(2002)worden bedrijfswoningen op bedrijventerreinen als ongewenst beschouwd. Verweerder heeft geen feiten of omstandigheden geconstateerd die aanleiding geven om in dit geval anders te oordelen. Bij de beoordeling van het bestemmingsplan "Genderen 2001" op 5 juni 2001 heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de mogelijkheid tot nieuwvestiging van bedrijfswoningen. Het opnieuw toelaten van nieuwe bedrijfswoningen is in strijd met dat besluit en de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2002, no. 200103533/
- Verweerder stelt dat hij wel kan instemmen met het bestemmen als zodanig van de bestaande bedrijfswoning. Verder heeft verweerder overwogen dat het plan ook voorziet in een uitbreiding van het bedrijventerrein waarbij de ten opzichte van woningen aan te houden afstanden volgens de "Staat van bedrijfsactiviteiten" niet worden gehaald. Verweerder acht dit onaanvaardbaar. Verweerder heeft verder het plandeel met de bestemming "Bedrijven" dat ziet op het noordoostelijk gelegen deel van het bedrijventerrein niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Verweerder heeft hierbij overwogen dat bij de vaststelling van het plan het bouwblok op dit deel van het bedrijventerrein is verwijderd, waardoor deze gronden alleen ten dienste van de bestemming "Bedrijven" gebruikt mogen worden. De belangen van [appellant sub 2] worden hierdoor niet geschaad. Vaststelling van de feiten 2.
- Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.6.
- Het bedrijventerrein aan de [locatie] heeft ingevolge het plan de bestemming "Bedrijven" met de aanduiding "afwijkend aantal bedrijfswoningen". 2.6.
- Ingevolge de beleidsbrief van verweerder 'Bedrijventerreinen, zelfstandige kantoorvestigingen, detailhandel en voorzieningen' van 20 juli 2004 wordt stringent getoetst aan de in de brief genoemde criteria bij de beoordeling van gemeentelijke ruimtelijke plannen. In paragraaf 2.2 van de beleidsbrief is onder andere opgenomen dat op een bedrijventerrein bedrijfswoningen worden geweerd. Dit is tevens weergegeven in bijlage 1 bij de beleidsbrief. 2.6.
- Ingevolge artikel 6, lid B, onder 3, sub c, van de voorschriften mogen, voor zover hier van belang, bedrijfswoningen gebouwd worden binnen de bebouwingsvlakken met inachtneming van het volgende. Per bedrijf mag slechts één bedrijfswoning aanwezig zijn, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "afwijkend aantal bedrijfswoningen" op de plankaart niet meer bedrijfswoningen zijn toegestaan dan op de plankaart is aangegeven. Op de plankaart is aangegeven dat ter plaatse van het bedrijventerrein aan de [locatie] maximaal drie bedrijfswoningen zijn toegelaten. Het oordeel van de Afdeling 2.
- De Afdeling stelt vast dat het onderdeel van de beroepen van het college en de maatschap waarin wordt betoogd dat op het plandeel met de bestemming "Bedrijven" dat ziet op het bedrijventerrein aan de [locatie], niet alleen bedrijven in de milieucategorieën 1en 2, maar ook bedrijven in milieucategorie 3 zijn toegelaten, niet is gericht tegen de goedkeuring door verweerder aan dit plandeel, doch tegen de aan deze beslissing ten grondslag liggende motivering. Nu deze motivering voor de goedkeuring aan dit plandeel in het kader van deze procedure echter geen zelfstandige betekenis heeft, hebben appellanten wat dit onderdeel betreft geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroepen. In verband hiermee zijn hun beroepen in zoverre ongegrond. Overigens heeft verweerder ter zitting te kennen gegeven dat hij bij nader inzien instemt met het standpunt van het college en de maatschap. 2.7.
- Zoals is weergegeven in overweging 2.6.
- is het uitgangspunt van het beleid van verweerder dat bedrijfswoningen op bedrijventerreinen niet worden toegestaan. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uit het oogpunt van zuinig ruimtegebruik en in verband met een mogelijke belemmering van bestaande bedrijven, wenselijk is dat in het plan geen nieuwe bedrijfswoningen op het bedrijventerrein [naam] worden toegelaten. Verweerder hoefde aan het belang van de maatschap als eigenaar en beheerder van het bedrijventerrein geen doorslaggevend gewicht toe te kennen. Ook het door het college aangevoerde draagvlak voor de bouw van de bedrijfswoningen en de geringe beperkingen uit milieuhygiënisch oogpunt, maken dit niet anders. In verband hiermee zijn de beroepen van het college en de maatschap voor zover deze zijn gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan de aanduiding "afwijkend aantal bedrijfswoningen", ongegrond. Nu verweerder echter te kennen heeft gegeven te kunnen instemmen met het bestemmen van de bestaande bedrijfswoning als zodanig en de exacte locatie van de bedrijfswoning bekend was, heeft verweerder het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijven" dat betrekking heeft op het bedrijventerrein aan de [locatie] wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd. 2.
- Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] dat is gericht tegen het plandeel dat ziet op het noordoostelijk gedeelte van het bedrijventerrein, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Verder heeft verweerder ter zitting weliswaar toegegeven dat de wijze waarop de bedenkingen van appellant in zijn bestreden besluit zijn behandeld te wensen overlaat, doch de Afdeling is niet gebleken dat appellant hierdoor in zijn belangen is geschaad. Verder is niet gebleken van een dusdanige aantasting van het woon- en werkgenot en een zodanige vermindering van de waarde van de woning van appellant dat verweerder hieraan in redelijkheid bij afweging van de betrokken belangen een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. 2.8.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 2.
- Behoudens hetgeen hiervoor in overweging 2.7.
- is overwogen wat betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven", ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat de beroepen van appellanten voor het overige ongegrond zijn. Proceskosten 2.
- Ten aanzien van appellant sub 1 is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Ten aanzien van appellant sub 2 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Ten aanzien van appellanten sub 3 dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen van appellant sub 1 en appellanten sub 3 gegrond voor zover deze betreffen de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven" dat betrekking heeft op het bedrijventerrein aan de [locatie]; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 7 februari 2006, kenmerk 1118051, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het onder I. bedoelde plandeel; III. verklaart de beroepen van appellant sub 1 en appellanten sub 3 voor het overige ongegrond; IV. verklaart het beroep van appellant sub 2 geheel ongegrond. V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij appellanten sub 3 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan appellanten sub 3 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor appellant sub 1 en € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor appellanten sub 3 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat. w.g. Kosto w.g. Kooijman Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007 177-521.