(1994), aldus verweerder. Met bijzondere technische voorzieningen gericht op het zo veel mogelijk beperken van drift kan volgens verweerder de afstand verder worden teruggebracht. Volgens verweerder kan de blijvende toepassing van technische voorzieningen middels nadere eisen (artikel 2 van het besluit) bindend worden vastgelegd. Een overdrachtsbelemmering kan eveneens worden bereikt met een gesloten, groenblijvende begroeiing van voldoende hoogte langs het perceel met siergewas, aldus verweerder. Met toepassing van overdrachtsbeperkende maatregelen kan volgens verweerder, bij de huidige bedrijfsvoering de veiligheidszone tot de vereiste minimum afstand voor het bedrijftype, zijnde tien meter (VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering) worden teruggebracht. De gemeente zal volgens verweerder zorg dragen voor een degelijk groenscherm. Voorts heeft de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst met het onderhavige hoveniersbedrijf afgesloten waarin is opgenomen dat de betreffende boomopstanden slechts op een beperkt deel van de bestemming "Hoveniersbedrijf" zullen worden gesitueerd, aldus verweerder. Ten aanzien van dit deel is een hinderzone van 30 meter opgenomen op de plankaart. Vaststelling van de feiten 2.8.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.8.
- Ingevolge artikel 3, sub B., van de planvoorschriften, zijn binnen de op de kaart aangegeven "hinderzone" geen woningen toegestaan. 2.8.
- In de toelichting van het bestemmingsplan staat dat ten aanzien van het hoveniersbedrijf kan worden opgemerkt dat in de VNG-uitgave voor een hoveniersbedrijf een afstand van tien meter tot een rustige woonwijk wordt aanbevolen (SBI-code 01.3). Omdat gebruik wordt gemaakt van bestrijdingsmiddelen (voor de boomopstand) is het gewenst ter plaatse van de boomopstand een categorie hoger aan te houden, hetgeen resulteert in een afstand van 30 meter. Het oordeel van de Afdeling 2.8.
- Er zijn geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de openlucht worden gekweekt en nabijgelegen burgerwoningen. Verweerder is er vanuit gegaan dat slechts op een beperkt deel van het perceel bomen worden gekweekt en dat daarom slechts voor dit deel een afstand van 30 meter tot woonbebouwing dient te worden aangehouden. Verweerder dient bij de besluitvorming over de goedkeuring van een bestemmingsplan echter uit te gaan van hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt. In het bestemmingsplan is niet uitgesloten dat een ander deel van het perceel in gebruik zal worden genomen voor de kweek van bomen. Hier doet niet aan af dat de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst met het hoveniersbedrijf heeft afgesloten waarin is overeengekomen dat de bomen slechts op een beperkt deel van het plandeel met de bestemming "Hoveniersbedrijf" zullen worden gekweekt. Voor zover verweerder stelt dat ten opzichte van de andere gewassen een afstand van tien meter voldoende is overweegt de Afdeling dat het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer geen betrekking heeft op in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen in acht te nemen afstanden tussen gevoelige objecten en gronden waar openluchtteelt plaatsvindt, zodat uit de afstanden die daarin worden genoemd in dit verband ook geen conclusies kunnen worden getrokken. Voorts neemt het feit dat het gaat om een beperkt aantal bespuitingen per jaar niet weg dat de voor de omgeving nadelige gevolgen middels een hinderzone beperkt dienen te worden en kunnen ook andere gewassen dan de boomopstand een hoogte bereiken waardoor bespuiting bij een door verweerder genoemde lage inzethoogte niet mogelijk zal zijn. Wat betreft het door verweerder genoemde afdwingbare gebruik van bijzondere technische voorzieningen bij bespuiting, overweegt de Afdeling dat, in tegenstelling tot wat verweerder stelt, in het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer geen bepalingen zijn opgenomen die hier op zien. Voor zover verweerder de aan te houden afstand rechtvaardigt met de aanwezigheid van een windsingel, overweegt de Afdeling dat niet uit onderzoek is gebleken dat de windsingel in kwestie de emissie kan beperken en welke invloed de resterende emissie heeft op de in het plan mogelijk gemaakte toekomstige omliggende woonbebouwing. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom in plaats van een hinderzone van 50 meter, een hinderzone van deels 30 en deels 10 meter in dit geval voldoende is. Eindconclusie 2.
- Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wat betreft de plandelen met de bestemming "Groen en wonen" voor zover gelegen binnen een afstand van 50 meter van het plandeel met de bestemming "Hoveniersbedrijf" en buiten de aanduiding "hinderzone", niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd. Voor het overige heeft verweerder zich gezien het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en [appellant sub 1] voor het overige hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. De beroepen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] zijn geheel ongegrond. Het beroep van [appellant sub 1] is gedeeltelijk ongegrond. Proceskosten 2.
- Ten aanzien van [appellant sub 1] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 16 mei 2006, no. 2005-012182, voor zover het betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Groen en wonen" voor zover gelegen binnen een afstand van 50 meter van het plandeel met de bestemming "Hoveniersbedrijf" en buiten de aanduiding "hinderzone". III. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] ongegrond en het beroep van [appellant sub 1] voor het overige ongegrond; IV. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. Langeveld Voorzitterambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007 317-535.