(1985), wordt aangegeven de wijze waarop met het plan het beoogde doel of doeleinden worden nagestreefd. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat artikel 12, lid B, onder 1, van de planvoorschriften zo moet worden gelezen dat de raad nastreeft dat de winning van oppervlaktedelfstoffen in de zogenoemde fase 5 uiterlijk op 1 januari 2005 zal zijn geëindigd, doch dat dit niet meebrengt dat het voorgenomen (voortgezette) gebruik strijdt met het plan. Genoemde streefbepaling laat immers onverlet dat de gronden ingevolge artikel 12, lid A, van de planvoorschriften, ook na 1 januari 2005 zijn bestemd voor de winning van oppervlaktedelfstoffen, waarmee het gebruik in overeenstemming is. Hieruit volgt dat de beoogde ontgronding niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat planologische medewerking als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de Ontgrondingenwet, niet is vereist. Het standpunt van verweerder dat geen sprake is van een soortgelijke situatie als in het geval van [vergunninghouder], omdat de gemeente Schinnen in dat geval wel bereid was tot planologische medewerking, behoeft geen bespreking. De planologische medewerking was in geen van beide gevallen vereist. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Het op artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat verweerder een nieuw besluit dient te nemen en op de uitkomst daarvan niet kan worden vooruitgelopen. Proceskostenveroordeling 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 4 juli 2006, kenmerk 2005/51197; III. wijst het verzoek om schadevergoeding af; IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Limburg aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; V. gelast dat de provincie Limburg aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat. w.g. Van Ettekoven w.g. Tulmans Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007 381