijzing "bouwstede" toegekend. Voorts is aan deze gronden de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid (ALO)" toegekend. 2.6.2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Agrarische doeleinden (A) bestemd voor volwaardige of reële agrarische bedrijven zoals genoemd in artikel 1, zevende lid, onder a, b, c, f, g en i. Ingevolge artikel 2, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag ten hoogste één bedrijf per bouwstede worden opgericht. 2.6.2.3. Het plandeel waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden, is in het streekplan gesitueerd in de AHS-landbouw. 2.6.2.4. Het provinciale beleid inzake nieuwvestiging van grondgebonden agrarische bedrijven in de AHS-landbouw is neergelegd in paragraaf 3.4.8 van het streekplan. Volgens het streekplan is nieuwvestiging van grondgebonden veehouderijen in West-Brabant uitsluitend toegestaan, als dat noodzakelijk is voor de verplaatsing van een grondgebonden veehouderij. Uit het streekplan volgt dat nieuwe bouwblokken voor agrarische bedrijven in beginsel uitgesloten zijn omdat in de behoefte aan vestigingslocaties kan worden voorzien door vrijgekomen agrarische bouwblokken. 2.6.2.5. In de toelichting op het plan is gesteld dat, om een verdere verstening van het buitengebied te voorkomen en nieuwe bedrijven te dwingen zoveel mogelijk gebruik te maken van vrijkomende agrarische bedrijfscomplexen, het van belang is in het plan geen directe of indirecte mogelijkheden voor nieuwvestiging te bieden, noch voor grondgebonden, noch voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven. Het oordeel van de Afdeling 2.6.3. Verweerder heeft zich, gelet op het provinciaal ruimtelijk beleid betreffende nieuwvestiging van grondgebonden agrarische bedrijven, terecht op het standpunt gesteld dat de door appellanten gewenste nieuwvestiging op de betrokken gronden in strijd is met het provinciaal en gemeentelijke beleid ter zake. Daarbij heeft verweerder in redelijkheid gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheden dat ten tijde van de vaststelling van het plan geenszins was onderbouwd dat sprake was van een verplaatsing van een bedrijf in het kader van het algemeen belang, en dat evenmin was aangetoond dat geen vrijkomende agrarische bedrijfslocaties voorhanden waren. Dat verweerder blijkens het verweerschrift tevens belang toekent aan de bestemming van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing van [appellante sub 4A], acht de Afdeling evenmin onredelijk. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van het streekplan die aanleiding kunnen geven tot afwijking van het streekplan. 2.6.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de nadere aanwijzing "bouwstede" ter plaatse van de gronden met de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" ter hoogte van het perceel [locatie 3] te [plaats] in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan evenbedoelde nadere aanwijzing. Het beroep van [appellante sub 4A], [appellanten sub 4B] is ongegrond. HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 5] Het standpunt van verweerder 2.7. Verweerder heeft in de bedenking van [appellant sub 5] aanleiding gezien de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)"met de nadere aanwijzingen "bouwvlak (b)" en "(zonder woning (zw)" ter plaatse van het perceel [locatie 4] te [plaats] in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Volgens verweerder heeft de gemeenteraad, anders dan in de reactie op de zienswijze van [appellant sub 5] is gesteld, het genoemde bouwvlak niet vergroot bij de vaststelling van het plan. Met het oog op de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 30 van de WRO heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij niet op voorhand kan instemmen met een vergroting van het bouwvlak tot 1 hectare. Naar zijn mening dient deze vergroting in samenhang met de uitbreidingsmogelijkheden in de bouwstede aan de [locatie 5] te [plaats] te worden bezien. 2.7.1. Verweerder heeft de aanduiding "bij bouwstede behorend bouwvlak" ter plaatse van het perceel [locatie 4] te [plaats] niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Volgens hem is op dit perceel geen zelfstandig agrarisch bedrijf gevestigd. Dat de gemeenteraad in de zienswijze van appellant aanleiding heeft gezien deze koppeling tussen de percelen [locatie 4] en [locatie 5] aan te brengen, kan volgens verweerder niet als een zogenoemde reformatio in peius worden aangemerkt omdat de gemeenteraad bevoegd is het plan gewijzigd vast te stellen. Het standpunt van appellant 2.7.2. [appellant sub 5] kan zich niet verenigen met de motivering die verweerder aan de onthouding van goedkeuring aan het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 4] te [plaats] ten grondslag heeft gelegd. Hij voert aan dat in het voorgaande bestemmingsplan een agrarisch bouwperceel van 1 hectare was toegekend aan dit perceel zodat in het onderhavige plan ook een bouwvlak van 1 hectare moet worden toegekend. Appellant stelt dat verweerder zijn standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. 2.7.2.1. [appellant sub 5] stelt in beroep verder dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "bij bouwstede behorend bouwvlak" ter plaatse van het perceel [locatie 4] te [plaats]. Hij voert aan dat in het voorgaande bestemmingsplan een zelfstandig bouwperceel was toegekend aan dit perceel. Appellant betoogt verder dat de gewijzigde vaststelling waarbij de koppeling tussen de percelen [locatie 4] en [locatie 5] is aangebracht, in strijd is met het verbod op reformatio in peius. Vaststelling van de feiten 2.7.3. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.7.3.1. Blijkens de plankaart is aan het perceel [locatie 5] te [plaats] en het perceel [locatie 4] te [plaats] de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid (ALO)" toegekend. Ter plaatse van het perceel [locatie 5] geldt voorts de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de nadere aanwijzing "bouwstede". Aan het perceel [locatie 4] is de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)"met de nadere aanwijzingen "bouwvlak (b)" en "(zonder woning (zw)" toegekend. Voorts heeft de gemeenteraad aan dit perceel de aanduiding "bij bouwstede behorend bouwvlak" toegekend. 2.7.3.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Agrarische doeleinden (A) bestemd voor volwaardige of reële agrarische bedrijven zoals genoemd in artikel 1, zevende lid, onder a, b, c, f, g en i. Ingevolge artikel 2, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag ten hoogste één bedrijf per bouwstede worden opgericht. 2.7.3.3. Blijkens de stukken gold ter plaatse van het perceel [locatie 4] op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Fijnaart en Heijningen de bestemming "Agrarisch bouwperceel". Ingevolge artikel 21 van de planvoorschriften waren deze gronden bestemd voor de agrarische bedrijfsvoering. Blijkens het deskundigenbericht bedroeg de oppervlakte van het bouwperceel ongeveer 1,5 hectare. 2.7.3.4. Blijkens de stukken exploiteert [appellant sub 5] een akkerbouwbedrijf waarvan het bedrijfscentrum is gevestigd aan de [locatie 5] te [plaats]. Het bedrijf beschikt over ongeveer 48 hectare bouwland waarvan een oppervlakte van ongeveer 7 hectare langs de Krukweg ligt. Op het perceel [locatie 4] staat een vervallen schuur met een oppervlakte van ongeveer 24 m². Deze schuur is thans in gebruik voor opslag. Het oordeel van de Afdeling 2.7.4. De Afdeling stelt vast dat door de onthouding van goedkeuring aan het plandeel waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellant zijn gericht, in zoverre aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan. De Afdeling vat het beroep van appellant daarom aldus op dat hij zich er tegen verzet dat aan de onthouding van goedkeuring de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd. 2.7.5. Ten aanzien van de grootte van het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 4] te [plaats] en de onzelfstandigheid daarvan overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Het gegeven dat appellant de planologische mogelijkheden wil behouden ten einde de gelegenheid te behouden een zelfstandig agrarisch bedrijf aan de [locatie 4] te kunnen vestigen voor een zoon, kan niet worden aangemerkt als een zodanige bijzondere omstandigheid. 2.7.6. Ten aanzien van de gestelde reformatio in peius overweegt de Afdeling dat de gemeenteraad bevoegd is - al dan niet naar aanleiding van ingediende zienswijzen - het ontwerpplan gewijzigd vast te stellen. Er is geen wettelijk voorschrift of algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat een indiener van een zienswijze niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren als gevolg van zijn zienswijze. Daarnaast kan de gemeenteraad ook ambtshalve wijzigingen in het ontwerp aanbrengen. Gelet hierop treft het betoog geen doel. 2.7.7. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder aan de motivering van de onthouding van goedkeuring aan de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de nadere aanwijzingen "bouwvlak (b)" en "(zonder woning (zw)" ter plaatse van het perceel [locatie 4] te [plaats] de door appellant aangevoerde redenen ten grondslag had moeten leggen. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanduiding "bij bouwstede behorend bouwvlak" ter plaatse van het perceel [locatie 4] te [plaats] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond. HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 6] Het standpunt van appellant 2.8. [appellant sub 6] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid (ALO)", de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de nadere aanwijzing "bouwstede" ter plaatse van het perceel [locatie 6] te [plaats]. Volgens hem maakt dit plandeel ten onrechte de bouw van een loods recht tegenover zijn woning mogelijk. Appellant voert aan dat het uitzicht vanuit zijn woning zal verslechteren, de lichtinval in zijn woning zal afnemen en dat de ingebruikneming van de loods tot extra stank-, geluid- en stofhinder zal leiden. Hij stelt dat de loods aan de andere, oostelijke zijde van de boerderij op het genoemde perceel moet worden gebouwd. Het standpunt van verweerder 2.8.1. Verweerder heeft dit plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitzicht uit de woning van appellant niet in onevenredige mate zal worden aangetast door de bouw van een loods. Ook overigens meent verweerder dat het plan niet tot onaanvaardbare nadelen voor appellant zal leiden. Vaststelling van de feiten 2.8.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.8.2.1. Blijkens de plankaart is aan het perceel [locatie 6] te [plaats] de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid (ALO)", de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de nadere aanwijzing "bouwstede" toegekend. 2.8.2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Agrarische doeleinden (A) bestemd voor volwaardige of reële agrarische bedrijven zoals genoemd in artikel 1, zevende lid, onder a, b, c, f, g en i. Ingevolge artikel 2, vierde lid, onder d, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen ter plaatse waar een bouwstede is aangegeven, bouwwerken uitsluitend binnen een bouwstede met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare worden gebouwd; de langste zijde van de bouwstede mag ten hoogste 150 meter bedragen. 2.8.2.3. Appellant exploiteert op het perceel [locatie 7] te [plaats] een akkerbouwbedrijf. Op het perceel [locatie 6], dat schuin tegenover het bedrijf van appellant ligt, is eveneens een akkerbouwbedrijf gevestigd. 2.8.2.4. Blijkens het deskundigenbericht bedraagt de afstand tussen de voorgevel van de bedrijfswoning van appellant en de bouwmogelijkheid op het perceel [locatie 6] minimaal 40 meter. Het oordeel van de Afdeling 2.8.3. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, is het aannemelijk dat het plan een verslechtering van het woon- en leefklimaat van appellant mogelijk maakt in de vorm van een beperking van het bestaande vrije uitzicht en enige afname van lichtinval. Verder kan niet worden uitgesloten dat zich ten gevolge van de ingebruikneming van een loods op het betrokken perceel een toename van stank, geluid- en stofhinder zal voordoen. De Afdeling overweegt hierover dat geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat. Voorts is, gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting, aannemelijk dat de eventuele verslechtering van het woon- en leefklimaat van appellant niet zodanig ernstig zal zijn dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gediend bij de bouw en ingebruikneming van de loods. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het betrokken plandeel is gelegen in een agrarisch gebied met meerdere agrarische bedrijven. Wat betreft het betoog van appellant dat het plan had moeten voorzien in een uitbreidingsmogelijkheid aan de oostelijke zijde van het bestaande bedrijf op het perceel [locatie 6] te [plaats], overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op het vorenoverwogene, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. 2.8.4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid (ALO)", de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de nadere aanwijzing "bouwstede" ter plaatse van het perceel [locatie 6] te [plaats] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan vorengenoemd plandeel. Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond. UITBREIDING BEDRIJFSBEBOUWING INTENSIEVE VEEHOUDERIJ Het standpunt van appellanten 2.9. [appellant sub 7], [appellant sub 10] en [appellante sub 15] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 4, vierde lid, onder d, van de planvoorschriften. Appellanten voeren aan dat dit voorschrift de mogelijkheden voor uitbreiding van hun intensieve veehouderijbedrijven te zeer inperkt. Het standpunt van verweerder 2.9.1. Verweerder heeft dit planvoorschrift niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij heeft ingestemd met de gemeentelijke uitgangspunten waarbij wordt gestreefd naar een verdere grootschalige ontwikkeling van de grondgebonden landbouw. Volgens verweerder is daarbij niet tekortgedaan aan de belangen van bestaande intensieve veehouderijbedrijven. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeenteraad bevoegd is beperktere uitbreidingsmogelijkheden te bieden dan de mogelijkheden die volgens het provinciale beleid maximaal mogen worden geboden. Vaststelling van de feiten 2.9.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.9.2.1. [appellant sub 7] exploiteert een intensieve veehouderij aan de [locatie 8] te [plaats]. [appellant sub 10] exploiteert een intensieve veehouderij aan de [locatie 9] te [plaats]. [appellante sub 15] exploiteert een intensieve veehouderij aan de [locatie 10] te [plaats]. 2.9.2.2. Aan de gronden waarop de bedrijven van appellanten zijn gevestigd zijn blijkens de plankaart de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid (ALO)" en de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden, intensieve veehouderij (Aiv)" toegekend. 2.9.2.3. Ingevolge artikel 4, vierde lid, onder d, van de planvoorschriften mag het oppervlak van de bedrijfsgebouwen die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan worden gebruikt ten behoeve van de intensieve veehouderij, met maximaal 15% worden vergroot. 2.9.2.4. Blijkens de stukken, waaronder de plantoelichting, en het verhandelde ter zitting, is het gemeentelijke beleid gericht op de bevordering van de grondgebonden landbouw in verband met de landschappelijke kwaliteiten waaronder de openheid van het plangebied. Met de bestemmingsregeling voor de uitbreiding van intensieve veehouderijen heeft de gemeenteraad beoogd zowel recht te doen aan deze landschappelijke kwaliteiten als aan de bestaande intensieve veehouderijen binnen het plangebied. Het oordeel van de Afdeling 2.9.3. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 4, vierde lid, onder d, van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, voor zover het gemeentelijke beleid ter zake stringenter is dan het provinciale beleid, het provinciale beleid zich daartegen niet verzet. Gelet op de doelstellingen van het gemeentelijke beleid, is het niet onredelijk dat verweerder zich met de gemeenteraad op het standpunt heeft gesteld dat verdergaande uitbreidingswensen in het kader van een partiële herziening van het plan dienen te worden beoordeeld. Het betoog van [appellant sub 7] dat hij aan een eerder in procedure gebrachte reparatieherziening van een voorgaand bestemmingsplan het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat het thans voorliggende plan zou voorzien in ruimere uitbreidingsmogelijkheden, faalt. Aan eerder in procedure gebrachte bestemmingsplannen kunnen geen rechten worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. 2.9.4. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan vorengenoemd planvoorschrift. De beroepen van [appellant sub 10] en [appellante sub 15] zijn geheel ongegrond en het beroep van [appellant sub 7] is in zoverre ongegrond. HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 7] VOOR HET OVERIGE Het standpunt van appellant 2.10. [appellant sub 7] stelt in beroep verder dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden, intensieve veehouderij (Aiv)" ter plaatse van zijn intensieve veehouderijbedrijf aan de [locatie 8] te [plaats]. Appellant voert aan dat de bedrijfswoning waarvoor inmiddels een bouwvergunning is verleend, ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Verweerder heeft zich volgens appellant ten onrechte beperkt tot de opdracht aan de gemeenteraad om in een herziening van het plan alsnog deze bedrijfswoning als zodanig te bestemmen. Het standpunt van verweerder 2.10.1. Verweerder heeft in de bedenking van appellant geen aanleiding gezien het genoemde plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeenteraad heeft beoogd de bedrijfswoning als zodanig te bestemmen en heeft de gemeenteraad opdracht gegeven dit gebrek bij de eerstvolgende planherziening te herstellen. Vaststelling van de feiten 2.10.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.10.2.1. [appellant sub 7] exploiteert een intensieve veehouderij aan de [locatie 8] te [plaats]. Aan de gronden waarop het bedrijf van appellant is gevestigd zijn blijkens de plankaart de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid (ALO)" en de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden, intensieve veehouderij (Aiv)" toegekend. 2.10.2.2. Ingevolge artikel 4, vierde lid, onder e, van de planvoorschriften bedraagt het maximale aantal bedrijfswoningen per bedrijf het aantal bedrijfswoningen dat aanwezig is op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan. 2.10.2.3. Niet in geding is dat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan geen bedrijfswoning aanwezig was op het perceel [locatie 8] te [plaats]. Het oordeel van de Afdeling 2.10.3. Het betoog van [appellant sub 7] dat verweerder niet had mogen volstaan met een opdracht om bij de eerstvolgende herziening van het plan alsnog een bedrijfswoning als zodanig te bestemmen, treft doel. Zoals onder 2.2. is weergegeven, heeft verweerder bij het nemen van een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan tot taak om, mede op basis van de ingebrachte bedenkingen te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Indien verweerder, zoals in dit geval, tot de conclusie komt dat het plan op enig onderdeel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, kan hij zich niet beperken tot het geven van een opdracht, maar dient hij aan het betrokken planonderdeel goedkeuring te onthouden. Gelet hierop berust het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden, intensieve veehouderij (Aiv)" ter plaatse van het perceel [locatie 8] te [plaats] niet op een zorgvuldige afweging van de betrokken belangen. 2.10.4. Het beroep van [appellant sub 7] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden, intensieve veehouderij (Aiv)" ter plaatse van het perceel [locatie 8] te [plaats]. Nu tussen partijen niet in geding is dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening voor zover het niet voorziet in de mogelijkheid een bedrijfswoning op genoemd perceel te bouwen, en verweerder bij het nemen van een nieuw besluit niet anders kan beslissen dan goedkeuring te onthouden aan dit plandeel wegens strijd een goede ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op deze wijze zelf in de zaak te voorzien. DE BEROEPEN VAN [APPELLANTEN SUB 8] EN VAN [APPELLANT SUB 13] Het standpunt van appellanten 2.11. [appellanten sub 8] en [appellant sub 13] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de subbestemming "Caravanstalling (Wc)" ter plaatse van het perceel Drogedijk 53 te Oudemolen. Appellanten voeren aan dat het plan ten onrechte voorziet in de legalisering van het bestaande gebruik van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen voor caravanstalling, hetgeen in strijd is met het provinciale beleid voor niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied. Volgens hen doet de caravanstalling afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van de grote landbouwschuur op het perceel en aan de landelijke karakteristiek van de omgeving. Het plan brengt volgens appellanten een aantasting van hun woon- en leefklimaat mee. [appellant sub 13] voert verder aan dat het gebruik voor caravanstalling veel verkeersbewegingen veroorzaakt waardoor de verkeersveiligheid op de Drogedijk zal verslechteren. Daarnaast stelt hij dat de concentratie aan butagasflessen in de caravanstalling gevaar oplevert op korte afstand van zijn woning. Het standpunt van verweerder 2.11.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien deze subbestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat een caravanstalling op de betrokken plek een geschikte vorm van hergebruik betreft van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Volgens verweerder is deze vorm van gebruik toegelaten op grond van het streekplan en de provinciale beleidsnota "Buitengebied in ontwikkeling". Vaststelling van de feiten 2.11.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.11.2.1. Blijkens de plankaart is aan het perceel Drogedijk 53 te Oudemolen de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid (ALO)", de perceelsbestemming "Woondoeleinden (W)" en de subbestemming "Caravanstalling (Wc)" toegekend. 2.11.2.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Woondoeleinden (W) ter plaatse van de subbestemming Wc aangewezen voor caravanstalling in bestaande gebouwen. 2.11.2.3. Blijkens het deskundigenbericht staan op het perceel een voormalige landbouwschuur, een kleinere schuur en een open wagenschuur, die, gelet op de kadastrale ondergrond, een oppervlakte van respectievelijk ruim 490 m², bijna 100 m² en ongeveer 69 m² hebben. 2.11.2.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de eigenaar van het perceel Drogedijk 53 te Oudemolen omstreeks 1996 is aangevangen met de stalling van enkele caravans. Naderhand is het aantal gestalde caravans toegenomen. Blijkens het deskundigenbericht bedraagt de maximale stallingscapaciteit van de bestaande bebouwing ongeveer 35 caravans. 2.11.2.5. In het provinciaal ruimtelijk beleid zoals vastgelegd in het streekplan, voor zover thans van belang, is in paragraaf 3.4.12 het volgende opgenomen: "In het kader van het project ‘Revitalisering Landelijk Gebied' ontstaat de komende jaren een grote behoefte aan locaties voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven. Wij streven daarom naar handhaving van de agrarische bestemming van locaties in de agrarische hoofdstructuur die daarvoor in aanmerking komen. Een zwaar gewicht komt in dit verband toe aan het oordeel van de reconstructiecommissies (Midden- en Oost- Brabant) en de gebiedscommissies (West-Brabant). Veel agrarische bedrijven die beëindigd worden liggen echter op locaties in het buitengebied, waarvan de agrarische bestemming niet kan worden gehandhaafd, omdat ze ongeschikt zijn voor blijvend agrarisch gebruik of om andere redenen. Voor deze locaties geldt als uitgangspunt dat niet aan het buitengebied gebonden activiteiten en daarmee gepaard gaande bebouwing worden geweerd. Aan de behoefte om deze locaties te benutten voor niet aan het buitengebied gebonden activiteiten willen wij echter wel in beperkte mate tegemoet komen, namelijk als volgt. (…) Buiten de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven, is hergebruik van voormalige agrarische bedrijfswoningen voor burgerbewoning aanvaardbaar. Bij deze vorm van hergebruik moeten overtollige stallen en andere voormalige bedrijfsgebouwen gesloopt worden, tenzij deze gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben (zie ook de regeling ‘ruimte-voor-ruimte', paragraaf 3.6.2). (…) Verder is het, buiten de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven en buiten de locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling ‘ruimte-voor-ruimte' (zie paragraaf 3.6.2), in bebouwingsconcentraties buiten de groene hoofdstructuur toegestaan dat voormalige agrarische bedrijfslocaties benut worden voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid, bijvoorbeeld voor startende bedrijven. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: - het hergebruik moet passen in de omgeving; - in opzet en ontwikkelingsperspectief moet het om een kleinschalige activiteit gaan, met in beginsel slechts enkele werknemers; - als het om een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gaat, mag het in beginsel slechts een inrichting zijn die behoort tot de categorieën 1 en 2 van de lijst van bedrijfstypen, opgenomen in de uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering' (1999 of latere versie) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; - detailhandel is alleen toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit; - publieksgerichte voorzieningen zijn niet toegestaan; - de bedrijfsgebouwen mogen niet groter zijn dan de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, met een maximale oppervlakte van 400 m2; - overtollige gebouwen moeten worden gesloopt; - buitenopslag is niet toegestaan. Ter behoud en bescherming van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing kunnen Gedeputeerde Staten beslissen af te zien van de toepassing van een of meer hiervoor genoemde voorwaarden." 2.11.2.6. In het streekplan wordt onder een 'bebouwingsconcentratie' verstaan een kernrandzone, een bebouwingslint of een bebouwingscluster. 2.11.2.7. Hoofdstuk 5 van het streekplan biedt de mogelijkheid van de beleidslijnen uit hoofdstuk 3 van het streekplan af te wijken. Het college van gedeputeerde staten is bevoegd in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen, hiervan af te wijken. 2.11.2.8. Op 20 juli 2004 heeft verweerder de beleidsnota "Buitengebied in ontwikkeling" (hierna: de Beleidsnota) vastgesteld. In deze beleidsnota is onder meer het volgende vermeld: "Wij stellen onder afwijking van het streekplan de volgende beleidsregels vast, als bedoeld in artikel (lees: titel) 4.3 van de Awb, die wij zullen hanteren bij het planologisch toezicht op gemeentelijke ruimtelijke plannen. Na vaststelling van de eerste partiële herziening van het Streekplan 2002 worden onderhavige beleidsregels aangemerkt als nadere beleidsregels, als dan bedoeld in paragraaf 3.4.12 en 3.6.2 van het Streekplan." 2.11.2.9. Voorts is in de Beleidsnota de volgende beleidslijn voor opslagactiviteiten opgenomen: "Hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties (VAB’
  3. s)in het buitengebied ten behoeve van statische opslagactiviteiten is toegestaan, buiten de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven en buiten de locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de Rbv en regeling ‘ruimte-voor-ruimte’ (zie paragrafen 3.4.12 en 3.6.2 van het Streekplan) mits: - er geen afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke-, landschappelijke- en cultuurhistorisch waardevolle kwaliteiten en het hergebruik gepaard gaat met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; - de VAB niet is gelegen in de GHS-natuur; - opslag die ten dienste staat van een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf is uitgesloten; - alleen opslag van naar hun aard statische goederen is toegestaan; - de opslag beperkt blijft tot maximaal 1000 m2 per (voormalig) bouwblok; - er geen buitenopslag plaats vindt; - de effecten op de mobiliteit beperkt zijn; - detailhandel is uitgesloten; - de overige bedrijfsbebouwing zonder cultuurhistorische waarden, wordt gesloopt." 2.11.2.10. Blijkens de Beleidsnota wordt onder opslag van statische goederen onder meer opslag van caravans verstaan. Het oordeel van de Afdeling 2.11.3. Het gebruik voor caravanstalling op het betrokken perceel wordt door het plan voor het eerst als zodanig bestemd. Dit brengt mee dat de in het plan opgenomen bestemmingsregeling juridisch-planologisch gezien de nieuwvestiging van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid mogelijk maakt. 2.11.4. Het provinciale beleid aangaande nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid op voormalige agrarische bedrijfslocaties is, zoals hiervoor uiteengezet, neergelegd in het streekplan en in de Beleidsnota. Het toetsingskader van het streekplan en het door verweerder toegepaste toetsingskader van de Beleidsnota lopen uiteen, waarbij het streekplanbeleid beperktere mogelijkheden voor het gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfslocaties kent dan de Beleidsnota. In de Beleidsnota is niet de eis aangaande de bebouwingsconcentratie opgenomen. Voorts wordt in de Beleidsnota toegestaan een grotere oppervlakte voor opslagdoeleinden te gebruiken. De Afdeling stelt vast dat het toetsingskader dat verweerder heeft toegepast bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de caravanstalling met het provinciale beleid, niet in overeenstemming is met het streekplan. 2.11.5. Ten aanzien van de nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid voorziet de Beleidsnota in beleidsregels die een algehele verruiming bevatten van de in het streekplan opgenomen beleidslijnen. Het streekplan biedt echter geen grondslag voor een dergelijke categorische beleidsverruiming. De in het streekplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid heeft immers betrekking op individuele situaties. Hieruit volgt dat in het onderhavige geval aan het toetsingskader van de Beleidsnota voorbij moet worden gegaan, voor zover dit toetsingskader een algehele verruiming bevat ten opzichte van het streekplanbeleid aangaande nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid. Verweerder heeft in zoverre aan zijn standpunt dat de subbestemming "Caravanstalling (Wc)" ter plaatse van het perceel Drogedijk 53 te Oudemolen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening een ondeugdelijke motivering ten grondslag gelegd. 2.11.6. De bebouwing op en in de directe omgeving van het perceel Drogedijk 53 te Oudemolen kan, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, worden aangemerkt als een bebouwingsconcentratie in de zin van het streekplan. Op grond van het streekplan is, zoals hiervoor is vermeld, onder voorwaarden de vestiging van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid toegestaan binnen een bebouwingsconcentratie. De in het plan opgenomen regeling is in strijd met deze voorwaarden nu niet is voldaan aan de eis dat de bedrijfsgebouwen geen grotere oppervlakte dan 400 m² mogen hebben. Bovendien is het gebruik voor caravanstalling niet alleen toegestaan voor de cultuurhistorisch waardevolle landbouwschuur met een oppervlakte van ruim 490 m², maar ook voor de kleinere schuur en de open wagenschuur. Op grond van het streekplanbeleid hadden deze laatste twee bouwwerken moeten worden gesloopt. Ten behoeve van de cultuurhistorisch waardevolle landbouwschuur kan op grond van het streekplan worden afgeweken van de oppervlakte-eis. Ten aanzien van de kleinere schuur en de open wagenschuur is niet gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van het streekplan die aanleiding hadden kunnen geven tot afwijking van het streekplan. De omstandigheid dat de oppervlakte aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing groter kan zijn dan 400 m² en de omstandigheid dat een deel van die bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt alvorens de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf als een caravanstalling mag worden verwezenlijkt, moeten geacht worden te zijn verdisconteerd in het streekplan. 2.11.7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Voorts is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 4a, tiende lid, van de WRO (oud). Gelet op het bovenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. 2.11.8. De beroepen van [appellanten sub 8] en [appellant sub 13] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de subbestemming "Caravanstalling (Wc)" ter plaatse van het perceel Drogedijk 53 te Oudemolen. HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 9] EN [APPELLANT SUB 25] Het standpunt van appellanten 2.12. [appellant sub 9] en [appellant sub 25] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" met de subbestemming "bouwmarkt (Dbm)" ter plaatse van het perceel [locatie 11] en het plandeel met de bestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" met de subbestemming "bouwmarkt (Dbm)" ter plaatse van het perceel [locatie 13]-[locatie 12] te [plaats]. 2.12.1. [appellant sub 9] voert in beroep aan dat het plan extra verkeersbewegingen in de Molenstraat zal meebrengen. Verder stelt hij dat een clustering van gevaren ter plaatse tot een vergroot risico voor de woonomgeving zal leiden. 2.12.2. [appellant sub 25] voert in beroep aan dat het voorzieningenniveau in de kern Fijnaart nadelig wordt beïnvloed door de vestiging van een bouwmarkt met tuin- en dierbenodigdheden op 1 km afstand van de kern. Verder stelt hij dat volgens de toelichting op het plan mogelijk vleermuizen aanwezig zijn in de bestaande bebouwing binnen de betrokken plandelen. Appellant heeft nooit kennis genomen van enig nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten. Ook over de aanwezigheid van schadelijke stoffen, waaronder asbest, heeft appellant in de stukken niets kunnen aantreffen. Volgens hem dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Voorts betoogt appellant dat de gemeentelijke commissie Fysieke Infrastructuur ten onrechte niet in voltallige samenstelling de indieners van de zienswijzen heeft gehoord. Ten slotte voert hij aan dat verweerder ten onrechte weerspreekt dat [partij F] tijdens de hoorzitting mede namens andere winkeliers optrad. Het standpunt van verweerder 2.12.3. Verweerder heeft in onder andere de bedenking van [appellant sub 9] aanleiding gezien het plandeel met de perceelsbestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" met de subbestemming "bouwmarkt (Dbm)" en de nadere aanwijzing "verkooppunt motorbrandstoffen - (vm)" ter plaatse van het perceel [locatie 13]-[locatie 12] te [plaats] gedeeltelijk in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft goedkeuring onthouden aan de nadere aanwijzing "verkooppunt motorbrandstoffen - (vm)". Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeenteraad ten onrechte heeft nagelaten onderzoek te doen naar een mogelijke verstoring van de distributieve structuur van de markt voor motorbrandstoffen. Voor het overige heeft verweerder de betrokken plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en deze goedgekeurd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan niet leidt tot een verarming van de voorzieningenstructuur in de kern Fijnaart. Volgens verweerder kan de capaciteit van het bestaande wegennet de te verwachten toeneming van de verkeersintensiteit opvangen. Gelet op het onderzoek naar de flora en fauna verwacht verweerder dat de benodigde ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) wel verleend kan worden. Ten aanzien van de bedenking die door [partij F] is ingediend, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een machtiging die ertoe strekt dat de bedenking geacht moet worden mede namens de medeondertekenaars van de zienswijze van [partij F] te zijn ingediend. Onder verwijzing naar de bespreking van de bedenking van [appellant sub 25] heeft verweerder de bedenking van [partij F] ongegrond verklaard. Vaststelling van de feiten 2.12.4. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.12.4.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO, voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad degenen die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt, in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting. 2.12.4.2. In zijn reactie op het beroepschrift van [appellant sub 25] heeft het college gesteld dat het horen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO geschiedt door de raadscommissie Fysieke Infrastructuur. In verband met het grote aantal zienswijzen dat naar aanleiding van het ontwerpplan is ingebracht, is ervoor gekozen de raadscommissie te splitsen. Beide delen van de raadscommissie hebben een aantal indieners van zienswijzen gehoord. Van het horen is een verslag gemaakt. De integrale advisering omtrent de zienswijzen heeft volgens het college plaatsgevonden door de gehele commissie Fysieke Infrastructuur. 2.12.4.3. Blijkens de plankaart is aan het perceel [locatie 11] te [plaats] de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid (ALO)" met de aanduiding "kernrandzone", de bestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" met de subbestemming "bouwmarkt (Dbm)" toegekend. Aan het perceel [locatie 13]-[locatie 12] te [plaats] heeft de gemeenteraad de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid (ALO)" met de aanduiding "kernrandzone", de bestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" met de subbestemming "bouwmarkt (Dbm)" en de nadere aanwijzing "verkooppunt motorbrandstoffen - (vm)"toegekend. 2.12.4.4. Ingevolge artikel 10, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Detailhandelsdoeleinden - D ter plaatse van de gronden met de subbestemming Dbm uitsluitend bestemd voor een bouwmarkt inclusief productgroep dier en tuin met opslag en verkoop van consumentenvuurwerk, alsmede een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder LPG-verkoop ter plaatse van de nadere aanwijzing (vm), alsmede voor bijbehorende voorzieningen, zoals parkeer- en groenvoorzieningen. 2.12.4.5. Uit het deskundigenbericht blijkt dat het terrein [locatie 11]-[locatie 12] in de bebouwingsconcentratie Nieuwemolen ligt op een afstand van ongeveer 100 meter ten westen van een uitloper van de kern Fijnaart. Op het terrein staat leegstaande en deels vervallen bedrijfsbebouwing waarin tot ongeveer 12 jaar geleden een meel- en veevoederfabriek was gevestigd. 2.12.4.6. Blijkens bijlage 9 van de plantoelichting zijn de mogelijkheden voor de ruimtelijke ontwikkeling van de kern Fijnaart afgestemd op een blijvende status als verzorgende kern in het westelijk buitengebied van de gemeente Moerdijk. In het gebied tussen de Westkreek en de Parallelweg, is de vestiging van nieuwe stedelijke functies afweegbaar, gericht op versterking van de ruimtelijke structuur van de kom van Fijnaart. Daarbij moet worden gedacht aan wonen en bedrijvigheid. Verdichting in de vorm van wonen en (lichte) bedrijvigheid kan bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het bestaande lint langs de Molenstraat. Volgens bijlage 9 van de plantoelichting past de ontwikkeling van de detailhandelsfunctie binnen de meest actuele gemeentelijke Structuurvisie Plus Moerdijk, waarin de westzijde van Fijnaart is aangewezen als potentieel te ontwikkelen stedelijk gebied. 2.12.4.7. In bijlage 9 van de plantoelichting is vermeld dat in 2002 onderzoek is verricht naar de bodemkwaliteit van het terrein [locatie 11]-[locatie 12]. Uit dit onderzoek is gebleken dat binnen dit terrein sprake is van een ernstige verontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Inmiddels heeft verweerder ingestemd met het saneringsplan voor het terrein. 2.12.4.8. Blijkens bijlage 1 van bijlage 9 van de plantoelichting is een onderzoek uitgevoerd naar het effect van het voornemen op de in en rond de betrokken plandelen mogelijk aanwezige natuurwaarden, waaronder dier- en plantensoorten die een beschermde status genieten ingevolge de Ffw. De mogelijke aanwezigheid van de soorten is bepaald aan de hand van literatuuronderzoek, veldindrukken en algemene kennis. De gemeente Moerdijk heeft geen aanvullende ecologische gegevens verschaft. In het verslag van het onderzoek wordt vermeld dat onduidelijk is of de Gewone dwergvleermuis en de Meervleermuis in de te slopen bebouwing vaste verblijfsplaatsen hebben. Volgens het verslag is de bebouwing aan de Molendijk daarvoor geschikt. In het verslag wordt aanbevolen aanvullend onderzoek naar de vaste verblijfsplaatsen van deze soorten te doen. 2.12.4.9. De soorten Gewone dwergvleermuis en Meervleermuis zijn vermeld op bijlage IV van de Habitatrichtlijn. De gemeenteraad en verweerder hebben geen aanvullend onderzoek naar de verblijfsplaatsen van de genoemde vleermuissoorten laten verrichten. 2.12.4.10. Ingevolge artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort opzettelijk te verontrusten. Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. 2.12.4.11. Ingevolge artikel 75, eerste lid, van de Ffw, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden. Ingevolge artikel 75, vierde lid, van de Ffw, voor zover hier van belang, wordt een vrijstelling of ontheffing slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Ingevolge artikel 75, vijfde lid, van de Ffw worden, onverminderd het vierde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat: (…) c. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen. Het oordeel van de Afdeling 2.12.5. De zienswijze van [appellant sub 9] heeft uitsluitend betrekking op de in het ontwerpplan neergelegde mogelijkheid een brandstoffenverkooppunt binnen de betrokken plandelen te vestigen. De beroepsgrond, gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" met de subbestemming "bouwmarkt (Dbm)" ter plaatse van het perceel [locatie 11] en de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" met de subbestemming "bouwmarkt (Dbm)" ter plaatse van het perceel [locatie 13]-[locatie 12] te [plaats] steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Het beroep van [appellant sub 9] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk. 2.12.6. Voor zover het beroep van [appellant sub 9] betrekking heeft op de nadere aanwijzing "verkooppunt motorbrandstoffen - (vm)" ter plaatse van het perceel [locatie 13]-[locatie 12] te [plaats] overweegt de Afdeling dat hieraan door verweerder goedkeuring is onthouden. In zoverre is aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan. Niet gebleken is echter dat appellant heeft beoogd zich ertegen te verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 9] in zoverre dan ook ongegrond. 2.12.7. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 25] overweegt de Afdeling het volgende. 2.12.8. Voor zover appellant betoogt dat niet is voldaan aan de hoorplicht van artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO, overweegt de Afdeling dat de wijze waarop de gemeenteraad uitvoering geeft aan deze plicht, blijkens de wetsgeschiedenis van deze wet een zaak is die de gemeenteraad zelf moet regelen, waarbij de raad het horen onder andere kan opdragen aan een commissie uit de raad. Gelet op het vorenstaande en gelet op het feit dat niet is gebleken dat de gemeenteraad geen kennis heeft kunnen nemen van hetgeen door appellant ter hoorzitting is aangevoerd, heeft verweerder in de wijze waarop raad invulling heeft gegeven aan de hoorplicht geen aanleiding tot onthouding van goedkeuring aan het plan behoeven te zien. 2.12.9. Ten aanzien van de bedenking van [partij F] overweegt de Afdeling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat [partij F] beschikte over een machtiging van een aantal anderen. Overigens valt niet in te zien dat appellant door het feit dat de bedenking van [partij F] alleen is behandeld voor zover deze door hemzelf is ingediend, in zijn processuele belangen is geschaad. 2.12.10. Gelet op de aard van de op de betrokken percelen te vestigen detailhandelsfunctie, te weten een bouwmarkt met inbegrip van een productgroep dier en tuin, acht de Afdeling het niet onredelijk dat verweerder heeft ingestemd met de keuze voor de vestiging op deze perifere locatie buiten de kern Fijnaart. 2.12.11. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan ten aanzien van de Gewone dwergvleermuis en de Meervleermuis een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Uit het bestreden besluit volgt niet dat verweerder heeft bezien of het plan zonder daarbij in strijd te handelen met het bepaalde in de Ffw uitvoerbaar is, dan wel, zo van deze strijdigheid moet worden uitgegaan, op basis van de onderzoeksgegevens voldoende heeft onderzocht of op voorhand redelijkerwijs te verwachten is dat een ontheffing op grond van de Ffw, indien vereist, zal kunnen worden verleend. In die afweging dient verweerder nadrukkelijk de relevante ontheffingscriteria te betrekken. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder vorenbedoeld onderzoek heeft gedaan dan wel voornoemde afweging heeft gemaakt. De enkele opmerking in het bestreden besluit dat verwacht mag worden dat een ontheffing zal worden verleend, is in dit opzicht onvoldoende. De hiervoor bedoelde afweging heeft evenmin plaatsgevonden in de ecologische toets die als bijlage 1 van bijlage 9 deel uitmaakt van de plantoelichting. 2.12.12. Ten aanzien van de eventuele aanwezigheid van asbest en andere schadelijke stoffen in de aanwezige, te slopen bebouwing overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Dit bezwaar kan derhalve buiten beschouwing blijven. 2.12.13. Wat betreft de ter plaatse aanwezige bodemverontreiniging is ter zitting gebleken dat deze zal worden gesaneerd alvorens met de bouw van de bouwmarkt een aanvang wordt gemaakt. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de bodemverontreiniging in de weg zal staan aan de uitvoerbaarheid van de bestemmingsregeling die de vestiging van een bouwmarkt mogelijk maakt. 2.12.14. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de perceelsbestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" met de subbestemming "bouwmarkt (Dbm)" ter plaatse van het perceel [locatie 11] en het plandeel met de bestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" met de subbestemming "bouwmarkt (Dbm)" ter plaatse van het perceel [locatie 13]-[locatie 12] te [plaats], in strijd is met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 25] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd. HET BEROEP VAN [APPELLANTE SUB 12] Het standpunt van appellante 2.13. [appellante sub 12] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de subbestemming "Onderhoudsbedrijf (Boh)" en de nadere aanwijzing "zonder woning (zw)" ter plaatse van het perceel [locatie 14] te [plaats]. Appellante betoogt dat een deel van haar bedrijfsactiviteiten ten onrechte niet als zodanig in het plan zijn bestemd. Voorts voert zij aan dat het ten onrechte niet voorziet in een inpandige bedrijfswoning in het bedrijfsgebouw. 2.13.1. Appellante stelt verder in beroep dat verweerder geen deugdelijke motivering ten grondslag heeft gelegd aan de onthouding van goedkeuring aan het op de plankaart ter plaatse van het perceel [locatie 14] te [plaats] vermelde maximale bebouwingsoppervlak van 485 m². Het standpunt van verweerder 2.13.2. Verweerder heeft de genoemde subbestemming en de nadere aanwijzing niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en deze goedgekeurd. Onder verwijzing naar zijn besluit van 5 juni 2001 inzake een verklaring van geen bezwaar met betrekking tot de vestiging van een categorie 3-bedrijf, heeft verweerder gesteld bedrijfsactiviteiten uit milieucategorie 2 passend in de omgeving te vinden. Hij heeft verder gewezen op de in artikel 35 van de planvoorschriften neergelegde bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om in voorkomend geval vrijstelling te verlenen ten behoeve van bedrijvigheid van één categorie hoger. Wat betreft de bedrijfswoning heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het provinciale beleid zich verzet tegen nieuwe bedrijfswoningen voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. 2.13.3. Ten aanzien van het maximale bebouwingsoppervlak heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit 538 m² dient te bedragen. Hij heeft daarom goedkeuring onthouden aan het op de plankaart vermelde maximale bebouwingsoppervlak van 485 m². Vaststelling van de feiten 2.13.4. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.13.4.1. Appellante exploiteert op het perceel [locatie 14] te [plaats] een ambachtelijk houtbewerkingsbedrijf. Op het perceel staan een bedrijfsgebouw, een elevator en een druklift. Voorts bevinden zich daar een weegbrug en een stortput. Op de eerste verdieping van het bedrijfsgebouw is een inpandige bedrijfswoning aanwezig. 2.13.4.2. Blijkens de plankaart zijn aan de betrokken gronden de gebiedsbestemming "Gebied met verweving van landbouw, water en natuurwaarden (ARWN)", de perceelsbestemming "Bedrijfsdoeleinden - B", de subbestemming "Onderhoudsbedrijf (Boh)" en de nadere aanwijzing "zonder woning (zw)" toegekend. 2.13.4.3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder g, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor bedrijfsdoeleinden (B) ter plaatse van de subbestemming Boh bestemd voor een onderhoudsbedrijf behorende tot categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. 2.13.4.4. Bij besluit van 2 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk onder voorwaarden een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor de bedrijfsactiviteiten houtbewerking, houtbetimmering, lijmen aan boten kleiner dan 25 meter en schilderen ten behoeve van verduurzaming. 2.13.4.5. In de Bedrijveninventarisatie (niet-agrarische bedrijven) die als bijlage 6 deel uitmaakt van de plantoelichting, is vermeld dat de activiteiten van het bedrijf van appellante deels behoren tot categorie 2 en deels tot categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Het oordeel van de Afdeling 2.13.5. Ten aanzien van de categorie-indeling moet worden geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gronden van appellante niet in aanmerking komen voor bedrijfsactiviteiten die onder categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten vallen. In dit verband is van belang dat reeds bij besluit van 2 september 2003 aan appellante een milieuvergunning is verleend waarin activiteiten zijn vergund die onder categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten moeten worden geschaard. Het had op de weg van verweerder gelegen om de vergunde activiteiten en de daaraan verbonden categorie bij zijn besluitvorming te betrekken. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Dat verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verwezen naar zijn besluit van 5 juni 2001 omtrent een verklaring van geen bezwaar, leidt niet tot een ander oordeel. Ten eerste is het uit een oogpunt van het algemene beginsel van behoorlijk bestuur dat een besluit op een kenbare wijze is gemotiveerd, bezwaarlijk dat wordt verwezen naar een besluit dat niet aan het bestreden besluit is gehecht en waarvan de inhoud niet in het bestreden besluit is weergegeven. Voorts kan de bedoelde beslissing het thans bestreden besluit niet dragen omdat zij dateert van voor de aan appellante verleende milieuvergunning, zodat deze vergunning niet is betrokken bij de afweging die verweerder indertijd heeft gemaakt. 2.13.6. Wat betreft de door appellante gewenste bedrijfswoning is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van een bestaande, inpandige bedrijfswoning. Ook in zoverre is het bestreden besluit genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. 2.13.7. Verweerder heeft de onthouding van goedkeuring aan het op de plankaart vermelde maximale bebouwingsoppervlak van 485 m² gemotiveerd met de stelling dat het bestaande bedrijfsgebouw een grotere omvang heeft dan de gemeenteraad heeft aangenomen bij de vaststelling van het plan. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, moet worden geoordeeld dat verweerder heeft miskend dat naast de bedrijfsloods ook andere bebouwing op het perceel aanwezig is. Niet gebleken is dat verweerder de oppervlakte van deze bebouwing, voor zover deze legaal is gebouwd, bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Ook in zoverre is het bestreden besluit genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. 2.13.8. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellante sub 12] gegrond is. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:47, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het op de plankaart ter plaatse van het perceel [locatie 14] te [plaats] vermelde maximale bebouwingsoppervlak van 485 m², en goedkeuring is verleend aan de subbestemming "Onderhoudsbedrijf (Boh)" en de nadere aanwijzing "zonder woning (zw)" ter plaatse van het perceel [locatie 14] te [plaats]. HET BEROEP VAN [APPELLANTE SUB 14] Het standpunt van verweerder 2.14. Verweerder heeft een gedeelte van de perceelsbestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" ter plaatse van het perceel [locatie 15] te [plaats] in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan een te grote uitbreiding van de detailhandelsfunctie op het perceel mogelijk maakt. Het standpunt van appellante 2.14.1. [appellante sub 14] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het genoemde deel van de perceelsbestemming. Vaststelling van de feiten 2.14.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.14.2.1. Appellante exploiteert op het perceel [locatie 15] te [plaats] een winkelcentrum. Het bedrijf is gevestigd in de bedrijfsgebouwen en woning van een voormalig agrarisch bedrijf. 2.14.2.2. Aan het bedrijfsterrein van appellante is, voor zover hier van belang, de perceelsbestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" toegekend. De onthouding van goedkeuring aan deze perceelsbestemming heeft betrekking op het gedeelte van het terrein dat ligt tussen de bedrijfsbebouwing en de afrit van de Rijksweg A59. Blijkens de plankaart bedraagt het maximale bebouwingsoppervlak binnen de perceelsbestemming 2.000 m². 2.14.2.3. In het provinciaal ruimtelijk beleid zoals vastgelegd in het streekplan, voor zover thans van belang, is in paragraaf 3.4.14 het volgende opgenomen: "Bestaande agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven krijgen een uitbreidingsruimte van maximaal 25% van het in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsvlak, of maximaal 25% van de volgens het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte. Bestaande andere niet aan het buitengebied gebonden bedrijven krijgen een uitbreidingsruimte van maximaal 15% van de volgens het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte." 2.14.2.4. Hoofdstuk 5 van het streekplan biedt de mogelijkheid van de beleidslijnen uit hoofdstuk 3 van het streekplan af te wijken. Het college van gedeputeerde staten is bevoegd in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen, hiervan af te wijken. Het oordeel van de Afdeling 2.14.3. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, moet worden geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het betrokken plandeel een aanzienlijk grotere uitbreiding dan 15% van de bestaande bebouwingsoppervlakte mogelijk maakt zoals volgens het streekplanbeleid kan worden toegestaan. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van het streekplan die aanleiding kunnen geven tot afwijking van het streekplan. De stukken bieden geen aanknopingspunt om aan te nemen dat aan appellante toezeggingen zijn gedaan omtrent in dit plan neer te leggen uitbreidingsmogelijkheden. De door appellante gestelde noodzaak van vergroting van de parkeergelegenheid bij haar bedrijf is door haar niet aangetoond. 2.14.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de perceelsbestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" ter plaatse van het perceel [locatie 15] te [plaats] in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de perceelsbestemming "Detailhandelsdoeleinden (D)" ter plaatse van het perceel [locatie 15] te [plaats]. Het beroep van [appellante sub 14] is ongegrond. DE NADERE AANWIJZINGEN "(VM)" (VERKOOPPUNT MOTORBRANDSTOFFEN) Het standpunt van verweerder 2.15. Verweerder heeft de nadere aanwijzingen "(vm)" ter plaatse van het perceel [locatie 15] te [plaats] en het terrein [locatie 11]-[locatie 12] te [plaats], alsmede artikel 10, eerste lid, onder a, eerste gedachtestreepje, en artikel 10, eerste lid, onder c, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft zich op het standpunt gesteld de gemeenteraad onvoldoende heeft onderzocht of en in hoeverre de nieuwvestiging van twee motorbrandstoffenverkooppunten een verstorend effect heeft op de bestaande markt van motorbrandstoffen. Volgens verweerder dient de gemeenteraad na onderzoek opnieuw te beslissen over de aanvaardbaarheid van twee of drie verkooppunten en indien uit onderzoek blijkt dat slechts aan twee verkooppunten behoefte bestaat, aan welke locatie de voorkeur wordt gegeven. Het standpunt van appellanten 2.15.1. [appellant sub 11] en het college stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de genoemde nadere aanwijzingen en onderdelen van de planvoorschriften. [appellant sub 11] stelt een verplaatsing van een reeds bestaand verkooppunt aan de [locatie 16] naar de [locatie 15] na te streven. Hij voert aan dat verweerder zich in zoverre ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan voorziet in een nieuwvestiging. Het college voert aan dat het gewenst en verantwoord is ter plaatse van het terrein [locatie 11]-[locatie 12] een verkooppunt voor motorbrandstoffen toe te staan. Volgens appellant zal dit in combinatie met de bouwmarkt en een verkooppunt voor vuurwerk een belangrijke impuls aan het voorzieningenniveau van Fijnaart geven en kan het wegvallen van het motorbrandstoffenverkooppunt een bedreiging voor de verwezenlijking van de overige onderdelen van het initiatief betekenen. Het college voert verder aan dat de concrete plannen voor het terrein [locatie 11]-[locatie 12] voldoende onderbouwd zijn. Volgens appellant blijkt uit distributie-planologisch onderzoek dat geen reden bestaat om de vestiging op beide voornoemde locaties op voorhand uit te sluiten. Vaststelling van de feiten 2.15.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.15.2.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, onder a, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Detailhandelsdoeleinden (D) ter plaatse van de nadere aanwijzing (
  4. vm)mede bestemd voor een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder LPG. Ingevolge artikel 10, eerste lid, onder c, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Detailhandelsdoeleinden (D) ter plaatse van de subbestemming Dbm en de nadere aanwijzing (
  5. vm)mede bestemd voor een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder LPG. 2.15.2.2. Blijkens de plankaart is aan het perceel [locatie 15] te [plaats] en aan het terrein [locatie 11]-[locatie 12] te [plaats] de aanduiding "(vm)" toegekend. Het oordeel van de Afdeling 2.15.3. Het plan voorziet in de nieuwvestiging van twee motorbrandstofverkooppunten. De gemeenteraad heeft aan de vaststelling van het plan geen onderzoek naar de mogelijke effecten van deze nieuwvestiging op de markt van de verkoop van motorbrandstoffen in de kern Fijnaart ten grondslag gelegd. Gelet hierop heeft verweerder geen inschatting kunnen maken van de vraag in hoeverre verwacht zou moeten worden dat de nieuwvestiging van beide verkooppunten tot een duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur in het plangebied zou kunnen leiden. 2.15.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening wat betreft de nadere aanwijzingen "(vm)" ter plaatse van het perceel [locatie 15] te [plaats] en het terrein [locatie 11]-[locatie 12] te [plaats], alsmede artikel 10, eerste lid, onder a, eerste gedachtestreepje, en artikel 10, eerste lid, onder c, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan de genoemde nadere aanwijzingen en onderdelen van de planvoorschriften. Het beroep van [appellant sub 11] is geheel ongegrond en het beroep van het college is in zoverre ongegrond. PERCEEL [locatie 17] TE [plaats] Het standpunt van verweerder 2.16. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan een deel van de perceelsbestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden (vR)" die aan het perceel [locatie 17] in [plaats] is toegekend. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de vastgestelde planregeling toelaat dat de op het perceel gevestigde camping kan worden uitgebreid tot op een afstand van 5 meter van een naastgelegen kwekerij en groothandel in dieren. Ten einde belemmeringen in de bedrijfsvoering van het dierenbedrijf te voorkomen, acht verweerder een afstand van 50 meter tussen vorenbedoeld bedrijf en de camping noodzakelijk. Het standpunt van appellanten 2.16.1. [appellante sub 17B] en [appellante sub 17A] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan voornoemde perceelsbestemming. Volgens appellanten is bij de verlening van de milieuvergunning aan het dierenbedrijf voldoende rekening gehouden met de aanwezigheid van de camping en bestaat er derhalve geen grond voor het treffen van aanvullende maatregelen in de vorm van de door verweerder beoogde ruimtelijke scheiding. Appellanten stellen voorts dat een camping niet kan worden aangemerkt als een geluidgevoelige bestemming in de zin van de Wet geluidhinder. Er bestond voor verweerder derhalve ter voorkoming van geluidhinder geen aanleiding aansluiting te zoeken bij de brochure "Bedrijven en Milieuzonering", nog daargelaten dat deze brochure volgens appellanten geen indicatie geeft voor de tussen twee bedrijven aan te houden afstand. Vaststelling van de feiten 2.16.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.16.2.1. Blijkens het deskundigenbericht heeft [appellante sub 17B] een oppervlakte van 16,5 hectare. Het terrein biedt ruimte aan 375 vaste standplaatsen en 50 toeristische plaatsen. Het plan maakt een uitbreiding met 12,5 hectare mogelijk, tot op een afstand van 5 meter van het perceel van de naastgelegen dierengroothandel. 2.16.2.2. Bij besluit van 30 september 2003 is aan Dierengroothandel [partij E] een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van de handel in en het fokken van kleine huisdieren. Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk heeft aan de milieuvergunning geen voorschriften verbonden ter voorkoming van geurhinder. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat binnen een afstand van 50 meter van het emissiepunt van de stal geen woningen van derden zijn gelegen. Bij de beoordeling van deze afstand heeft het college de Brochure Veehouderij en Stankhinder en de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 in aanmerking genomen. 2.16.2.3. Uit de Brochure Veehouderij en Stankhinder kan worden afgeleid dat objecten van verblijfsrecreatie als hier aan de orde dienen te worden beschermd tegen geurhinder afkomstig van dieren. Afhankelijk van de feitelijke situatie in de omgeving wordt in de Brochure een afstand van minimaal 50 meter aanbevolen tussen stankgevoelige objecten en dierenverblijven die geurhinder veroorzaken. Het oordeel van de Afdeling 2.16.3. Anders dan uit het betoog van appellanten moet worden afgeleid, dient het bestemmingsplan het kader te vormen voor de beoordeling van de vraag of de uitbreiding van de camping als in het vastgestelde plan voorzien, na afweging van alle belangen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kan worden aanvaard. De Afdeling acht het standpunt van verweerder, dat ter voorkoming van geurhinder in dit geval tussen het bouwvlak van de camping en het bouwvlak van het dierenbedrijf uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een afstand van 50 meter aangehouden moet worden niet onjuist. Daargelaten de vraag of in dit geval wel door het verbinden van voorschriften aan de milieuvergunning van het dierenbedrijf een afstand van 5 meter uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening ook aanvaardbaar geacht zou kunnen worden, heeft verweerder zich voorts op goede gronden op het standpunt gesteld dat het dierenbedrijf belemmeringen kan ondervinden als de camping overeenkomstig het vastgestelde plan zou kunnen uitbreiden. De afwezigheid in de huidige situatie van geurgevoelige objecten op minder dan vijftig meter van het emissiepunt van het dierenbedrijf, is voor het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk immers aanleiding geweest aan de milieuvergunning van het dierenbedrijf thans geen voorschriften te verbinden ter voorkoming van geurhinder. De aanwezigheid van een camping op een afstand van vijf meter van het bouwvlak van het dierenbedrijf zou in de toekomst aanleiding kunnen zijn aan een dergelijke vergunning wél dergelijke voorschriften te verbinden. Niet aannemelijk is geworden dat verweerder aan het belang van het dierenbedrijf bij een ongewijzigde feitelijke situatie in redelijkheid geen overwegend gewicht heeft kunnen toekennen. Het betoog van appellanten inzake geluidhinder kan het bestreden besluit niet raken omdat verweerder het aspect geluidhinder niet aan zijn besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag heeft gelegd. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan een deel van de perceelsbestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden (vR)" van de gronden aan de [locatie 17] in [plaats]. Het beroep van [appellante sub 17B] en [appellante sub 17A] is ongegrond. PERCEEL [locatie 18] TE [plaats] Het standpunt van verweerder 2.17. Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan het cijfer "7000" op de plankaart, voor zover dat betrekking heeft op de perceelsbestemming "Agrarisch aanverwante doeleinden (AD)" met de subbestemming "ADga" (groothandel in en/of opslag van agrarische producten) van het perceel [locatie 18]. Verweerder heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het plan ten onrechte een uitbreiding van de bestaande bebouwing van 4400 m² naar 7000 m² mogelijk maakt. Verweerder heeft zijn onthouding van goedkeuring gemotiveerd door te verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2004, no. 200404338/1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder tevens goedkeuring onthouden aan de zinsnede "of AD" van artikel 30, achtste lid, planvoorschriften omdat deze bepaling volgens verweerder ten onrechte de oprichting van een tweede bedrijfswoning bij agrarische aanverwante bedrijven toelaat. Voorts heeft verweerder bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan artikel 53, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover ingevolge deze bepaling vrijstelling kan worden verleend ten einde de in het plan toegelaten bebouwde oppervlakte van agrarische aanverwante bedrijven met 15% uit te breiden. Het standpunt van appellanten 2.17.1. [appellante sub 18A] en [appellante sub 18B] (hierna: [appellante sub 18A] en anderen) stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan voornoemde delen van het plan. Zij voren daartoe aan dat verweerder de onthouding van goedkeuring ondeugdelijk heeft gemotiveerd door te volstaan met een verwijzing naar de Afdelingsuitspraak. Verweerder heeft volgens appellanten aldus miskend dat in die situatie, anders dan thans, sprake is van een wijzigingsplan ingevolge artikel 11 van de WRO, dat het bedrijf in de nabijheid van een bedrijventerrein ligt, dat een beperktere uitbreiding dan het vastgestelde plan toelaat de bedrijfsvoering zal belemmeren en dat zij niet over financiële middelen beschikken hun bedrijf naar elders te verplaatsen. Voorts stellen appellant dat de noodzaak van een tweede bedrijfswoning ten behoeve van hun bedrijf niet op voorhand kan worden uitgesloten. Voorts betogen appellanten dat verweerder heeft miskend dat een uitbreiding met 15% van de bebouwde oppervlakte geen verdubbeling betekent van de uitbreidingsmogelijkheden die het streekplan biedt. Vaststelling van de feiten 2.17.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.17.2.1. Bij uitspraak van 24 december 2004, no. 200404338/1, heeft de Afdeling als volgt overwogen naar aanleiding van het door [gemachtigde] ingestelde beroep tegen de onthouding van goedkeuring door verweerder aan het wijzigingsplan "Wijziging bestemmingsplan Buitengebied - [locatie 18] in [plaats]": "2.3. Met het wijzigingsplan wordt beoogd een uitbreiding van het bouwblok van het bedrijf van appellant, dat is gevestigd aan de [locatie 18] in het buitengebied van Zevenbergen en dat als "Agrarisch afzetbedrijf" is bestemd, mogelijk te maken. De uitbreiding is bedoeld om een koelruimte annex verwerkingsruimte van 40 meter bij 65 meter (2.600 m2) te kunnen bouwen. 2.4. Verweerder acht het wijzigingsplan in strijd met het streekplan en heeft daarom hieraan goedkeuring onthouden. Volgens verweerder betreft het een uitbreiding van het bouwblok van een niet-agrarisch bedrijf. In het streekplan is hierover vermeld dat aan bestaande, niet aan het buitengebied gebonden bedrijven een uitbreidingsruimte wordt geboden van maximaal 15%. Gerelateerd aan de huidige bedrijfsbebouwing van 4.400 m2, voorziet het wijzigingsplan echter in een uitbreiding van ongeveer 60%. Volgens verweerder zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een afwijking van het streekplan rechtvaardigen. 2.5. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden, omdat van strijd met het streekplan geen sprake is. Naar zijn mening moet zijn bedrijf als een agrarisch verwant bedrijf als bedoeld in het streekplan worden aangemerkt. Aan dit soort bedrijven wordt in het streekplan een grotere uitbreidingsruimte geboden dan 15%. Verder is in het geldende bestemmingsplan geen maximum gesteld aan het oppervlak dat binnen het bouwblok mag worden bebouwd, zodat appellant het beoogde bedrijfsgebouw in elk geval binnen het bestaande bouwblok mag bouwen. Volgens appellant gaat het dan ook niet om een vergroting van het bouwblok, maar slechts om een wijziging van de begrenzing van het bouwblok. 2.6. Buiten geschil is dat het wijzigingsplan voldoet aan de eisen die daaraan in de wijzigingsregels in het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn gesteld. Uit de stukken blijkt dat het wijzigingsplan niet slechts voorziet in een wijziging van de begrenzing van het in het bestemmingsplan opgenomen bouwblok van 1 ha van het bedrijf van appellant, maar tevens in een uitbreiding ervan tot 1,5 ha. Volgens het streekplan Brabant in balans 2002 (paragraaf 3.4.14) krijgen bestaande agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven een uitbreidingsruimte van maximaal 25% van het in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsvlak, of maximaal 25% van de volgens het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte. Bestaande andere niet aan het buitengebied gebonden bedrijven krijgen een uitbreidingsruimte van maximaal 15% hiervan. 2.6.1. Het bedrijf van appellant houdt zich blijkens de stukken bezig met de opslag, afzet en bewerking van agrarische producten. In het streekplan wordt het begrip agrarisch-technisch hulpbedrijf omschreven als een bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren, of de toepassing van andere landbouwkundige methoden. In het streekplan wordt onder een agrarisch verwant bedrijf verstaan een bedrijf of instelling, gericht op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van an

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.