200604680/1. Datum uitspraak: 21 maart 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Utrecht, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 19 september 2005 heeft de gemeenteraad van Zeist, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 augustus 2005, het bestemmingsplan "2e herziening ex artikel 30 Wet op de Ruimtelijke Ordening van het bestemmingsplan Bosch en Duin e.o." vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 april 2006, nummer 2006REG000986i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 juli 2006. [vier belanghebbenden] zijn als partij tot het geding toegelaten. Bij brief van 15 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door zijn [echtgenote] en bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. ing. P.J.M. Verlaan, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar als partij gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. H.R.A. Beenen, ambtenaar van de gemeente, en [belanghebbenden], vertegenwoordigd door [gemachtigde]. 2. Overwegingen Overgangsrecht 2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft. Toetsingskader 2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. Standpunt van verweerder 2.3. Verweerder heeft, voor zover thans van belang, goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" voor het perceel [locatie]. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat de planvoorschriften en de plankaart niet met elkaar overeenkomen wat betreft de toegestane bouwhoogte van gebouwen en andere bouwwerken, hetgeen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Nu op de plankaart een koppelteken staat tussen het bestemmingsvlak "Maatschappelijke doeleinden" en het bestemmingsvlak "Maatschappelijke doeleinden met de aanduiding (o)" heeft verweerder ook aan dit laatste bestemmingsvlak goedkeuring onthouden. Verweerder heeft daarnaast goedkeuring onthouden aan artikel 12, vijfde lid, aanhef en onder 1, sub b, van de planvoorschriften, dat voorziet in een vrijstellingsbevoegdheid voor de bouw van een dienstwoning op de gronden binnen het bestemmingsvlak "Maatschappelijke doeleinden met de aanduiding (o)". Verweerder acht de noodzaak voor een vrijstaande dienstwoning met een bebouwd oppervlak van 180 m² onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat een dienstwoning volgens de definitiebepaling in het plan deel uit dient te maken van de bouwmassa, het maximaal toegestane vloeroppervlak van de vrijstaande dienstwoning een verdrievoudiging is van hetgeen op grond van het vigerende bestemmingsplan is toegestaan, een vrijstaande woning van een dergelijke omvang een speculatief karakter kan hebben en ten slotte dat het perceel [lcoatie] is gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur zoals opgenomen in het Streekplan 2005-2015 en onduidelijk is waar de ontsluitingsroute naar de nieuwe dienstwoning komt te liggen. Standpunt van appellant 2.4. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 12, vijfde lid, aanhef en onder 1, sub b, van de planvoorschriften en aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" en de aanduiding "(o)". Hij voert hiertoe aan dat verweerder een te strikte uitleg geeft aan het begrip noodzaak. Appellant stelt dat hij een redelijk belang heeft bij een dienstwoning bij zijn bedrijf nu in zijn bedrijf trainingen en cursussen verdeeld over meer aaneensluitende dagen worden gegeven waarbij ook in de avonduren wordt doorgewerkt en cursisten ter plaatse overnachten. Hij wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2003, in zaak no. 200204783/1. Appellant voert verder aan dat het standpunt van verweerder dat de vloeroppervlakte van de dienstwoning drie keer zo groot wordt in vergelijking met de huidige dienstwoning onjuist is. Voorts stelt appellant dat verweerder uit de enkele omvang van de dienstwoning niet heeft kunnen afleiden dat de woning een speculatief karakter kan hebben. Daarbij wijst appellant erop dat uit de plankaart en de planvoorschriften volgt dat de nieuwe dienstwoning alleen gebouwd kan worden als de huidige inpandige dienstwoning wordt prijsgegeven en dat deze woning alleen als dienstwoning bij het bedrijf mag worden gebruikt, zodat het niet mogelijk is de woning apart van het bedrijf te verkopen. Ten slotte betoogt appellant dat de totale oppervlakte van het perceel [locatie] enkele duizenden vierkante meters bedraagt zodat de bebouwing van maximaal 180 m² de ecologische waarden in het gebied niet zal aantasten. Vaststelling van de feiten 2.5. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.5.1. Het plan is de tweede herziening van het bestemmingsplan Bosch en Duin en omstreken. Dit bestemmingsplan omvat het gebied ten zuiden van de spoorlijn Amersfoort-Utrecht (Den Dolder Zuid) en ten noorden van de Amersfoortseweg. De oostelijke respectievelijk westelijke grens van het plangebied is de gemeentegrens met De Bilt respectievelijk de vliegbasis Soesterberg. Verweerder heeft bij besluit van 16 september 1997 deels goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan Bosch en Duin en omstreken. Deze tweede herziening betreft onderdelen en percelen uit het bestemmingsplan Bosch en Duin en omstreken waaraan goedkeuring was onthouden, waaronder de [locatie]. Ook voor percelen waaraan destijds geen goedkeuring is onthouden, gelden de gewijzigde voorschriften uit deze herziening. Het plan heeft derhalve betrekking op het gehele plangebied, zodat op onderdelen sprake is van een partiële herziening van het bestemmingsplan. 2.5.2. Appellant exploiteert aan de [locatie] het organisatie- en adviesbureau "De Terp". Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 9200 m². Op het terrein staan drie hoofdgebouwen, te weten een villa, daaraan aansluitend een vleugel en een koetshuis, en twee bijgebouwen, namelijk een sauna en een opslagruimte. De gebouwen worden gebruikt als praktijk- en conferentieruimten voor begeleidings- en opleidingsactiviteiten. In de villa is een inpandige dienstwoning gevestigd. 2.5.3. Uit het Streekplan Utrecht 2005-2015 (hierna: het Streekplan) blijkt dat het perceel [locatie] ligt binnen de ecologische hoofdstructuur (hierna: de EHS), zoals aangegeven op de kaart "gebieden binnen groene contouren" behorende bij het Streekplan. Binnen deze groene contour geldt een 'nee, tenzij'-regime, hetgeen inhoudt dat nieuwe plannen, projecten, of handelingen binnen en in de nabijheid van deze gebieden niet zijn toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Om te kunnen beoordelen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied al dan niet significant worden aangetast door plannen, projecten of handelingen zal de initiatiefnemer hiernaar onderzoek moeten verrichten. 2.5.4. Aan het perceel [locatie] is aan het westelijke deel, waar de villa en de vleugel staan, de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" toegekend en aan het oostelijk deel de bestemming "Bostuin". In dit bestemmingsvlak is een bouwvlak ingetekend met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" en de aanduiding "(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.