200606331/1. Datum uitspraak: 21 februari 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de stichting "Stichting Greenpeace Nederland", gevestigd te Amsterdam, en anderen, appellanten, en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2006 heeft verweerder op grond van Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van het afgedankte tankschip "Otapan" (hierna: de Otapan) naar Turkije. Bij besluit van 14 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het door de rechtspersoon naar Mexicaans recht "Basilisk" (hierna: Basilisk) hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 7 juli 2006 herroepen en alsnog ingestemd met de voorgenomen overbrenging. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 25 augustus 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 september 2006. Bij brief van 1 december 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. B.N. Kloostra, advocaat te Amsterdam, en [directeur] van appellante de stichting "Stichting Greenpeace", en verweerder, vertegenwoordigd door mr. W. Huiberts, ambtenaar van het ministerie, en J.E. den Hartog-van 't Zelfde, werkzaam bij SenterNovem, zijn verschenen. Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht. 2. Overwegingen 2.1. Bij besluit van 7 juli 2006 heeft verweerder op grond van de Verordening bezwaar gemaakt tegen het voornemen van Basilisk om een afgedankt tankschip met daarin verwerkt 1.000 kilogram asbesthoudend materiaal in de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 mei 2007 over te brengen naar Turkije teneinde bij de Turkse werf "Simsekler" in Izmir (hierna: Simsekler) te worden gesloopt. De verwerkingswijze van deze afvalstoffen is op het kennisgevingsformulier met kenmerk NL 118699 aangemerkt als een handeling van nuttige toepassing als bedoeld in categorie R4, recycling/terugwinning van metalen en metaalverbindingen, van bijlage IIB van de Richtlijn 2006/12/EG (hierna: de Richtlijn). Verweerder heeft bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging, omdat geen financiële zekerheid in de vorm van een waarborgsom of borgtocht was gesteld. Naar aanleiding van het door Basilisk ingediende bezwaarschrift heeft verweerder bij besluit van 14 juli 2006, nadat de voor de voorgenomen overbrenging benodigde bankgarantie was verleend, het bezwaar van Basilisk gericht tegen het besluit van 7 juli 2006 gegrond verklaard en ingestemd met de voorgenomen overbrenging. 2.2. Verweerder heeft gesteld dat appellanten niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. 2.2.2. Het beroep is ingesteld door de stichting "Stichting Greenpeace" (hierna: de Stichting), de rechtspersoon naar Turks recht "Limter-Ýþ" en de natuurlijke personen [persoon sub 1] en [persoon sub 2]. 2.2.3. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de statuten van de Stichting, zoals deze luidden ten tijde van het instellen van het beroep, heeft zij ten doel het bevorderen van natuurbehoud. Zij tracht dit doel blijkens het tweede lid van artikel 2 van haar statuten waar ook ter wereld te verwezenlijken door onder meer bepaalde misstanden te beëindigen en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord. Vorenbedoelde doelstelling omschrijft voldoende bepaald de algemene en collectieve belangen die door de Stichting in het bijzonder worden behartigd. Ook uit feitelijke werkzaamheden van de Stichting blijkt deze belangenbehartiging. Deze belangen worden rechtstreeks door het bestreden besluit geraakt. De Stichting dient derhalve te worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.2.4. Wat betreft de rechtspersoon naar Turks recht "Limter-Ýþ" en de natuurlijke personen [persoon sub 1] en [persoon sub 2] is de Afdeling van oordeel dat zij niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtspersoon naar Turks recht "Limter-Ýþ" heeft als vakbondsorganisatie blijkens artikel 4 van haar reglement, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van het beroep, onder meer ten doel het nastreven van goede werkomstandigheden van werfarbeiders alsmede de bescherming van hun rechten en vrijheden. Gelet op deze doelstelling kan niet worden geoordeeld dat deze organisatie door het besluit van verweerder in te stemmen met de voorgenomen overbrenging van de Otapan naar Turkije rechtstreeks wordt getroffen in haar belang. Ten aanzien van [persoon sub 1] en [persoon sub 2] is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat zij wonen op een afstand van 6 tot 7 kilometer van de scheepswerf waar de Otapan naar zal worden overgebracht. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling zodanig dat zij door het bestreden besluit niet rechtstreeks in hun belang worden getroffen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan deze appellanten als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij het besluit van 14 juli 2006 kunnen worden aangemerkt. Het beroep voor zover ingediend door de rechtspersoon naar Turks recht "Limter-Ýþ", [persoon sub 1] en [persoon sub 2] is derhalve niet-ontvankelijk. 2.3. Verweerder heeft gesteld dat nu de Otapan weer is teruggekeerd naar Nederland, geen procesbelang meer bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. In dit verband heeft verweerder er ter zitting op gewezen dat voor de overbrenging van het schip een nieuwe kennisgeving is vereist. 2.3.1. Uit de stukken blijkt dat de Otapan eind juli 2006 vanuit Nederland is vertrokken richting Turkije. In verband met de grotere hoeveelheid asbest die zich aan boord van het schip zou bevinden dan op de kennisgeving is aangegeven, heeft Turkije het schip toegang tot haar territoriale wateren geweigerd. Daarop heeft verweerder besloten om het schip terug te halen naar Nederland. De voorgenomen overbrenging is derhalve niet voltooid. Uit de stukken blijkt voorts van het voornemen om, nadat de hoeveelheid asbest aan boord van het schip in overeenstemming is gebracht met de thans in het geding zijnde kennisgeving, het schip opnieuw over te brengen naar Turkije om daar te worden gesloopt. Anders dan verweerder ziet de Afdeling niet dat in dat geval, voor zover de overbrenging plaatsvindt vóór 1 juni 2007, niet kan worden volstaan met de kennisgeving van 29 mei 2006 maar de Verordening vereist dat een nieuwe kennisgeving wordt gedaan. Derhalve bestaat nog procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. 2.4. Appellante voert aan dat Basilisk niet kan worden aangemerkt als kennisgever in de zin van artikel 2, aanhef en onder g, van de Verordening. Volgens appellante staat vast dat Basilisk niet is aan te merken als de oorspronkelijke producent van de afvalstoffen, noch is zij erkend of geregistreerd als inzamelaar of handelaar. Voorts is Basilisk ook niet als houder van de afvalstoffen aan te merken, aldus appellante. 2.4.1. Het begrip kennisgever is in artikel 2, aanhef en onder g, van de Verordening als volgt omschreven: "elke natuurlijke of rechtspersoon die tot kennisgeving is verplicht, dat wil zeggen de hierna bedoelde persoon die voornemens is afvalstoffen over te brengen of te doen brengen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.