(75). Met betrekking tot de indeling van de percelen is het ontwerpplan aangepast naar aanleiding van de zienswijzen van appellanten in die zin dat een minimale bebouwingsafstand tot de zijdelingse perceelsgrens van 3 meter dient te worden aangehouden. Voorts sluit de hoogte van de woningen naar evenredigheid aan bij de bestaande bebouwing, uitgaande van twee lagen met een kap. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Ter zitting is gebleken dat de bestaande bebouwing in de woonwijken Heierveld en Achter de Hoven grenzend aan de zuidzijde van het plangebied bestaat uit één bouwlaag met een kap met een maximale nokhoogte van 7,70 meter, hetgeen in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan. Gelet op de planvoorschriften kunnen in het plangebied woningen worden gebouwd met twee lagen en een kap met een maximale nokhoogte van 12,50 meter. Het plan voorziet derhalve in woningen die aanmerkelijk hoger zijn dan de aangrenzende bestaande bebouwing. De bouwmassa van de nieuwe woningen wordt versterkt doordat de dakhelling van de kap volgens de planvoorschriften maximaal 75º mag bedragen. Een dergelijke dakhelling maakt het mogelijk dat in de kap twee bouwlagen worden gebouwd. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder, met de gemeenteraad, dit onvoldoende onderkend. Voorts is de Afdeling, anders dan verweerder, van oordeel dat de maximale nokhoogte van 12,50 meter niet voldoende wordt gecompenseerd doordat op de ruime kavels uitsluitend vrijstaande huizen mogen worden gebouwd, waardoor open ruimtes zouden ontstaan tussen de bebouwing. De planvoorschriften maken het immers mogelijk om aan- en bijgebouwen tot op de perceelsgrens te bouwen, zodat ook van perceelsgrens tot perceelsgrens kan worden gebouwd. Dat in de planvoorschriften is neergelegd dat het dak van een bijgebouw dat is gebouwd op de perceelsgrens vanuit de perceelsgrens dient op te lopen, leidt in dit kader niet tot een ander oordeel, nu ook de dakhelling van een bijgebouw maximaal 75º mag bedragen. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid kunnen instemmen met het standpunt van het gemeentebestuur dat een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden met betrekking tot de inpassing van de woningbouw in de omgeving. 2.
- Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Aangezien de enkele vernietiging van de goedkeuring van de door appellanten bestreden bebouwingsvoorschriften er toe zal leiden dat voor het bouwen van een woning geen voorschriften gelden ten aanzien van de maximale hoogte en dakhelling, dient de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" tevens te worden vernietigd. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd. Proceskostenveroordeling 2.
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" als zodanig; II. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 20 juni 2006, kenmerk 2006/27271; IV. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdéénenveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat. w.g. Oosting w.g. Broekman Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007 270-472.