200506283/1. Datum uitspraak: 4 april 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te [woonplaats], 3. [appellante sub 3] en anderen, gevestigd respectievelijk wonend te [plaats], 4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], 5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats], 6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats], 7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], 8. [appellanten sub 8], wonend respectievelijk gevestigd te [plaats], 9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats], 10. [appellante sub 10], gevestigd te [plaats], 11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats], 12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats], 13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats], 14. [appellant sub 14], gevestigd te [plaats], 15. [appellant sub 15], gevestigd te [plaats], 16. [appellant sub 16], wonend te [plaats], 17. [appellant sub 17], wonend te [plaats], 18. [appellante sub 18], gevestigd te [plaats], 19. [appellante sub 19], wonend te [woonplaats], 20. [appellant sub 20], wonend te [woonplaats], 21. [appellant sub 21], wonend te [woonplaats], 22. [appellant sub 22], wonend te [woonplaats], 23. [appellant sub 23], wonend te [woonplaats], 24. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats], 25. [appellanten sub 25], wonend te [woonplaats], 26. [appellant sub 26], wonend te [woonplaats], 27. [appellant sub 27], wonend te [woonplaats], 28. [appellant sub 28], wonend te [woonplaats], 29. [appellant sub 29], wonend te [woonplaats], 30. het college van burgemeester en wethouders van Eersel, 31. [appellant sub 31], wonend te [woonplaats], 32. [appellanten sub 32], wonend te [woonplaats], 33. de Oisterwijkse Milieuvereniging, gevestigd te Oisterwijk, en anderen, 34. de vereniging "Nederlandse Vakbond Varkenshouders", gevestigd te Lunteren, gemeente Ede, 35. [appellant sub 35], wonend te [woonplaats], 36. de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO), afdeling Goirle-Riel, gevestigd te Goirle, 37. [appellant sub 37], wonend te [woonplaats], en anderen, en provinciale staten van Noord-Brabant (hierna: verweerders), de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister en de Staatssecretaris), 1. Procesverloop Bij besluit van 22 april 2005, kenmerk 25/05 E, hebben verweerders, op voorstel van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, het reconstructieplan "Reconstructieplan Beerze-Reusel" vastgesteld. Het plan is op 10 mei 2005 ter goedkeuring verzonden aan de Minister en de Staatssecretaris. Op 28 juli 2005 is het reconstructieplan bekend gemaakt in de Staatscourant en het Brabants Dagblad en is mededeling gedaan van de goedkeuring van rechtswege van het plan als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc). Bij besluit van 5 juli 2005 hebben de Minister en de Staatssecretaris het plan goedgekeurd. Tegen het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan en de daarmee samenhangende goedkeuring van rechtswege hebben appellanten beroep ingesteld. Een aantal appellanten heeft tevens beroep ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van 5 juli 2005. Bij brieven van 1 februari 2006 en 31 mei 2006 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. Belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen. Van deze gelegenheid hebben de colleges van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden, Oisterwijk, Bladel en Goirle gebruik gemaakt. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 augustus 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 en 30 november 2006, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. Verweerders, de Minister en de Staatssecretaris hebben zich doen vertegenwoordigen. De colleges van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden, Oisterwijk, Bladel, en Goirle zijn niet verschenen. Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht. 2. Overwegingen OVERGANGSRECHT 2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft. ONTVANKELIJKHEID I Belanghebbende 2.2. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc) kan een belanghebbende tegen een besluit tot vaststelling, wijziging of uitwerking van het reconstructieplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 2.2.1. [appellant sub 2B] heeft ter zitting desgevraagd gesteld geen rechtstreeks bij het reconstructieplan betrokken belang te hebben. Hieruit volgt dat deze appellant niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat het beroep voor zover ingesteld door [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk is. Dit geldt niet ten aanzien van de mede-indiener van het beroepschrift, [appellant sub 2A], die binnen het plangebied woont. Het beroep is derhalve in zoverre het is ingesteld door [appellant sub 2A] ontvankelijk. 2.2.2. [appellant sub 37] woont blijkens zijn verklaring ter zitting in de bebouwde kom van Haaren, ongeveer 10 km buiten het plangebied. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het reconstructieplan geen gevolgen heeft ter plaatse van de woning van appellant. Ook anderszins is van een belang van appellant dat rechtstreeks is betrokken bij dit reconstructieplan niet gebleken. Hieruit volgt dat deze appellant niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat het beroep voor zover ingesteld door [appellant sub 37] niet-ontvankelijk is. Dit geldt niet ten aanzien van de mede-ondertekenaars van het beroep van [appellant sub 37] en anderen, die binnen het plangebied wonen. Het beroep is derhalve in zoverre het is ingesteld door de mede-ondertekenaars ontvankelijk. II Wettelijk kader Toepasselijke wet- en regelgeving 2.3. In de concentratiegebieden - als bedoeld in bijlage B bij de Wet herstructurering varkenshouderij - vindt ingevolge artikel 4 van de Rwc ter bevordering van een goede ruimtelijke structuur van de concentratiegebieden, in het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, alsmede ter verbetering van een goed woon-, werk- en leefklimaat en van de economische structuur, een reconstructie plaats. 2.3.1. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder reconstructie verstaan de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van een onderling samenhangend complex van maatregelen en voorzieningen ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze wet. 2.3.2. Een reconstructieplan bevat ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder d van de Rwc een beschrijving van de ruimtelijke indeling van het reconstructiegebied in landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden. 2.3.3. Onder een landbouwontwikkelingsgebied wordt verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat landbouw dat geheel of gedeeltelijk voorziet, of in het kader van de reconstructie zal voorzien, in de mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij. Onder een verwevingsgebied wordt verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is, mits de ruimtelijke kwaliteit of de functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. Onder een extensiveringsgebied wordt verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. 2.3.4. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Rwc, voor zover hier van belang, wordt in het reconstructieplan aangegeven op welke onderdelen het reconstructieplan afwijkingen van streekplannen als bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) inhoudt. 2.3.5. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Rwc, geldt de vaststelling van het reconstructieplan ten aanzien van onderdelen van het reconstructieplan die een afwijking inhouden van een vastgesteld streekplan als bedoeld in artikel 4a van de WRO als besluit tot herziening van zodanig streekplan. 2.3.6. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Rwc, voor zover van belang, geldt het reconstructieplan voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde lid, van de wet aangewezen delen van het reconstructiegebied als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO. Het reconstructieplan geldt voor die delen van het reconstructiegebied niet meer als een voorbereidingsbesluit indien voor de desbetreffende onderdelen van het reconstructiegebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het reconstructieplan van kracht is geworden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is artikel 50 van de Woningwet niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan. Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Rwc, geldt, voor zover de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, het reconstructieplan voor de uitvoering daarvan als een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO. 2.3.7. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Rwc kan een belanghebbende tegen een besluit tot vaststelling, wijziging of uitwerking van het reconstructieplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de wet maakt het besluit tot goedkeuring, voor de toepassing van het eerste lid, deel uit van het daaraan ten grondslag liggende besluit tot vaststelling van het reconstructieplan. Ingevolge artikel 29, derde lid, van de Rwc kunnen, in afwijking van de artikelen 27, eerste en tweede lid, 28, zevende lid, en 29, negende lid, van de WRO, geen bedenkingen of kan geen beroep worden ingediend tegen die onderdelen van een bestemmingsplan die voortvloeien uit een bekendgemaakt reconstructieplan. Het reconstructieplan 2.3.8. Het reconstructieplan Beerze-Reusel voorziet in een integrale zonering intensieve veehouderij, bestaande uit extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden. In bijlage 1 van deel A van het reconstructieplan staan definities vermeld. De zonering is weergegeven op een bij het plan behorende kaart 2. In paragraaf 11.6.1 van deel B van het reconstructieplan zijn beleidsuitspraken opgenomen met betrekking tot het grondgebruik binnen de extensiverings-, verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden. Daarnaast voorziet het plan in een begrenzing van waterbergingsgebieden (onderverdeeld in 'bestaand inundatiegebied' en 'in te richten waterbergingsgebied') en een begrenzing en zonering van 'natte natuurparels'. Die begrenzing en zonering zijn aangegeven op een bij het plan behorende kaart 1. In de paragrafen 11.6.2 respectievelijk 11.6.3 van het plan zijn beleidsuitspraken opgenomen over de bebouwing binnen de aangewezen waterbergingsgebieden en over het verrichten van werken en werkzaamheden binnen zowel de aangewezen waterbergingsgebieden als binnen de gezoneerde 'natte natuurparels'. Voor werken en werkzaamheden binnen die gebieden schrijft het plan een aanlegvergunningstelsel voor. 2.3.9. Verweerders hebben in paragraaf 11.6. van het reconstructieplan artikel 27 van de Rwc van toepassing verklaard op: - de begrenzing en de werking van de landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden (ofwel: de integrale zonering voor de intensieve veehouderij); - de begrenzing en de werking van de in te richten waterbergingsgebieden; - de begrenzing en de werking van de natte natuurparels en de zones daaromheen. Oordeel van de Afdeling 2.3.10. Zoals hiervoor is overwogen, kan een belanghebbende beroep instellen tegen de vaststelling, wijziging of uitwerking van een reconstructieplan. Gelet op het doel en de strekking van de Rwc betekent dit niet dat beroep openstaat tegen alle onderdelen van het reconstructieplan. De indicatieve, niet bindende elementen van het provinciale beleid voor de uitvoering van de Rwc zijn niet gericht op enig rechtsgevolg. Tegen deze onderdelen van het reconstructieplan kan dan ook geen beroep worden ingesteld. De beroepen voor zover gericht tegen deze onderdelen zijn niet-ontvankelijk. 2.3.11. Uit het vorenstaande vloeit voort dat ten aanzien van een reconstructieplan beroep openstaat tegen de in het reconstructieplan neergelegde zonering intensieve veehouderij, de onderdelen van het plan waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 27 van de Rwc, alsmede de beleidsuitspraken over het grondgebruik binnen de reconstructiezones, voor zover die niet reeds rechtstreeks uit de Rwc volgen en, blijkens de gekozen formulering, als bindend zijn beoogd en van de bestemmingsplanwetgever geen nadere afweging meer vereisen. Voor zover het reconstructieplan begripsomschrijvingen bevat die bepalend zijn voor de reikwijdte van de hiervoor bedoelde bepalingen en die begripsomschrijvingen niet reeds in de Rwc zijn opgenomen, staat hiertegen eveneens beroep open. 2.3.12. Nu in dit reconstructieplan een integrale zonering intensieve veehouderij is opgenomen en bovendien artikel 27 van de Rwc van toepassing is verklaard op die integrale zonering, de in te richten waterbergingsgebieden en de natte natuurparels alsmede op de beleidsuitspraken over het grondgebruik binnen die gebieden, als aangegeven onder 2.3.8., staat tegen die onderdelen beroep open. Daarnaast staat beroep open tegen de definities als vermeld in bijlage 1 van deel A. Voor zover in beroep bevat het reconstructieplan geen op zichzelf staande beleidsuitspraken waaruit een onderdeel van een bestemmingsplan in de zin van artikel 29, derde lid, van de Rwc kan voortvloeien. Beroepen tegen indicatieve, niet-bindende elementen 2.4. [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 24], [appellant sub 31] en de Nederlandse Vakbond Varkenshouders voeren onder meer bezwaren aan met betrekking tot de toereikendheid van het (flankerende) financiële beleid dan wel de financiële uitvoerbaarheid van het plan. 2.4.1. [appellanten sub 5], [appellanten sub 25], [appellant sub 27] en [appellanten sub 32] richten zich in hun beroepen tegen de aanduiding "D" (mogelijk doorgroeigebied voor glastuinbouw) op plankaart 2 betreffende een gebied ten westen van Oirschot. 2.4.2. [appellanten sub 25] richten zich in beroep tegen een aanduiding "beplanting met struweel of bomen" betreffende een perceel aan de Hakkelaren in Oirschot. 2.4.3. [appellant sub 28] stelt in beroep dat de omvang van het bouwblok voor zijn perceel in het reconstructieplan afwijkt van het hem door de gemeente Oirschot toegezegde bouwblok. 2.4.4. De Oisterwijkse Milieuvereniging en anderen en de ZLTO, Afdeling Goirle-Riel richten zich in hun beroepen tegen de aanduidingen "recreatieve poort", "intensief recreatief gebied" en "projectlocatiegebied" op plankaart 1. 2.4.5. De Oisterwijkse Milieuvereniging en anderen stellen in beroep dat de status van aanduidingen op de plankaarten waaraan geen planologische doorwerking is toegekend, onduidelijk is. 2.4.6. [appellant sub 23] richt zich in zijn beroep tegen de aanduiding "Ruimte voor Beek en Kreekherstel" voor zijn perceel alsmede tegen de aanduiding "concreet begrensd beekherstel gebied". 2.4.7. De beroepen van appellanten genoemd onder 2.4. tot en met 2.4.6. zijn geheel of gedeeltelijk gericht tegen indicatieve, niet bindende elementen van het reconstructieplan. 2.4.8. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.3.10, 2.3.11. en 2.3.12. zijn de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 24], [appellant sub 31], de Nederlandse Vakbond Varkenshouders, [appellanten sub 25], [appellant sub 28], de Oisterwijkse Milieuvereniging en anderen, de ZLTO, afdeling Goirle-Riel en [appellant sub 23] in zoverre niet-ontvankelijk en zijn de beroepen van [appellanten sub 5], [appellant sub 27] en [appellanten sub 32] geheel niet-ontvankelijk. Beroepen tegen wijziging streekplan 2.5. [appellanten sub 8], [appellant sub 11], [appellant sub 24], [appellant sub 31] en de Nederlandse Vakbond Varkenshouders voeren in beroep bezwaren aan met betrekking tot de (gevolgen van
- de)begrenzing van de Regionale Natuur- en Landschapseenheden (hierna: RNLE'n). Vaststelling van de feiten 2.5.1. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.5.2. Uit p. 208 van deel B van het reconstructieplan volgt dat dit plan geldt als een herziening van het Steekplan Brabant in Balans voor zover bij de begrenzing van de RLNE'n is afgeweken van de kaders die het Streekplan daarvoor geeft. 2.5.3. De begrenzing van de RNLE'n is in het Streekplan Brabant in Balans niet aangemerkt als concrete beleidsbeslissing. Dit is evenmin het geval in het reconstructieplan. Oordeel van de Afdeling 2.5.4. Wat betreft de onderdelen in het reconstructieplan die als een herziening van een streekplan moeten worden aangemerkt, kan slechts beroep worden ingesteld voor zover deze onderdelen als concrete beleidsbeslissing in de zin van artikel 1 van de WRO zijn aangemerkt, en waartegen derhalve in een procedure omtrent vaststelling of wijziging van een streekplan beroep open staat. Een ander oordeel zou betekenen dat ten aanzien van het streekplanbeleid op grond van de Rwc en de WRO uiteenlopende beroepsmogelijkheden zouden openstaan, hetgeen in strijd met het stelsel van de WRO en met de rechtszekerheid moet worden geoordeeld. 2.5.5. Gezien het voorgaande en nu de begrenzing van de RNLE'n niet is aangemerkt als concrete beleidsbeslissing, zijn de beroepen van [appellanten sub 8], [appellant sub 11], [appellant sub 24], [appellant sub 31] en de Nederlandse Vakbond Varkenshouders in zoverre niet-ontvankelijk. HET BESLUIT VAN 5 JULI 2005 2.6. Ingevolge artikel 17, derde lid, van de Rwc wordt het besluit tot goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, geacht te zijn genomen indien binnen vier weken na de verzending ter goedkeuring geen besluit omtrent goedkeuring of besluit tot verdaging als bedoeld in artikel 10:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dan wel binnen de termijn waarvoor het besluit is verdaagd, geen besluit omtrent goedkeuring is bekendgemaakt aan provinciale staten. 2.6.1. Het plan is op 10 mei 2005 ter goedkeuring verzonden. Op 16 juni 2005 hebben de Minister en de Staatssecretaris een besluit tot verdaging van hun beslissing genomen. Nu dat verdagingsbesluit na de termijn - die op 7 juni 2005 eindigde - is genomen, is het plan ingevolge artikel 17, derde lid, van de Rwc van rechtswege goedgekeurd. Door dit goedkeuringsbesluit bij hun besluit van 5 juli 2005 te vervangen, hetgeen de intrekking van de goedkeuring van rechtswege inhoudt, hebben de Minister en de Staatssecretaris gehandeld in strijd met artikel 10:29, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht dat verbiedt dat een verleende goedkeuring wordt ingetrokken. 2.6.2. De beroepen zijn - voor zover ontvankelijk - op dit punt gegrond, zodat het besluit van 5 juli 2005 dient te worden vernietigd. ALGEMENE BEZWAREN I Totstandkoming en opzet van het reconstructieplan Milieueffectrapport 2.7. [appellant sub 1] en [appellant sub 35] hebben in beroep bezwaren aangevoerd met betrekking tot de milieueffectrapportage. [appellant sub 1] stelt dat het voorkeursalternatief in die rapportage verkeerd tot stand is gekomen althans verkeerd is geïnterpreteerd. [appellant sub 35] stelt dat die rapportage ten onrechte door het college van gedeputeerde staten in plaats van verweerders is vastgesteld. Oordeel van de Afdeling 2.7.1. [appellant sub 1] heeft zich wat deze beroepsgrond betreft beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de bedenking tegen het ontwerpplan. In de bedenkingennota die ten grondslag ligt aan het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan, is ingegaan op deze bedenking. Appellant heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van deze bedenking door verweerder onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenking onjuist zou zijn. Het betoog van [appellant sub 35] mist feitelijk grondslag. In hun besluit tot vaststelling van het reconstructieplan hebben verweerders onder 2. uitdrukkelijk ook de milieueffectrapportage, die deel uitmaakt van het reconstructieplan, vastgesteld. 2.7.2. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 35] zijn in zoverre ongegrond. Vertegenwoordiging landbouwsector 2.8. De Nederlandse Vakbond Varkenshouders, [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellante sub 18], [appellante sub 19] en [appellant sub 20] stellen dat ten onrechte alleen de Zuidelijke Land en Tuinbouw Organisatie (hierna: de ZLTO) als belangenorganisatie van agrariërs bij de voorbereiding van het reconstructieplan is betrokken. Zij betwijfelen of de ZLTO het belang van de totale agrarische sector voldoende heeft verdedigd en niet meer belang heeft toegekend aan het belang van haar leden. De belangenorganisatie van varkenshouders had naar de stelling van appellanten, gelet op de grote belangen voor met name de varkenshouderijen, niet mogen ontbreken bij de voorbereiding. Oordeel van de Afdeling 2.8.1. Artikel 7, eerste lid, van de Rwc houdt in dat ten minste een vertegenwoordiger van een belangenorganisatie van de landbouw in de reconstructiecommissie zitting heeft. Het is hierbij aan verweerders overgelaten de samenstelling van de reconstructiecommissie te regelen. Nu de ZLTO, gelet op haar werkzaamheden, kan worden beschouwd als vertegenwoordiger van de gehele landbouwsector, hebben verweerders in redelijkheid uitsluitend deze belangenorganisatie van de landbouw bij de voorbereiding van het reconstructieplan kunnen betrekken. Behandeling bedenkingen 2.9. [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellanten sub 8], [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellanten sub 25], [appellant sub 26], [appellant sub 28] en [appellant sub 29] stellen in beroep dat de bedenkingen tegen het ontwerp-plan onzorgvuldig zijn behandeld, nu de bezwaren groepsgewijs met een standaardantwoord zijn afgedaan zonder dat op de individuele belangen en op de specifieke omstandigheden van hun bedrijven acht is geslagen. Oordeel van de Afdeling 2.9.1. Bij de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van reconstructieplan hebben verweerders hun overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen vermeld in de bij dit besluit gevoegde bedenkingennota. In deze nota zijn de gelijksoortige bedenkingen gezamenlijk behandeld. De andere bedenkingen zijn afzonderlijk behandeld waarbij in voorkomend geval onder een specifiek nummer is ingegaan op de individuele situatie. Deze wijze van behandeling van de bedenkingen kan, mede gelet op het grote aantal - vaak overeenstemmende - bedenkingen dat is ingediend, niet als onzorgvuldig worden aangemerkt. Nut en noodzaak reconstructie 2.10. [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellanten sub 25], [appellant sub 26], [appellant sub 28] en [appellant sub 29] stellen in beroep dat het nut en de noodzaak van het reconstructieplan zijn achterhaald, omdat het aantal intensieve veehouderij bedrijven de laatste jaren drastisch is gedaald en omdat varkensvrije zones niet meer nodig zijn. Het plan stelt naar hun mening dan ook ten onrechte beperkingen aan de ontwikkeling van intensieve veehouderijen. [appellant sub 24], [appellant sub 31] en de Nederlandse Vakbond Varkenshouders betwijfelen het nut van het plan, omdat de afname van de ammoniakemissie naar hun stelling minimaal zal zijn. Het voordeel van verplaatsing van intensieve veehouderijen uit extensiveringsgebieden wordt, volgens hen, teniet gedaan door de uitbreiding van rundvee- en biologische bedrijven in die gebieden en door de extra groeimogelijkheden in andere gebieden. Oordeel van de Afdeling 2.10.1. De verplichting tot het vaststellen van het reconstructieplan vloeit uit de Rwc voort. Noch de door appellanten genoemde ontwikkelingen in de landbouw noch hun stelling dat de afname van de ammoniakemissie minimaal zal zijn, kunnen afdoen aan deze verplichting. Toegankelijkheid en duidelijkheid plan 2.11. [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellanten sub 25], [appellant sub 26], [appellant sub 28] en [appellant sub 29] stellen in beroep dat het plan ontoegankelijk en onduidelijk is, mede doordat het een deel A en een deel B met dezelfde onderwerpen bevat. Zij achten het plan in zoverre onzorgvuldig en in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Oordeel van de Afdeling 2.11.1. In de leeswijzers van deel A en deel B van het plan is aangegeven dat deel A de informatie op hoofdlijnen bevat en dat in deel B dezelfde onderwerpen aan de orde komen, maar dan uitgebreider. De juridisch bindende onderdelen van het plan, die thans in beroep ter beoordeling staan, zijn - met uitzondering van een aantal definities - vermeld in deel B. De Afdeling acht het plan in zoverre, gelet op de omvang ervan, niet ontoegankelijk of onduidelijk. Van een vaststelling in strijd met de rechtszekerheid of de zorgvuldigheid is geen sprake. Definities 2.12. [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellanten sub 25], [appellant sub 26], [appellant sub 28] en [appellant sub 29] stellen in beroep dat het plan ten onrechte geen eenduidige en niet voor discussie vatbare definitie bevat wat het plan onder 'intensieve veehouderij' en 'niet-grondgebonden agrarisch bedrijf' verstaat. Zij achten dit in strijd met de rechtszekerheid, nu het plan met name voor bedrijven die als intensieve veehouderij moeten worden aangemerkt beperkingen en maatregelen bevat. [appellant sub 24] stelt dat een definitie van het begrip "intensieve veehouderij met toekomstperspectief" in het reconstructieplan niet had mogen ontbreken. Verder stellen zij dat de begrippen "uitbreiding" en "intensieve veehouderij" onduidelijk zijn. [appellant sub 24], [appellant sub 31] en de Nederlandse Vakbond Varkenshouders stellen zich op het standpunt dat, nu de Rwc geen heldere definities bevat van daarin voorkomende begrippen, de wettelijke bevoegdheid voor het vaststellen van een zonering in een reconstructieplan ontbreekt. Vaststelling van de feiten 2.12.1. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.12.1.1. In bijlage 1 van deel A van het reconstructieplan zijn onder meer de volgende definities opgenomen: "Intensieve veehouderij": Een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarin het houden van vee of pluimvee de hoofdzaak is. Onder intensieve veehouderijen worden tevens nertsenhouderijen verstaan. "Niet-grondgebonden agrarisch bedrijf": Een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Niet-grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: intensieve veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en gebouwgebonden teeltbedrijven en kwekerijen, zoals champignonteeltbedrijven, witlofkwekerijen, sommige viskwekerijen en sommige wormenkwekerijen. "Uitbreiding": Onder uitbreiding van een agrarisch bedrijf wordt verstaan een vergroting van het bestaande bouwblok. Eerdergenoemde bijlage bevat geen definitie van het begrip "intensieve veehouderij met toekomst perspectief". Oordeel van de Afdeling 2.12.2. De Afdeling stelt voorop dat, gezien het bepaalde in artikel 8:2, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, geen beroep open staat tegen de Rwc als zodanig. De beweerdelijke rechtsonzekerheid als gevolg van het gestelde gebrek aan definities in de Rwc kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen. 2.12.2.1. Op verweerders rustte ingevolge artikel 14 van de Rwc de verplichting een of meer reconstructieplannen vast te stellen. 2.12.2.2. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de in reconstructieplan opgenomen definities van de begrippen "intensieve veehouderij", "niet-grondgebonden bedrijf" en "uitbreiding" in strijd zijn met de rechtszekerheid. 2.12.2.3. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat in het reconstructieplan geen definitie van het begrip "intensieve veehouderij met toekomstperspectief" had mogen ontbreken, reeds omdat dit begrip in het reconstructieplan niet voorkomt. Waarborgen WRO 2.13. [appellant sub 24], [appellant sub 31] en de Nederlandse Vakbond Varkenshouders stellen in beroep dat met de vaststelling van dit plan de minimale waarborgen die voortvloeien uit de WRO - waaronder de mogelijkheid van inspraak - zijn geschonden. De Rwc voldoet naar hun stelling in zoverre niet aan de eisen waaraan een wet in formele zin dient te voldoen. Oordeel van de Afdeling 2.13.1. De Rwc wijkt op het punt van inspraak voorafgaande aan een ontwerpplan af van de WRO. Dat is een keuze van de wetgever. Die keuze staat, gezien het bepaalde in artikel 8:2, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, in deze procedure niet ter beoordeling. Verwevingsgebied 2.14. [appellant sub 24], [appellant sub 31] en de Nederlandse Vakbond Varkenshouders stellen in beroep dat het ontbreken van een keuze voor landbouw, wonen of recreatie in verwevingsgebieden rechtsonzekerheid schept. Oordeel van de Afdeling 2.14.1. Het onderhavige reconstructieplan voorziet wat betreft verwevingsgebieden niet in een indeling van ruimte voor landbouw, wonen en recreatie. Dit is in overeenstemming met artikel 1 van de Rwc waarin is bepaald dat onder verwevingsgebied wordt verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is mitsdien geen sprake. II Planologische doorwerking van de beleidsuitspraken over het grondgebruik binnen de zonering intensieve veehouderij 2.15. De Oisterwijkse Milieuvereniging en anderen, de Nederlandse Vakbond Varkenshouders, de ZLTO, Afdeling Goirle-Riel, het college van burgemeester en wethouders van Eersel, [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellanten sub 25], [appellant sub 26], [appellant sub 28], [appellant sub 29], [appellant sub 24], [appellant sub 31], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellante sub 18], [appellante sub 19] en [appellant sub 20] hebben bezwaren aangevoerd tegen de doorwerking van de beleidsuitpraken over het grondgebruik binnen de integrale zonering naar het bestemmingsplan. Zij stellen dat onvoldoende onderzoek tot op perceelsniveau is gedaan naar gebiedswaarden, ten onrechte is uitgegaan van aanduidingen in het streekplan, de zogenaamde "duurzame locaties" niet zijn aangewezen in het plan, de status van de Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties onduidelijk is, de doorwerking rechtsonzeker is, de toegestane maximale omvang van de bouwblokken arbitrair is en niet onderbouwd, bouwrechten van vóór 1992 in strijd met de rechtszekerheid kunnen vervallen, het gemaakte onderscheid tussen primaire en secundaire landbouwontwikkelingsgebieden in strijd is met de Rwc en het beleid omtrent doorsneden bouwkavels ten onrechte een keuzemogelijkheid laat. Vaststelling van de feiten 2.15.1. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.15.1.1. Paragraaf 11.6.1 van deel B van het reconstructieplan beschrijft het beleid voor de ontwikkelingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen binnen de extensiverings-, verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden. Aangegeven is dat dit beleid doorwerkt voor de zoneringsgebieden, behoudens voor zover expliciet is aangegeven dat een onderdeel van rechtstreekse werking is uitgesloten. Verder is vermeld dat dit beleid geldt, behoudens voor zover er overwegende bezwaren bestaan vanuit ruimtelijke-, landschappelijke-, maatschappelijke- en/of milieuhygiënische optiek. Dit beleid omvat buiten de reeds in artikel 1 van de Rwc opgenomen elementen in de omschrijving van de onderscheiden gebieden, de volgende elementen. a. In verwevingsgebieden zijn nieuwe bouwblokken niet toegestaan. b. Hervestiging en omschakeling naar een intensieve veehouderij binnen een bestaand bouwblok is in verwevingsgebieden mogelijk mits de locatie kan worden aangemerkt als duurzaam. c. Een locatie voor een intensieve veehouderij is duurzaam, tenzij de omgevingskwaliteiten anders uitwijzen. De handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij (zoals opgenomen in bijlage 5.1 bij het plan) dient hierbij als toetsingskader. d. Op duurzame locaties zijn bouwblokken tot 1,5 hectare mogelijk, met inachtneming van voorwaarden zoals geformuleerd onder toekenning/uitbreiding van bouwblokken. e. De toekenning of uitbreiding van bouwblokken boven de 1,5 hectare tot het maximum van 2,5 hectare is - op grond van dit reconstructieplan - niet rechtstreeks mogelijk. f. Bouwrechten - binnen extensiverings- en verwevingsgebieden - in bestemmingsplannen die gebaseerd zijn op het Streekplan van 1992 of 2002 worden gerespecteerd en zijn vervat in een daarop gebaseerd bouwblok. Bouwblokken in bestemmingsplannen die gebaseerd zijn op het Streekplan van 1992 of 2002, maar waarvoor goedkeuring is onthouden aan de bouwrechten, dan wel waarin geen directe bouwrechten zijn vastgelegd, worden vervat in een 'bouwblok op maat', conform bijlage 5.2. bij het plan. Indien er - binnen verwevingsgebied - sprake is van een zogenoemde duurzame locatie kan er met toepassing van de handleiding een bouwblok van maximaal 2,5 hectare worden toegekend. Indien er al sprake is van een groter bouwblok dan 2,5 hectare zal maatwerk worden geleverd waarbij zuinig ruimtegebruik uitgangspunt is. g. Bestaande intensieve veehouderijbedrijven, waarvan de bouwrechten zijn vastgelegd in een bestemmingsplan dat niet is gebaseerd op het Streekplan van 1992 of 2002 maar die een aantoonbaar concreet initiatief hebben, dat in extensiveringsgebied past binnen de vigerende bestemmingsplanregeling, krijgen een beoordeling volgens bijlage 5.2 bij het plan. Indien er - binnen verwevingsgebied - sprake is van een duurzame locatie kan er met toepassing van de handleiding een bouwblok van maximaal 2,5 hectare worden toegekend. h. Bouwrechten die zijn vastgelegd in bestemmingsplannen die niet zijn gebaseerd op het Streekplan van 1992 of 2002 en waarbij geen sprake is van aantoonbaar concrete initiatieven, komen te vervallen. In dat geval wordt ter bepaling van de bouwrechten een strakke lijn om de bestaande bebouwing van de intensieve veehouderij getrokken, tenzij - in verwevingsgebieden - sprake is van een duurzame locatie in welk geval er met toepassing van de handleiding een bouwblok van maximaal 2,5 hectare kan worden toegekend. De niet-duurzame locaties worden wat betreft het in te zetten flankerend beleid gelijkgesteld aan locaties in extensiveringsgebieden, mits sprake is van een volwaardig bedrijf én het bedrijf op het moment van vaststellen van dit plan nog ontwikkelingsmogelijkheden heeft. i. In landbouwontwikkelingsgebieden zijn nieuwe bouwblokken mogelijk op basis van de hieronder beschreven voorwaarden en alleen voorzover dit gepaard gaat met het planologisch, juridisch en feitelijk opheffen van een of meer bouwblokken bestemd voor de intensieve veehouderij buiten een verwevings- of landbouwontwikkelingsgebied (behoudens indien het een niet duurzame locatie betreft). j. De (gezamenlijke) omvang van de op te heffen locatie(
- s)zoals bedoeld onder i. bedraagt ten minste de omvang van één volwaardig bedrijf per nieuw bouwblok. k. Een nieuw bouwblok is enkel mogelijk voor de vestiging van een volwaardig bedrijf. l. In de op plankaart 2 als zodanig aangegeven secundaire landbouwontwikkelingsgebieden zijn nieuwe bouwblokken niet mogelijk. m. Het verbod op nieuwvestiging in een secundair landbouwontwikkelingsgebied vervalt indien: - GS hebben besloten dat de brabantbrede balans van in- en uitplaatsing zulks vereist; - uit recent onderzoek is gebleken dat het betreffende gebied niet als GHS en/of AHS landschap (leefgebied dassen en waterpotentiegebied) is aangewezen; - de Nederlandse wetgeving, waarin de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn vertaald, nieuwvestiging binnen de zone van 1000-1500 meter rondom Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en Natuurbeschermingswetgebieden, mogelijk maakt; Een en ander onder de voorwaarde dat er geen overige redenen aanwezig zijn tot handhaving van het verbod tot nieuwvestiging én mits wordt voldaan aan de in het reconstructieplan opgenomen voorwaarden voor nieuwvestiging; n. Binnen de primaire landbouwontwikkelingsgebieden aandachtsgebieden struweelvogels/dassen is nieuwvestiging alleen mogelijk op basis van een door de regionale reconstructiecommissie aan Gedeputeerde Staten aangeboden en door hen geaccordeerd plan van aanpak, waarin de invulling van de in § 6.9.4 genoemde randvoorwaarden in ieder geval zijn opgenomen. Een en ander onder de in het reconstructieplan opgenomen voorwaarden voor het toekennen van bouwblokken in landbouwontwikkelingsgebieden. o. Hervestiging op en omschakeling binnen een bouwblok is mogelijk. p. Omschakeling van een agrarisch bouwblok naar een bouwblok voor niet-agrarische bedrijvigheid of burgerbewoning is niet toegestaan. q. In een landbouwontwikkelingsgebied is ruimte voor mestverwerkingsinstallaties onder de voorwaarden als bepaald in het streekplan Noord-Brabant 2002 (blz. 127). r. Bouwblokken tot 2,5 hectare zijn, met inachtneming van de voorwaarden zoals geformuleerd onder toekenning/uitbreiding van bouwblokken, mogelijk. s. De toekenning/uitbreiding van bouwblokken boven de 2,5 hectare is - op grond van dit reconstructieplan - niet rechtstreeks mogelijk. t. Bestaande bedrijven krijgen een beoordeling volgens het "bouwblok op maat" principe (bijlage 5 bij het plan), waarbij de maximale bouwblokomvang 3 hectare bedraagt. Indien er reeds sprake is van een groter bouwblok dan 3 hectare zal maatwerk worden geleverd waarbij zuinig ruimtegebruik uitgangspunt is. u. Toekenning van een nieuw bouwblok geschiedt onder de voorwaarde dat door middel van onderzoek is aangetoond dat binnen een straal van 10 kilometer van de beoogde nieuwvestigingslocatie geen reële mogelijkheid bestaat om het bedrijf te (her)vestigen op een bestaande of voormalige agrarische bedrijfslocatie, of op een niet-agrarische locatie. v. Uitbreiding van bouwblokken is met inachtneming van relevante wet- en regelgeving mogelijk tot een maximum van 3 hectare. Dit voor zover nodig, gezien de beoogde bedrijfsomvang en -opzet (bouwblok op maat). Oordeel van de Afdeling 2.15.2. Ten aanzien van de planologische doorwerking van het reconstructieplan is onder meer het volgende opgenomen in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel inzake de Rwc (TK 1998-1999, 26 356, nr. 3, p. 34) : "In het licht van het bovenstaande stellen wij voor een meer rechtstreekse vorm van planologische doorwerking in het wetsvoorstel op te nemen. Artikel 27, eerste en derde lid, bepaalt daartoe dat voorzover er strijd bestaat tussen het vigerende bestemmingsplan en het reconstructieplan, het reconstructieplan van rechtswege geldt als een vrijstelling onderscheidenlijk als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in de artikel 19 onderscheidenlijk 21 van de WRO. Niet het gehele reconstructieplan leent zich voor planologische doorwerking; het plan kan immers mede maatregelen en voorzieningen betreffen die niet van ruimtelijke aard zijn, alsmede maatregelen die in beginsel wel een ruimtelijk karakter hebben, maar die nog zodanig globaal zijn dat zij niet dan na uitwerking geschikt zijn om planologisch door te werken. Artikel 11, zesde lid, van het onderhavige wetsvoorstel bepaalt daarom dat in het reconstructieplan wordt aangegeven in hoeverre het reconstructieplan door zal werken. Het betreft dan die delen die reeds volledig planologisch zijn afgewogen." 2.15.2.1. De Afdeling overweegt dat met het oog op de rechtsbescherming van belanghebbenden - en mede gelet op deze wetsgeschiedenis - alleen die onderdelen van het reconstructieplan kunnen worden aangewezen om door te werken, die reeds volledig planologisch zijn afgewogen. In dat geval is het gerechtvaardigd af te wijken van het uitgangspunt dat met betrekking tot de ruimtelijke ordening het gemeentelijke bestemmingsplan geldt als het enige, de burgers rechtstreeks bindende plan. Volledige planologische afweging houdt in dat de aangewezen elementen met eenzelfde mate van detaillering en afweging van belangen moeten zijn vastgesteld als de overeenkomstige elementen in een bestemmingsplan. In zoverre zijn deze elementen te karakteriseren als bestemmingsplan vervangend. 2.15.2.2. De in paragraaf 11.6.1. van deel B van het reconstructieplan opgenomen beleidsuitspraken zijn weliswaar als bindend beoogd, maar vergen van de bestemmingsplanwetgever nog nader onderzoek, vaststelling van de feiten, beoordeling en (belangen)afweging. In zoverre is geen sprake van een volledige planologische afweging. De Afdeling wijst er in dit kader op dat in paragraaf 11.6.1. van deel B van het reconstructieplan onder meer het algemene voorbehoud wordt gemaakt dat dit beleid geldt, behoudens voor zover er overwegende bezwaren bestaan vanuit ruimtelijke, landschappelijke, maatschappelijke en/of milieuhygiënische optiek. Dit voorbehoud maakt het mogelijk dat in het bestemmingsplan niet onverkort toepassing wordt gegeven aan die beleidsuitspraken, maar dat op grond van ruimtelijke, landschappelijke, maatschappelijke en/of milieuhygiënische bezwaren voor het concrete geval tot een nadere invulling van die beleidsuitspraken wordt gekomen. Reeds op grond van dit voorbehoud komt de Afdeling tot de conclusie dat de beleidsuitspraken die zijn opgenomen in paragraaf 11.6.1. niet rechtstreeks kunnen doorwerken naar bestemmingsplannen. Ook overigens zijn de beperkingen en de ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen - behoudens voor zover die mogelijkheden rechtstreeks voortvloeien uit de aanduiding van de in artikel 1 van de Rwc onderscheiden gebieden - nog onvoldoende concreet onderzocht en afgewogen tot op perceelsniveau. Die beleidsuitspraken zijn dan ook te weinig concreet om als grondslag te dienen voor het aanmerken van (delen van) het reconstructieplan als vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO. Verweerders hebben door op deze beleidsuitspraken artikel 27 van de Rwc van toepassing te verklaren de voorwaarden voor toepassing van de in dat artikel vervatte doorwerkingsregeling miskend. 2.15.2.3. Met het oog op mogelijke rechtsbeschermingsprocedures inzake bestemmingsplannen die (mede) ter uitvoering van het provinciale beleid inzake de reconstructie dienen, overweegt de Afdeling dat uit de beleidsuitspraken over het grondgebruik binnen de zonering intensieve veehouderij, nu de in artikel 27 van de Rwc vervatte doorwerkingsregeling daarop niet van toepassing kan zijn, geen onderdeel kan voortvloeien dat onder de werking van artikel 29, derde lid, van de Rwc valt. 2.15.2.4. Dit laat onverlet dat deze beleidsuitspraken bij de vaststelling en toetsing van deze bestemmingsplannen worden betrokken. Hierbij merkt de Afdeling reeds op dat de beleidsuitspraak dat bestaande bouwrechten dienen te vervallen indien het bestemmingsplan waarin die rechten zijn vastgelegd, niet is getoetst aan het streekplan 1992 of 2002 en geen sprake is van een aantoonbaar initiatief, niet zonder meer redelijk is, maar dat maatgevend dient te zijn of de toegekende bouwrechten wat omvang betreft in overeenstemming zijn met hetgeen het streekplan 1992 dan wel 2002 toestaat. 2.15.3. De beroepen van de Oisterwijkse Milieuvereniging en anderen, de Nederlandse Vakbond Varkenshouders, de ZLTO, Afdeling Goirle-Riel, het college van burgemeester en wethouders van Eersel, [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellanten sub 25], [appellant sub 26], [appellant sub 28], [appellant sub 29], [appellant sub 24], [appellant sub 31], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellante sub 18], [appellante sub 19] en [appellant sub 20] zijn, voor zover ontvankelijk, in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd, voor zover artikel 27 van de Rwc van toepassing is verklaard op de werking van de integrale zonering intensieve veehouderij. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het van rechtswege aanwezige goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op dit onderdeel van het reconstructieplan. 2.15.3.1. Gelet hierop behoeven de bezwaren die betrekking hebben op dit onderdeel van het reconstructieplan geen verdere bespreking meer. III De zonering intensieve veehouderij (indeling van de gebieden) Uitgangspunten 2.16. De Oisterwijkse Milieuvereniging en anderen, de Nederlandse Vakbond Varkenshouders en [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellanten sub 25], [appellant sub 26], [appellant sub 28], [appellant sub 29], [appellant sub 24], [appellant sub 31], [appellant sub 35], [appellante sub 3]., [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellante sub 18], [appellante sub 19] en [appellant sub 20] hebben bezwaren aangevoerd tegen de zonering intensieve veehouderij als weergegeven op kaart 2 bij het reconstructieplan. Standpunt verweerders 2.16.1. Verweerders wijzen er op dat de zonering intensieve veehouderij is voorbereid door de reconstructiecommissie. Het advies van deze commissie is volgens verweerders tot stand gekomen na zorgvuldige afweging van alle in geding zijnde belangen en gebaseerd op diverse kwaliteiten die in de gebieden aanwezig zijn. De EHS is volgens verweerders overgenomen uit het streekplan en weergegeven op kaart 15a van het reconstructieplan. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de rijksuitgangspunten er niet toe nopen dat voor verzuring gevoelige gebieden concreet worden begrensd. Er behoeft volgens verweerders alleen te worden aangegeven welke gebieden voor verzuring gevoelig zijn, hetgeen is gebeurd op kaart 7 van het reconstructieplan. Ten aanzien van de voor de zonering intensieve veehouderij gehanteerde uitgangspunten wijzen verweerders onder meer op hoofdstuk 6 van deel B van het reconstructieplan. Vaststelling van de feiten 2.16.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.16.2.1. De zonering intensieve veehouderij is weergegeven op plankaart 2. Op de pagina's 131 tot en met 138 van deel B van het reconstructieplan staat beschreven hoe deze tot stand is gekomen. 2.16.2.2. Bij het bepalen van de grenzen van extensiverings-, verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden hebben verweerders de aan het streekplan 2002 ten grondslag liggende zogenoemde (drie) lagenbenadering gevolgd. De onderste laag wordt daarbij gevormd door de geomorfologie, het bodem- en watersysteem en de daarmee samenhangende natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. De middelste laag wordt gevormd door de infrastructuur en de bovenste laag door het ruimtegebruik ten behoeve van onder meer de landbouw. De ligging van (nieuwe) intensieve veehouderijen is integraal afgewogen tegen de belangen die zijn gemoeid met de bescherming van de waarden en functies uit de onderste lagen. 2.16.2.3. Bij die integrale afweging is gebruik gemaakt van feitelijke gegevens die voor de opstelling van het Streekplan zijn benut. Deze gegevens zijn verwerkt op bij het reconstructieplan gevoegde kaarten. Op de kaarten 7 en 15a van het reconstructieplan bijvoorbeeld zijn de kwetsbare A- en B-gebieden respectievelijk de EHS weergegeven. Eerdergenoemde feitelijke gegevens zijn eveneens verwerkt op een werkkaart met een schaal van 1:25.000. 2.16.2.4. Daarnaast hebben verweerders bij de integrale afweging de hierna vermelde uitgangspunten gehanteerd. 2.16.2.5. Bij de gebiedsindeling geldt als uitgangspunt dat zoveel mogelijk logische, bestaande grenzen worden gevolgd. Daarbij is er naar gestreefd om kleine snippers te vermijden. 2.16.2.6. Alle bestaande en nieuwe natuur van de reeds begrensde EHS, waterwingebieden, kernrandgebieden en zones van 250 meter - in voorkomend geval teruggebracht tot 220 meter - rondom zeer kwetsbare natuurgebieden (A-gebieden) dienen te worden begrensd als extensiveringsgebied. Verder worden gebieden behorend tot de groene hoofdstructuur (hierna GHS), zone landbouw subzone leefgebied kwetsbare soorten begrensd als extensiveringsgebied, behalve voor zover het gaat om weidevogelgebieden. Daarnaast hanteren verweerders als uitgangspunt dat rondom steden en dorpen, niet-agrarische lintbebouwing, bebouwingsclusters, en andere grote stankgevoelige objecten, (stank)zones worden begrensd als extensiveringsgebied. Daarbij wordt maatwerk verricht en dient met het oog op de toepasselijkheid van de Wet stankemissie veehouderijen onderscheid te worden gemaakt tussen extensiveringsgebieden met het primaat natuur en de overige extensiveringsgebieden. 2.16.2.7. Voor zover de gebieden niet zijn begrensd als extensiveringsgebied, hanteren verweerders als uitgangspunt dat gebieden behorend tot de agrarische hoofdstructuur (hierna: AHS), zone landschap, subzone leefgebieden dassen, dan wel subzone waterpotentiegebied en weidevogelgebied, worden begrensd als verwevingsgebied. Verder worden als verwevingsgebied begrensd zoekgebieden waterberging, reserveringsgebieden rivier, gebieden met waardevolle openheid, cultuurhistorisch waardevolle gebieden, gebieden behorend tot de GHS, zone landbouw subzone natuurontwikkelingsgebieden, gebieden behorend tot de GHS, zone landbouw subzone struweelvogelgebieden, aardkundig waardevolle gebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en regionale natuur- en landschapseenheden (RNLE’n). 2.16.2.8. Bij gedeelten van kernen en bij een aantal bebouwingsconcentraties en -linten hebben verweerders eveneens als uitgangspunt gekozen voor een zonering als verwevingsgebied. Het betreft gebieden waar verhoudingsgewijs nog zoveel agrarische bedrijven ten opzichte van burgerwoningen aanwezig zijn dat voorrang is gegeven aan de intensieve veehouderij, dan wel gebieden die grenzen aan een bedrijventerrein. 2.16.2.9. De overige gebieden hebben verweerders nader beschouwd. Zij hebben afgewogen welke van deze (resterende) gebieden geschikt zijn om te begrenzen als landbouwontwikkelingsgebied. Verweerders hebben daarbij hun visie voor Beerze Reusel en het streekplan in ogenschouw genomen. Daarnaast hebben zij gekeken naar de aanwezige intensieve veehouderijen in de gebieden, de afwezigheid van stankgevoelige objecten, de afstand ten opzichte van natuur en kernen, de Natuurbeschermingswetgebieden (natuurmonumenten) en de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Omdat een landbouwontwikkelingsgebied daadwerkelijk mogelijkheden moet bieden voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij, hebben verweerders voor de begrenzing van die gebieden als uitgangspunt gehanteerd dat de grens ligt • op minimaal 500 meter van de grens van een - wat betreft verzuring gevoeligheid - zeer kwetsbaar gebied (A-gebied); • op minimaal 250 meter van de grens van een - wat betreft verzuring gevoeligheid - kwetsbaar gebied (B-gebied); • op minimaal 1.000 meter van een Vogel- en Habitatrichtlijn of Natuurbeschermingswetgebied; • of op 500 meter van categorie 1 en 2 stankgevoelige objecten. De landbouwontwikkelingsgebieden zijn nader ingedeeld in primaire en secundaire gebieden. Binnen de primaire gebieden dient in eerste instantie de ontwikkeling van nieuwe intensieve veehouderijen plaats te vinden. Landbouwontwikkelingsgebieden zijn aangeduid als secundair landbouwontwikkelingsgebied als er sprake is van een overlap met de volgende functies: - 1000-1500 meter rondom Vogel- en Habitatrichtlijn gebieden of Natuurbeschermingswetgebieden, - zoekgebied rivierverruiming, - leefgebied weidevogels en waterpotentiegebieden. Binnen de secundaire landbouwontwikkelingsgebieden gebieden geldt vooralsnog een verbod op nieuwvestiging. Oordeel van de Afdeling 2.16.3. De Afdeling stelt voorop dat uit de parlementaire geschiedenis is af te leiden dat de reconstructiecommissies bij de zonering intensieve veehouderij, die leidt tot een gebiedsdekkende driedeling van zones, flexibel en op basis van een scala aan afwegingen ruimtelijke begrenzingen moeten aanbrengen om maatwerk te leveren voor de oplossing van regionale problematiek. Gelet hierop is het niet onredelijk dat verweerders bij de zonering intensieve veehouderij zijn uitgegaan van de gebiedswaarderingen die in het streekplan zijn toegekend aan de onderscheiden gebieden, aangevuld met de waardering en bescherming van bepaalde gebieden zoals die voortvloeien uit de milieu- en natuurbeschermingswetgeving alsmede uit de provinciale natuurgebiedsplannen. In de natuurgebiedsplannen, die onder meer natuurstreefbeelden bevatten voor alle bestaande natuurgebieden, is de EHS - die in het streekplan is vertaald als GHS - verbijzonderd. Ook hebben verweerders de gegevens die zijn gebruikt voor de opstelling van het streekplan en van de natuurgebiedsplannen kunnen benutten voor het formuleren van de uitgangspunten voor de zonering intensieve veehouderij en voor de ligging van de in dat verband relevante gebieden die voor verzuring gevoelig zijn. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat voldoende vaststaat dat aan die gegevens feitelijk onderzoek ten grondslag ligt. Niet aannemelijk is geworden dat die onderzoeken op voorhand als ondeugdelijk moeten worden aangemerkt of dat daarbij een aantal thema's niet zijn betrokken dan wel onvoldoende zijn uitgewerkt. 2.16.3.1. Wat betreft het aanduiden van de kwetsbare gebieden hebben verweerders kunnen volstaan met een vermelding van de ligging daarvan op kaart 7 van het plan. De vermelding van de kwetsbare gebieden betreft geen verbijzondering of actualisering van de gebiedsaanwijzing zoals die heeft plaatsgehad op basis van de Interimwet ammoniak en veehouderij (IAV), maar een feitelijke inventarisatie van gebieden die vanuit hun gebruiksfunctie of kritische depositiewaarde verzuringsgevoelig geacht moeten worden. Voor de vermelding van die gebieden behoefden verweerders, anders dan vele appellanten stellen, geen nader onderzoek ter plaatse te verrichten, maar konden zij uitgaan van de kaarten bij die natuurgebiedsplannen, waaraan - zoals onder 2.16.3. overwogen - feitelijk onderzoek ten grondslag ligt. Anders dan appellanten stellen heeft de Afdeling het besluit van 2 juli 2002 tot vaststelling van die natuurgebiedsplannen bij haar uitspraak van 21 december 2004 inzake nos. 200402014/2 en verder, niet vernietigd. De Afdeling heeft zich in die uitspraak onbevoegd verklaard kennis te nemen van de ingediende beroepen, omdat het besluit tot vaststelling van die natuurgebiedsplannen geen voor beroep vatbaar besluit bevatte als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (tot vaststelling welke gebieden in de provincie deel uitmaken van de EHS voor zover dat noodzakelijk is om te kunnen vaststellen welke gebieden als kwetsbaar in de zin van de Wav moeten worden aangemerkt). De beroepen tegen het nadien genomen besluit heeft de Afdeling bij haar uitspraak van 13 december 2006 inzake no. 200602243/1, ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat het college van gedeputeerde staten zich voor de vaststelling van dat besluit kon baseren op de - op dat moment reeds onherroepelijk geworden - natuurgebiedsplannen. 2.16.3.2. Anders dan appellanten aanvoeren, stellen noch de Rwc noch de (in de bijlage bij de Rwc vermelde) rijksuitgangspunten de eis dat stank- en ammoniakzones, de EHS en/of zones rondom Vogel- en Habitat richtlijn gebieden worden vermeld. Het niet vermelden van dergelijke zones of niet begrenzen van die gebieden in het reconstructieplan is dan ook niet onjuist. De rijksuitgangspunten verplichten er evenmin toe dat - overigens in dit plangebied nog niet bestaande - plannen en/of projecten worden vermeld. 2.16.3.3. Het standpunt van sommige appellanten dat het opnemen van landbouwontwikkelingsgebieden niet nodig is, omdat binnen verwevingsgebieden voldoende uitbreidingsmogelijkheden aanwezig zouden zijn voor de intensieve veehouderijen, miskent dat de Rwc uitgaat van het opnemen in het plan van een landbouwontwikkelingsgebied. Verweerders hebben door het aanwijzen van gebieden met het primaat landbouw dat voorziet in de mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderijen, dan ook niet in strijd gehandeld met de Rwc. 2.16.3.4. Voor de begrenzing van gebieden als landbouwontwikkelingsgebied hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in elk geval binnen 1.000 meter van Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden niet een landbouwontwikkelingsgebied kan worden aangewezen. De omstandigheid dat de status van de Habitatrichtlijngebieden ten tijde van het bestreden besluit nog niet onherroepelijk was, is niet van belang, nu deze gebieden op dat moment vermeld waren op de lijst van gebieden van communautair belang die de Europese Commissie op 7 december 2004 heeft vastgesteld (Pb L 387) . Gelet op artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn zijn verweerders terecht uitgegaan van de bescherming van die gebieden met toepassing artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Verweerders behoefden derhalve geen voorbehoud te maken bij de planvaststelling zoals door sommige appellant is betoogd. 2.16.3.5. De Afdeling volgt voorts appellanten niet in hun betoog dat voor de afstand van een landbouwontwikkelingsgebied tot een kern of object van verblijfsrecreatie uitsluitend de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: Wet stankemissie) bepalend is. De Afdeling overweegt daartoe onder verwijzing naar haar uitspraak van 24 januari 2007, no. 200504831/1, dat verweerders in het kader van het opstellen van een reconstructieplan niet gebonden zijn aan de afstandseisen die voortvloeien uit de Wet stankemissie. In het kader van de op grond van artikel 4 van de Rwc te verrichten brede ruimtelijke belangenafweging dient, naast het milieuaspect stank(hinder), tevens rekening te worden gehouden met een groot aantal andere (ruimtelijke) belangen, die kunnen meebrengen dat in het kader van het reconstructieplan een verdergaande bescherming tegen stankhinder wordt geboden dan is vervat in de Wet stankemissie. Voorts kan bij de reconstructie rekening worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen, waaronder het vrijwaren van een aan een woonkern grenzend gebied van de komst of uitbreiding van intensieve veehouderijen in verband met de beoogde groei van die kern. Verweerders hebben bij de zonering intensieve veehouderij een integrale afweging gemaakt en daarbij onder meer de uitgangspunten gehanteerd dat rondom grote stankgevoelige objecten zones worden begrensd als extensiveringsgebied (overig) en dat een landbouwontwikkelingsgebied op minimaal 500 meter afstand van een stankgevoelig categorie I- en II-object dient te liggen. Deze uitgangspunten dienen, gelet op de integrale afweging van verweerders en op de "spelregels begrenzen integrale zonering" die aan deze uitgangspunten ten grondslag liggen, niet alleen ter vermindering van het aantal stankgehinderden, maar ook ter bescherming van andere belangen zoals een toekomstige uitbreidingsmogelijkheid van bebouwing in het stedelijk uitloopgebied (kernrandzone) of van objecten van verblijfsrecreatie. 2.16.3.6. Voor zover sommige appellanten hebben gesteld dat de uitgangspunten in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel, omdat alleen intensieve veehouderijen door de zonering worden geraakt en andere agrarische bedrijven ongemoeid worden gelaten, overweegt de Afdeling dat de wetgever ervoor heeft gekozen door middel van een zonering intensieve veehouderij in reconstructieplannen sturing te geven aan de ontwikkeling en regulering van de intensieve veehouderij in de onderscheiden gebieden. Daarbij heeft de wetgever niet zozeer het oog gehad op een beperking van de ammoniakuitstoot van de agrarische bedrijven als wel op een algehele ruimtelijke reconstructie van de desbetreffende gebieden. Deze keuze van de wetgever staat niet ter beoordeling van de Afdeling. 2.16.3.7. Ten slotte is niet aannemelijk gemaakt dat de richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn) zich verzet tegen de uitgangspunten die aan de zonering ten grondslag liggen. Daarbij is in aanmerking genomen dat dit reconstructieplan nog geen directe, juridische grondslag biedt voor het uitbreiden, hervestigen of nieuw vestigen van een intensieve veehouderij. 2.16.4. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding de door verweerders gehanteerde uitgangspunten voor de zonering intensieve veehouderij onredelijk te achten. Kleinere EHS gebieden 2.17. De Oisterwijkse Milieuvereniging en anderen hebben gesteld dat delen van de EHS in strijd met de gehanteerde uitgangspunten als landbouwontwikkelingsgebied of als verwevingsgebied zijn aangemerkt. Standpunt verweerders 2.17.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat met de vaststelling van de reconstructieplannen geen wijziging is gebracht in de EHS. De integrale zonering geeft, naar hun stelling, enkel de beleidskaders aan voor de intensieve veehouderij. Derhalve zullen gemeenteraden bij de verwerking van het reconstructieplan in het bestemmingsplan rekening hebben te houden met de in het gebied aanwezige waarden waaronder die van de EHS. Om een robuuste zonering te verkrijgen is, aldus verweerders, gekozen voor aaneengesloten gebieden en zijn om kaarttechnische redenen niet alle (EHS) waarden op plankaart 2 aangeduid. Vaststelling van de feiten 2.17.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.17.2.1. Het plan vermeldt (deel B, blz. 132) dat de integrale zonering op perceelsniveau is begrensd, waarbij zoveel mogelijk gebruik is gemaakt van logische, bestaande grenzen en is gestreefd naar grotere eenheden (geen kleine snippers). Volgens deel B, blz. 133 is alle bestaande en nieuwe natuur (reeds begrensde EHS) in het plan begrensd als extensiveringsgebied. Voorts vermelden de spelregels die bij de zonering zijn gehanteerd dat alle bestaande en nieuwe natuur (reeds begrensde EHS) verplicht als extensiveringsgebied moet worden begrensd. 2.17.2.2. De in geding zijnde percelen maken deel uit van de EHS, maar zijn gering van omvang en solitair gelegen (snippers). Zij vormen geen deel van een groter, aaneengesloten gebied binnen de EHS. Oordeel van de Afdeling 2.17.3. De aanduiding van de in geding zijnde percelen in het reconstructieplan als verwevingsgebied of als landbouwontwikkelingsgebied betekent niet dat - in het ter uitvoering van het reconstructieplan op te stellen bestemmingsplan - op en nabij die percelen activiteiten van een intensieve veehouderij moeten worden toegestaan. In verwevingsgebied is hervestiging of uitbreiding van een intensieve veehouderij mogelijk mits de ruimtelijke kwaliteit of de functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. In landbouwontwikkelingsgebied is uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van een intensieve veehouderij toegestaan, maar kan het reconstructieplan - gelet op de bewoordingen 'geheel of gedeeltelijk' in artikel 1 van de Rwc - nadere regels stellen waardoor die mogelijkheden niet op ieder perceel zijn toegestaan. Verweerders hebben in dit reconstructieplan invulling gegeven aan die bevoegdheid door in paragraaf 11.6.1. te vermelden onder welke voorwaarden uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van een intensieve veehouderij is toegestaan. Als algemene voorwaarde hebben verweerders gesteld dat het zoneringsbeleid geldt behoudens voor zover er overwegende bezwaren bestaan vanuit ruimtelijke, landschappelijke, maatschappelijke en/of milieuhygiënische optiek. Gelet hierop hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat een aanduiding als verwevingsgebied of als landbouwontwikkelingsgebied niet tot gevolg heeft dat met de natuurwaarden op de in geding zijnde percelen bij de op te stellen bestemmingsplannen geen rekening behoeft te worden gehouden. Weliswaar is bij de opstelling van het plan als uitgangspunt gekozen dat alle bestaande en nieuwe natuur (reeds begrensde EHS) als extensiveringsgebied moet worden begrensd, maar verweerders hebben daarnaast als uitgangspunt dat de zonering grotere eenheden (geen kleine snippers) diende te omvatten. Nu de in geding zijnde percelen gering van omvang zijn en solitair gelegen, hebben verweerders aanleiding kunnen vinden aan laatstgenoemd uitgangspunt doorslaggevende betekenis toe te kennen en deze percelen niet aan te duiden als extensiveringsgebied. De bescherming van de natuurwaarden van die gebieden dient plaats te vinden bij de op te stellen bestemmingsplannen voor die gebieden. Doorsneden bouwkavels 2.18. De Nederlandse Vakbond Varkenshouders, [appellant sub 7], [appellant sub 12], [appellant sub 23], [appellant sub 29], [appellant sub 31] en [appellant sub 26] hebben bezwaren aangevoerd tegen de integrale zonering voor wat betreft bouwblokken die in twee zones liggen. [appellant sub 7], [appellant sub 12], [appellant sub 23], [appellant sub 29], [appellant sub 31] en [appellant sub 26] stellen dat deze wijze van zonering tot rechtsonzekerheid leidt. De Nederlandse Vakbond Varkenshouders stelt dat het reconstructieplan de ondernemer op de grens van extensiveringgebied en verwevingsgebied dwingt tot het maken van een keuze ofwel uitbreiden binnen verwevingsgebied of wel niet uitbreiden met een aanspraak op een tegemoetkoming/subsidie. Standpunt verweerders 2.18.1. Verweerders stellen dat zij zoveel mogelijk de lijnen van de topografische kaart hebben gevolgd, maar dat gebleken is dat de grenzen van de bouwblokken niet altijd overeenkomen met de topografisch zichtbare grenzen. Daardoor vindt in een beperkt aantal gevallen onbedoeld een doorsnijding van het bouwblok plaats. Omdat verweerders een dergelijke doorsnijding uit een oogpunt van rechtszekerheid ongewenst achten, hebben zij voor de verwerking van de zonering in het bestemmingsplan in paragraaf 11.6.1. van het reconstructieplan beleid opgenomen. Vaststelling van de feiten 2.18.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.18.2.1. Op kaart 2 bij het reconstructieplan zijn sommige (bouw)percelen, voorzien van twee zoneringsaanduidingen. De appellanten [appellant sub 7], [appellant sub 12], [appellant sub 29], [appellant sub 23], [appellant sub 31] en [appellant sub 26] hebben een dergelijk bouwperceel. Het bouwperceel aan de [locatie 1] te [plaats], waarop de varkenshouderij van [appellant sub 7] staat, het bouwperceel aan de [locatie 2] te [plaats], waarop de melkrundvee- en varkenshouderij van [appellant sub 12] staat, het bouwperceel aan de [locatie 3] te [plaats], waarop de varkenshouderij van [appellant sub 29] staat, en het bouwperceel aan de [locatie 4] te [plaats], waarop de varkenshouderij van [appellant sub 31] staat, zijn op kaart 2 bij het reconstructieplan gedeeltelijk als verwevingsgebied en gedeeltelijk als landbouwontwikkelingsgebied aangemerkt. Blijkens plankaart 2 ligt het bouwperceel aan de [locatie 5] te [plaats], waarop de melkrundveehouderij van [appellant sub 23] staat, gedeeltelijk in een extensiveringsgebied en gedeeltelijk in een verwevingsgebied. 2.18.2.2. Het bouwperceel aan [locatie 6], waarop [appellant sub 26] een gemengd bedrijf, bestaande uit een varkenshouderij, een boomkwekerij en tuinbouw exploiteert, is gekoppeld aan het bouwperceel aan [locatie 7], waarop [appellant sub 26] een varkenshouderij exploiteert. Blijkens kaart 2 bij het reconstructieplan ligt het bouwperceel aan [locatie 6] in een extensiveringsgebied en het bouwperceel aan [locatie 7] in een verwevingsgebied. 2.18.2.3. Paragraaf 11.6.1. van het plan luidt: (..) Bij doorsnijdingen wordt het lichter rechtsregiem van toepassing verklaard op het hele bouwblok, tenzij bij de betreffende doorsnijding een ‘harde’ grens van de integrale zonering in het geding is (afstand van 220 meter rond A-gebieden en 1000 meter rond Vogel- en Habitatrichtlijn gebieden en Natuurbeschermingswetgebieden), in dat geval is het zwaarste rechtsregiem van toepassing. Hierbij geldt dat een extensiveringsgebied het zwaarste en een landbouwontwikkelingsgebied het lichtste regiem omvat. Indien de doorsnijding van een bouwblok een ‘harde’ grens betreft en het gedeelte van het doorsneden bouwblok dat binnen het zwaarste regiem ligt (afstand van 220 meter rond A-gebieden en 1000 meter rond Vogel- en Habitatrichtlijn gebieden en Natuurbeschermingswetgebieden) ondergeschikt en niet benut is, kan worden uitgegaan van het lichtere regiem met als gevolg dat de bouw- en gebruiksrechten voor dat gedeelte komen te vervallen. Oordeel van de Afdeling 2.18.3. Zoals is overwogen in de uitspraak van 6 juli 2005, nr. 200405077/1, reconstructieplan Limburg, moet de zonering intensieve veehouderij, bezien in het licht van artikel 27 van de Rwc, op bouwblokniveau volledig zijn afgewogen in het kader van een reconstructieplan. Verweerders hebben dit miskend door een aantal bouwblokken in dit reconstructieplan te voorzien van twee zoneringsaanduidingen. De Afdeling acht dit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De omstandigheid dat in het plan afzonderlijk beleid voor doorsneden bouwblokken is opgenomen, neemt deze strijdigheid niet weg nu de bestemmingsplanwetgever bij de toepassing van dit beleid nog een beoordeling dient te verrichten en voorts onder omstandigheden een keuze kan maken welke ontwikkelingsmogelijkheden voor een doorsneden bouwblok zullen gelden. Bovendien is het rechtsonzeker dat op de plankaart twee gebiedsaanduidingen voorkomen, maar blijkens de plantekst slechts één daarvan van toepassing is. 2.18.4. Gelet hierop zijn de beroepen van de Nederlandse Vakbond Varkenshouders, [appellant sub 7], [appellant sub 12], [appellant sub 23], [appellant sub 29], [appellant sub 31] en [appellant sub 26] in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van het plan dient te worden vernietigd voor zover bouwblokken zijn voorzien van twee zoneringsaanduidingen. Gelet op de onlosmakelijke samenhang van de gronden aan het [locatie 6] met die aan de [locatie 7] (zogenoemd gekoppeld bouwblok) waarvoor in dit reconstructieplan gedeeltelijk de zonering extensiveringsgebied en gedeeltelijk de zonering verwevingsgebied geldt dient het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan ook te worden vernietigd met betrekking tot die gronden. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het van rechtswege aanwezige goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor genoemde onderdelen van het reconstructieplan. IV. Gevolgen van de zonering intensieve veehouderij. Algemeen 2.19. [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellanten sub 25], [appellant sub 26], [appellant sub 28], [appellant sub 29] stellen dat de gevolgen van de zonering niet aanvaardbaar zijn. Zij bestrijden dat de intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden moet worden teruggedrongen. Oordeel van de Afdeling 2.19.1. Het door appellanten benoemde gevolg van de zonering voor de intensieve veehouderij vloeit rechtstreeks voort uit de Rwc. Dit gevolg staat in de onderhavige procedure niet ter beoordeling. Landinrichtingsprojecten 2.20. De Nederlandse Vakbond Varkenshouders stelt dat de uitvoering van het reconstructieplan kan worden doorkruist door lopende landinrichtingsprojecten. Vaststelling van het plan achten zij daarom in strijd met de rechtszekerheid. Oordeel van de Afdeling 2.20.1. De samenloop van het reconstructieplan met in voorbereiding of in uitvoering zijnde landinrichtingsprojecten is geregeld in artikel 97 van de Rwc. Het plan is derhalve op dit punt niet vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Veterinaire risico's 2.21. [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellante sub 18], [appellante sub 19] en [appellant sub 20] stellen dat de wijze waarop de zonering vorm heeft gekregen in het plan de veterinaire risico's vergroot en dat de ruimtelijke kwaliteit voor de landbouw afneemt. Standpunt verweerders 2.21.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het MER aantoont dat de veterinaire veiligheid in de intensieve veehouderij mede door dit plan zal verbeteren. Oordeel van de Afdeling 2.21.2. Appellanten hebben in hun beroepschrift hun bedenking op dit punt tegen het ontwerp-reconstructieplan herhaald. In de bedenkingennota die mede ten grondslag ligt aan de vaststelling van het plan is ingegaan op deze bedenking. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenking in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Internationaal recht 2.22. De Nederlandse Vakbond Varkenshouders, [appellant sub 24], [appellant sub 31] en [appellant sub 35] stellen dat het reconstructieplan in strijd is met het EG-recht wegens aantasting van de concurrentiepositie van de in het gebied gevestigde agrarische bedrijven. Het plan leidt volgens hen voorts tot een ongerechtvaardigde inbreuk op hun eigendom zonder dat daar volledige schadeloosstelling tegenover staat, hetgeen in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), aldus appellanten. Oordeel van de Afdeling 2.22.1. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan in strijd is met het EG-recht. Niet aannemelijk is gemaakt dat eventuele gevolgen van het plan voor de concurrentiepositie van de in het plangebied gevestigde agrariërs, kunnen leiden tot een verstoring van de Europese gemeenschappelijke markt. Het beroep van appellanten op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM treft geen doel. In zoverre de in het reconstructieplan neergelegde beperkingen van het gebruik van de gronden van appellanten al zijn aan te merken als aantasting van het recht op ongestoord genot van eigendom, laat de bedoelde bepaling de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang onverlet. Het reconstructieplan is een zodanige regulering. Voor schade als gevolg van het plan die redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de belanghebbende behoort te blijven, bevat artikel 30 van de Rwc een mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om schadevergoeding. De aanspraak op en de hoogte van een eventuele schadevergoeding zijn in deze procedure niet aan de orde. V. Waterbergingsgebieden 2.23. [appellant sub 24], [appellant sub 31], de Nederlandse Vakbond Varkenshouders, de overige appellanten van [appellant sub 37] e.a. en [appellanten sub 25] voeren in beroep bezwaren aan tegen de aanduidingen waterbergingsgebied. [appellant sub 24], [appellant sub 31], de Nederlandse Vakbond Varkenshouders en de overige appellanten van [appellant sub 37] e.a. stellen dat de begrenzing van die aanduidingen arbitrair is en dat onduidelijk is op basis van welke criteria deze aanduidingen tot stand zijn gekomen. Voorts stellen zij dat verweerders ten onrechte een aanlegvergunningstelsel bij deze aanduidingen in het plan hebben opgenomen. Zij betogen dat de Rwc daarvoor geen basis biedt en dat in artikel 36 Rwc reeds is voorzien in een ontheffingsstelsel. Bovendien is er een samenloop met de door het waterschap in de keur gegeven vergunning- dan wel ontheffingstelsels. Deze samenloop leidt tot grotere lasten voor belanghebbende burgers, aldus appellanten. [appellanten sub 25] stellen dat de aanduiding waterbergingsgebied onaanvaardbare gevolgen met zich brengt voor gronden die als zodanig zijn aangewezen, waaronder zijn eigen perceel aan de Hakkelaren te Oirschot. Hij wijst hierbij in het bijzonder op waterschade. Standpunt verweerders 2.23.1. Verweerders hebben uitvoering gegeven aan de taakstelling die het rijk heeft opgelegd (kabinetsstandpunt Waterbeheer 21e eeuw) en een aantal gebieden geselecteerd die op korte termijn geschikt moeten worden gemaakt voor waterberging om wateroverlast nu en in de toekomst te bestrijden. Met de aanduidingen wordt beoogd te voorkomen dat ongewenste investeringen worden gedaan die in de weg staan aan het geschikt maken van het gebied voor waterberging. Ook is in het plan een aanlegvergunningstelsel opgenomen voor bepaalde activiteiten, waarmee het effect van die activiteiten op de hydrologische situatie kan worden getoetst. De bevoegdheid tot het opnemen van een aanlegvergunningstelsel wordt ontleend aan artikel 27, eerste lid, van de Rwc, nu in dat artikellid artikel 21, vierde tot en met het zesde lid, van de WRO wel, maar het derde lid van artikel 21 van de WRO niet van toepassing is uitgesloten. Vaststelling van de feiten 2.23.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.23.2.1. Het plan vermeldt (deel B, blz. 216) dat het realiseren van waterbergingsgebieden één van de drie sporen is om regionale wateroverlast te voorkomen. In dit plan zijn daarom voorlopige reserveringsgebieden 2050 aangewezen waar kapitaalintensieve functies in principe geweerd worden. Daarnaast zijn op plankaart 1 tot op perceelsniveau begrensde waterbergingsgebieden aangewezen, onderverdeeld in ‘bestaand inundatiegebied’ en ‘in te richten waterbergingsgebied’. De planologische doorwerking van dit deel van het reconstructieplan naar het bestemmingsplan (artikel 27 Rwc) heeft alleen betrekking op de aanduidingen ‘bestaand inundatiegebied’ en ‘in te richten waterbergingsgebied’. Dit betekent, aldus het plan, dat de gebieden zoals begrensd op plankaart 1 met de vaststelling van dit plan zijn aangewezen als gebieden waar een voorbereidingsbesluit geldt als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Aan dit voorbereidingsbesluit hebben verweerders een aanlegvergunningstelsel gekoppeld als hieronder beschreven. In deze gebieden mogen enkel ontwikkelingen plaatsvinden die neutraal of dienstbaar zijn aan het doel van waterberging en worden ontwikkelingen die daarmee in strijd zijn geweerd. 2.23.2.2. In de concreet voor waterberging aangewezen gebieden geldt voor agrarische bedrijven het volgende beleid: • Nieuwe bouwblokken zijn niet toegestaan; • Hervestiging en omschakeling is mogelijk mits dit niet gepaard gaat met een uitbreiding; • Uitbreiding is enkel mogelijk indien en voor zover het waterbergend vermogen van het gebied niet onevenredig wordt aangetast; • Uitbreiding van de bebouwing binnen een bestaand bouwblok is mogelijk. 2.23.2.3. In de concreet voor waterberging aangewezen gebieden geldt voor overige bebouwing het volgende beleid: • Bebouwing die ten dienste staat van waterberging is mogelijk tot een hoogte van maximaal 2 meter; • Bebouwing die niet ten dienste staat van waterberging is mogelijk indien en voor zover het waterbergend vermogen van het gebied niet onevenredig wordt aangetast. 2.23.2.4. In de concreet voor waterberging aangewezen gebieden is het voorts verboden, behoudens het hierna bepaalde, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) op en in de gronden, de hierna aangegeven werken, of werkzaamheden uit te voeren: a. ophogen van gronden; b. het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan. Alvorens te beslissen over een aanvraag voor een aanlegvergunning als hiervoor bedoeld horen burgemeester en wethouders het ter plaatse bevoegde waterstaatsgezag. Het verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen op moment van in werking treden van het reconstructieplan. Indien voor concreet begrensde waterbergingsgebieden op grond van gemeentelijke bestemmingsplannen een aanlegvergunningstelsel van kracht is, zijn de daarin genoemde andere werken en/of werkzaamheden slechts toelaatbaar indien door die andere werken en/of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de functie van waterberging niet onevenredig wordt of kan worden aangetast. Oordeel van de Afdeling 2.23.3. Uit de plankaart en de toelichting van verweerders ter zitting is af te leiden dat een aantal historische overstromingsgebieden in dit plan zijn aangewezen als 'bestaande inundatiegebieden' en 'in te richten waterbergingsgebieden' en dat deze gebieden zich bevinden in de directe omgeving van de beken in het plangebied. Uit het reconstructieplan kan evenwel niet worden afgeleid op basis van welke (nadere) uitgangspunten verweerders tot de begrenzing van de 'bestaande inundatiegebieden' respectievelijk 'in te richten waterbergingsgebieden' zijn gekomen. De enkele mededeling van verweerders in antwoord op de bedenkingen van appellanten dat van bestaande inundatiegebieden sprake is als gebieden van oudsher inunderen, acht de Afdeling onvoldoende, omdat hieruit niet blijkt in welk geval een historisch overstromingsgebied als 'bestaand inundatiegebied' en in welk geval een historisch overstromingsgebied is aangeduid als 'in te richten waterbergingsgebied'. Verweerders hebben dit desgevraagd ter zitting ook niet nader kunnen aangeven. Evenmin is duidelijk of de aanduiding van een gebied een begrenzing tot op perceelsniveau inhoudt, nu het plan vermeldt (deel B, blz. 88) dat de waterschappen in de loop van de eerste planperiode de definitieve omvang en locatie van alle waterbergingsgebieden op perceelsniveau zullen vastleggen. Gelet hierop treft het bezwaar dat de begrenzing van deze aanduidingen tot op perceelsniveau arbitrair is en dat onduidelijk is op basis van welke criteria tot deze aanduiding is gekomen, doel. 2.23.3.1. Voor zover appellanten bezwaren hebben aangevoerd tegen de doorwerking van het beleid dat dient te gelden voor de gebieden waarop deze aanduidingen betrekking hebben, overweegt de Afdeling met verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 2.15.2-2.15.2.1. is gesteld, dat het instrument van doorwerking als bedoeld in artikel 27 van de Rwc alleen voor die delen van een reconstructieplan kan worden gebruikt die reeds volledig in het reconstructieplan zijn afgewogen. Nu onduidelijk is welke uitgangspunten verweerders hebben gehanteerd voor de begrenzing van de waterbergingsgebieden, staat niet vast of de waterbergingsgebieden met eenzelfde mate van afweging van belangen zijn vastgesteld als de overeenkomstige elementen in een bestemmingsplan en in zoverre kunnen worden gekarakteriseerd als bestemmingsplan vervangend. 2.23.3.2. Voorts ontlenen verweerders ten onrechte aan artikel 27 Rwc de bevoegdheid tot het invoeren van een aanlegvergunningstelsel. Dat artikel biedt niet de wettelijke grondslag die nodig is voor het kunnen invoeren van een aanlegvergunningstelsel en het toedelen van een bevoegdheid aan de desbetreffende colleges van burgemeester en wethouders om op aanvragen om zodanige vergunning te beslissen. De omstandigheid dat in artikel 27, eerste lid, van de Rwc het bepaalde in artikel 21, vierde tot en met het zesde lid, van de WRO buiten toepassing is verklaard, heeft die grondslag en bevoegdheid niet doen ontstaan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel inzake de Rwc (TK, 1998- 1999, 26356, nr. 3, p. 34) is af te leiden dat het vierde tot en met het zesde lid van artikel 21 van de WRO in artikel 27, eerste lid, van de Rwc buiten toepassing zijn verklaard om te voorkomen dat de voorbereidingsbescherming als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO vervalt vóórdat de herziene bestemmingsplannen in werking zijn getreden. Het reconstructieplan is, gelet op het vorenstaande, voor zover aan de begrenzing en werking van de waterbergingsgebieden toepassing is gegeven aan artikel 27, eerste lid, van de Rwc in strijd met dat artikellid. 2.23.4. De op deze aanduidingen betrekking hebbende beroepen van [appellant sub 24], [appellant sub 31], de Nederlandse Vakbond Varkenshouders, de overige appellanten van [appellant sub 37] e.a. en [appellanten sub 25] zijn, voor zover ontvankelijk, in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd voor zover artikel 27 van de Rwc van toepassing is verklaard op de begrenzing en werking van 'bestaande inundatiegebieden' en 'in te richten waterbergingsgebieden'. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het van rechtswege aanwezige goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op dit onderdeel van het reconstructieplan. 2.23.4.1. Gezien het vorenstaande behoeven de overige aangevoerde gronden geen bespreking meer. VI. Natte natuurparels 2.24. [appellant sub 24], [appellant sub 31], de Nederlandse Vakbond Varkenshouders, de ZLTO, Afdeling Goirle-Riel, [appellanten sub 8], de overige appellanten van [appellant sub 37] en anderen, [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 9], [appellant sub 11], [appellant sub 15], [appellant sub 22], [appellant sub 23] en [appellant sub 26] voeren bezwaren aan tegen de aanduiding natte natuurparels en de aanduiding beschermingszone natte natuurparels. Zij stellen dat de breedte van de beschermingszones van 500 meter rondom zogenoemde natte natuurparels arbitrair is, dat onduidelijk is op basis van welke criteria deze aanduidingen tot stand zijn gekomen en dat de bescherming op sommige plaatsen 700 meter breed is, doordat op de kaart is gezocht naar kavelgrenzen. Bovendien zijn gronden die in het besluit droge zandgronden van het ministerie van LNV zijn aangewezen als droge zandgrond, in dit plan - naar hun stelling ten onrechte - begrensd als bufferzone voor natte natuurparel. Zij betogen dat verweerder wat betreft de aangehouden breedte van de zonering ten onrechte stelt dat die zones, nu die zijn overgenomen uit de onlangs vastgestelde Verordening Waterhuishouding daarmee vast staan en niet meer aangepast kunnen worden. Zij stellen dat tegen de vaststelling van die verordening geen beroep heeft opengestaan. Voorts stellen appellanten dat verweerders ten onrechte een aanlegvergunningsstelsel voor deze aanduidingen hebben opgenomen. Zij voeren aan dat de Rwc daarvoor geen basis biedt en dat in artikel 36 Rwc reeds is voorzien in een ontheffingsstelsel. Bovendien is er een samenloop met de door het waterschap in de keur gegeven vergunning- dan wel ontheffingstelsels. Deze samenloop leidt tot grotere lasten voor belanghebbende burgers, aldus appellanten. Standpunt verweerders 2.24.1. Verweerders hebben de natte natuurparels - de in het Waterhuishoudingsplan aangewezen, bestaande natuurgebieden die voor de aanwezige natuurwaarden direct afhankelijk zijn van de hydrologische situatie - en de daarbij behorende beschermingszones begrensd om te voorkomen dat de huidige hydrologische situatie in deze gebieden verder verslechtert. Daartoe is in het plan een aanlegvergunningstelsel opgenomen voor bepaalde activiteiten, waarmee het effect van die activiteiten op de hydrologische situatie kan worden getoetst. De bevoegdheid tot het opnemen van een aanlegvergunningstelsel is ontleend aan artikel 27, eerste lid, van de Rwc, nu in dat artikellid artikel 21, vierde tot en met het zesde lid, van de WRO wel, maar het derde lid van artikel 21 van de WRO niet van toepassing is uitgesloten. De zones waarbinnen het beschermingsbeleid geldt, hebben verweerders overgenomen uit de in februari 2005 in werking getreden verordening Waterhuishouding (hierna: de verordening), waarvoor een afzonderlijke inspraakprocedure is gevolgd. Zij stellen zich op het standpunt dat het, wat betreft de begrenzing van de natte natuurparels en de daarbij behorende beschermingszones op plankaart 1 van het reconstructieplan, niet mogelijk is af te wijken van verordening. Vaststelling van de feiten 2.24.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.24.2.1. Het plan bevat maatregelen om met prioriteit de sectorale waterdoelen in natte natuurparels te behalen (deel B, blz. 218). Om te voorkomen dat de huidige hydrologische situatie van de natte natuurparels verder verslechtert, bevat het plan een beschermingsbeleid voor de natte natuurparels, inclusief de zogenaamde ‘beschermingszone natte natuurparel’ (een zone van gemiddeld 500 meter daaromheen). Het beleid in deze gebieden is gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur en op bescherming tegen ingrepen die een ongewenste beïnvloeding van natuurwaarden kunnen hebben. Er geldt een hydrologisch standstill beginsel. In het gebied of in de omgeving mogen geen activiteiten plaatsvinden die een verslechtering van de situatie in de natte natuurparel tot gevolg hebben. Ingrepen die individueel slechts een beperkt effect hebben, maar die door cumulatie van effecten toch kunnen leiden tot een ongewenste beïnvloeding van natuurgebieden, kunnen worden geweerd. Dit wordt geregeld via de verordening en de waterschapskeuren, aldus het plan. Voor de op plankaart 1 aangewezen natte natuurparels en hun beschermingszones geldt de planologische doorwerking als bedoeld in artikel 27 van de Rwc met daaraan gekoppeld het hieronder opgenomen aanlegvergunningstelsel. Hiermee geldt voor deze gebieden, aldus het plan, een voorbereidingsbescherming tot het moment dat de gemeenten - indien noodzakelijk - hun bestemmingsplan hierop hebben aangepast. Aanvragen voor werken en werkzaamheden moeten getoetst worden aan doelstellingen van het hydrologisch beschermingsbeleid. 2.24.2.2. In de aldus aangewezen gebieden is het verboden, behoudens het hierna bepaalde, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) op en in de gronden de hierna aangegeven werken, of werkzaamheden uit te voeren: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 60 centimeter onder maaiveld een en ander voorzover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet; b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage; c. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2 anders dan een bouwwerk. 2.24.2.3. Alvorens te beslissen over een aanvraag voor een aanlegvergunning als evenbedoeld horen burgemeester en wethouders het ter plaatse bevoegde waterstaatsgezag. Het aanlegvergunningvereiste geldt niet voor zover de daar genoemde werken en werkzaamheden worden uitgevoerd binnen een bouwblok. Het verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen op moment van in werking treden van het reconstructieplan. 2.24.2.4. Indien voor de als natte natuurparel en de 500 meter zone daaromheen aangewezen gebieden op grond van gemeentelijke bestemmingsplannen een aanlegvergunningstelsel van kracht is, zijn de daarin genoemde andere werken en/of werkzaamheden slechts toelaatbaar indien door die andere werken en/of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de waterhuishoudkundige situatie niet onevenredig wordt of kan worden aangetast. 2.24.2.5. Op de kaarten behorend bij de verordening zijn onder meer tot op perceelsniveau 'beschermde gebieden waterhuishouding' en 'attentiegebieden' aangegeven. Oordeel van de Afdeling 2.24.3. Anders dan appellanten betogen zijn verweerders, zoals zij ter zitting hebben bevestigd, voor de begrenzing van de natte natuurparels en de daarbij behorende beschermingszones op plankaart 1 van het reconstructieplan uitgegaan van de begrenzing bij de verordening. Dit uitgangspunt acht de Afdeling op zichzelf niet onredelijk. Verweerders hebben echter miskend dat zij daarbij dienen te onderzoeken of die bij de verordening behorende begrenzing zonder nadere motivering ook kan gelden voor de begrenzing en zonering van de natte natuurparels in het reconstructieplan. Bijzondere omstandigheden kunnen er toe nopen dat dient te worden afgeweken van het gehanteerde uitgangspunt. Verweerders hebben dat onderzoek niet verricht, maar hebben het onjuiste standpunt ingenomen dat van de begrenzing van de verordening niet kan worden afgeweken. Gelet hierop zijn de natte natuurparels en de daarbij behorende beschermingszones niet met eenzelfde mate van afweging van belangen vastgesteld als de overeenkomstige elementen in een bestemmingsplan en kunnen deze begrenzing en zonering in zoverre niet worden gekarakteriseerd als bestemmingsplan vervangend. Verder stelt de Afdeling met verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 2.23.3.2. is overwogen vast dat de doorwerking van het aan deze aanduiding verbonden aanlegvergunningstelsel in strijd is met artikel 27 Rwc. 2.24.3.1. Het reconstructieplan is, gelet op het vorenstaande, voor zover aan de begrenzing en werking van de natte natuurparels en de daarbij behorende beschermingszones toepassing is gegeven aan artikel 27, eerste lid, van de Rwc in strijd met dat artikellid. 2.24.4. De op deze aanduidingen betrekking hebbende beroepen van [appellant sub 24], [appellant sub 31], de Nederlandse Vakbond Varkenshouders, de ZLTO, Afdeling Goirle-Riel, [appellanten sub 8], de overige appellanten van [appellant sub 37] en anderen, [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 9], [appellant sub 11], [appellant sub 15], [appellant sub 22], [appellant sub 23] en [appellant sub 26] zijn, voor zover ontvankelijk, in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan dient te worden vernietigd, voor zover artikel 27 van de Rwc van toepassing is verklaard op de begrenzing en werking van de natte natuurparels en de 500 meter zones daaromheen. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het van rechtswege aanwezige goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op dit onderdeel van het reconstructieplan. 2.24.4.1. Gezien het vorenstaande behoeven de overige aangevoerde gronden geen bespreking meer. VII. Schade Standpunt appellanten 2.25. Een aantal appellanten stelt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een schadevergoedingsregeling. Standpunt verweerders 2.25.1. Verweerders volstaan met een verwijzing naar het bepaalde in artikel 30 van de Rwc. Toepasselijke wetgeving 2.25.2. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Rwc kent het college van gedeputeerde staten, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de vaststelling van een reconstructieplan schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Oordeel van de Afdeling 2.25.3. Indien appellanten ten gevolge van de vaststelling van het reconstructieplan schade lijden, kunnen zij een beroep doen op de schadevergoedingsregeling van artikel 30, eerste lid, van de Rwc. Dit artikel is uitputtend van karakter zodat er geen ruimte voor verweerders bestond om in het plan een nadere regeling omtrent vergoeding van schade op te nemen. Gelet op het uitputtende karakter van artikel 30 van de Rwc hebben verweerders terecht volstaan met een verwijzing naar dit artikel. De beroepen zijn in zoverre ongegrond. SPECIFIEKE BEZWAREN (individuele kavels) I. Beroepen extensiveringsgebieden Het beroep van [appellant sub 4] Standpunt appellant 2.26. Appellant stelt dat de gronden behorend bij zijn bedrijf ten onrechte zijn aangemerkt als extensiveringsgebied. Hij vreest in zijn bedrijfsvoering te worden beperkt. Appellant verzoekt de door hem bij verweerders ingediende bedenkingen in het beroepschrift in te lassen. Standpunt verweerders 2.26.1. Verweerders stellen dat de gronden ter plaatse van het bedrijf van appellant overeenkomstig de uitgangspunten van de zonering als extensiveringsgebied zijn aangemerkt, nu dit bedrijf binnen de 250 meter zone van het als A-gebied aangemerkte natuurgebied De Grijze Steen ligt. Deze zonering heeft geen gevolgen voor de landbouwtak van het bedrijf van appellant, aldus verweerders. De beperkingen die de in het plan opgenomen zonering met zich brengt voor de varkenshouderijtak van het bedrijf van appellant vloeien volgens verweerders rechtstreeks voort uit de Rwc. Vaststelling van de feiten 2.26.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.26.2.1. Appellant exploiteert een varkenshouderij en landbouwbedrijf aan de [locatie 8] te [plaats]. De gronden ter plaatse van het bouwblok behorend bij dit bedrijf zijn in het plan aangemerkt als extensiveringsgebied. Onbestreden is dat het bouwblok ligt binnen een zone van 250 meter rondom het als A-gebied aangemerkte natuurgebied De Grijze Steen. 2.26.2.2. In het plan (p. 133) is vermeld dat 250 meter zones rondom zeer kwetsbare natuurgebieden (A-gebieden) zijn begrensd als extensiveringsgebied. Oordeel van de Afdeling 2.26.3. Het hiervoor onder 2.26.2.2. omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van extensiveringsgebieden is niet onredelijk. Nu onbestreden is dat de gronden ter plaatse van het bouwblok van appellant binnen een zone van 250 meter van het als A-gebied aangemerkte natuurgebied De Grijze Steen liggen, is de aanwijzing van deze gronden als extensiveringsgebied daarmee in overeenstemming. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt van de zonering. Daarbij betrekt zij dat op grond van de rijksuitgangspunten die als bijlage bij de Rwc zijn gevoegd en op grond van artikel 9 van de Rwc bij de vaststelling van het reconstructieplan in acht dienden te worden genomen, de extensiveringsgebieden aan dienen te sluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat de in het plan opgenomen zonering geen gevolgen heeft voor de landbouwtak van het bedrijf van appellant en dat de gevolgen die de in het plan opgenomen zonering met zich brengt voor de varkenshouderijtak van het bedrijf van appellant rechtstreeks voortvloeien uit artikel 1 van de Rwc. Aangezien verweerders in hun besluit tot vaststelling van het plan de door appellant ingediende bedenkingen hebben beantwoord en appellant in beroep niet aangeeft op welke punten deze beantwoording door verweerders tekort schiet, kunnen de ingelaste bedenkingen niet slagen. 2.26.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De goedkeuring van rechtswege komt in zoverre niet voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 6] Standpunt appellant 2.27. Appellant stelt dat de gronden behorend bij zijn bedrijf ten onrechte zijn aangemerkt als extensiveringsgebied. Hij vreest dat het toekomstperspectief van zijn bedrijf verloren gaat. Appellant verzoekt de door hem bij verweerders ingediende bedenkingen in het beroepschrift in te lassen. Standpunt verweerders 2.27.1. Verweerders hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de ligging in een extensiveringsgebied geen beperkingen voor het bedrijf van appellant met zich brengt, nu dat niet kan worden aangemerkt als intensieve veehouderij. Toepasselijke wet- en regelgeving 2.27.2. Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van het reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar hervestiging of uitbreiding of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. Vaststelling van de feiten 2.27.3. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.27.3.1. Appellant exploiteert een melkgeitenhouderij aan het [locatie 9] te [plaats]. De gronden behorend bij dit bedrijf zijn in het plan aangemerkt als extensiveringsgebied. 2.27.3.2. Op kaart 2 van het streekplan is het gebied waarbinnen het perceel van appellant ligt aangemerkt als GHS-landbouw, subzone natuurontwikkelingsgebied. 2.27.3.3. In het plan (deel B, p. 135) is vermeld dat gebieden die zijn aangemerkt als GHS-landbouw subzone natuurontwikkelingsgebied zijn begrensd als verwevingsgebied. 2.27.3.4. Onder intensieve veehouderij wordt in het plan verstaan een niet-grondgebonden bedrijf waarin het houden van vee of pluimvee de hoofdzaak is. Onder intensieve veehouderijen worden tevens nertsenhouderijen verstaan. In het plan wordt een grondgebonden agrarisch bedrijf als volgt omschreven: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven zijn doorgaans ook grondgebonden. Oordeel van de Afdeling 2.27.4. Gelet op 2.27.2 en 2.27.3.4 alsmede op het feit dat verweerders uitdrukkelijk hebben gesteld dat de melkgeitenhouderij van appellant niet als intensieve veehouderij kan worden aangemerkt, brengt de ligging in extensiveringsgebied voor de melkgeitenhouderij van appellant geen beperkingen in de huidige bedrijfsvoering met zich. Voor zover het beroep van appellant moet worden gelezen als betoog dat zijn gronden als verwevingsgebied dienen te worden aangemerkt, onder meer vanwege het feit dat binnen een dergelijk gebied in tegenstelling tot een extensiveringsgebied omschakeling naar een intensieve veehouderij niet bij voorbaat is uitgesloten, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de stukken blijkt niet dat de in het reconstructieplan opgenomen criteria voor de aanwijzing van verwevingsgebieden zich verzetten tegen het aanwijzen van de gronden van appellant als verwevingsgebied. Verweerders hebben niet aannemelijk gemaakt dat er zwaarder wegende motieven zijn voor aanwijzing als extensiveringsgebied. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan is derhalve in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. 2.27.5. Het beroep van [appellant sub 6] is in zoverre gegrond en het besluit tot vaststelling van het plan dient wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover daarbij de gronden behorend bij het bedrijf aan de [locatie 9] te [plaats] zijn aangewezen als extensiveringsgebied. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc de goedkeuring van rechtswege te worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan. Het beroep van [appellant sub 11] Standpunt appellant 2.28. Appellant stelt dat de gronden behorend bij zijn bedrijf ten onrechte zijn aangemerkt als extensiveringsgebied, terwijl deze grotendeels op meer dan 250 meter afstand van een A-gebied liggen. Hij vreest dat het toekomstperspectief van zijn bedrijf verloren gaat. Appellant wijst er op dat de gronden van intensieve veehouderijen in het gebied Reusel Zuid (Peelse Heide) die binnen 220 meter van een A-gebied zijn gelegen, wel als verwevingsgebied zijn aangemerkt. Appellant verzoekt de door hem bij verweerders ingediende bedenkingen in het beroepschrift in te lassen. Standpunt verweerders 2.28.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de 250-meter grens van het als A-gebied aangemerkte gebied Kroonvensche heide over een deel van het bouwblok van appellant valt en dat er uit het oogpunt van afronding op perceelgrenzen voor is gekozen om het hele bouwblok van appellant bij het extensiveringsgebied te betrekken. Deze zonering heeft geen gevolgen voor het melkrundveebedrijf van appellant, aldus verweerders. Vaststelling van de feiten 2.28.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.28.2.1. Appellant exploiteert een melkrundveehouderij aan de [locatie 10] te [plaats]. De gronden ter plaatse van het bouwblok behorend bij dit bedrijf zijn in het plan aangemerkt als extensiveringsgebied. 2.28.2.2. In het plan (p. 133 van deel B) is vermeld dat 250 meter zones rondom zeer kwetsbare natuurgebieden (A-gebieden) zijn begrensd als extensiveringsgebied. Oordeel van de Afdeling 2.28.3. De Afdeling merkt allereerst op dat de ligging van de gronden in een extensiveringsgebied niet leidt tot beperkingen in de huidige bedrijfsvoering van appellant. Anders dan appellant veronderstelt bevat de in het plan opgenomen zonering geen beperkende maatregelen voor een melkrundveehouderij. Het bezwaar dat als gevolg van de aanwijzing van de gronden als extensiveringsgebied geen hervestiging of nieuwvestiging van een intensieve veehouderij mogelijk zal zijn, kan niet slagen. Dit gevolg vloeit rechtstreeks voort uit de Rwc. Voorts is in artikel 30 van de Rwc een schadevergoedingsregeling opgenomen voor zover appellant ten gevolge van het plan schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen. 2.28.3.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwblok van appellant deels binnen en deels buiten de zone van 250 meter rond het als A-gebied aangemerkte gebied Kroonvensche Heide is gelegen. Strikte toepassing van de aan het plan ten grondslag gelegde criteria zou er toe leiden dat het bouwblok gedeeltelijk als extensiveringsgebied en voor het overige als verwevingsgebied wordt aangemerkt. Zoals reeds eerder is overwogen is een doorsneden bouwkavel uit het oogpunt van rechtszekerheid niet gewenst. Verweerders hebben daarom terecht het in het reconstructieplan opgenomen beleid voor doorsneden bouwkavels toegepast en hebben het bouwblok van appellant in redelijkheid in het geheel kunnen aanwijzen als extensiveringsgebied. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij de doorsnijding een in het plan gehanteerde harde grens ten opzichte van een natuurgebied in het geding is en uit de stukken is gebleken dat het deel van het bouwblok dat binnen de 250 meter zone ligt, niet ondergeschikt is en niet onbenut. Voorts is ter zitting gebleken dat de door appellant ter onderbouwing van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel genoemde gevallen niet gelijk zijn aan de situatie van appellant, aangezien die gevallen bestaande intensieve veehouderijen betreffen. 2.28.3.2. Aangezien verweerders in hun besluit tot vaststelling van het plan de door appellant ingediende bedenkingen hebben beantwoord en appellant in beroep niet aangeeft op welke punten deze beantwoording door verweerders tekort schiet, kunnen de ingelaste bedenkingen niet slagen. 2.28.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De goedkeuring van rechtswege komt in zoverre niet voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van [appellant sub 11] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 13] wat betreft [locatie 11] Standpunt appellant 2.29. Appellant stelt dat de gronden behorend bij zijn bedrijf aan [locatie 11] ten onrechte zijn aangemerkt als extensiveringsgebied. Hij vreest dat het toekomstperspectief van zijn bedrijf verloren gaat. Appellant wijst er op dat gronden die op enkele tientallen meters van zijn gronden liggen wel zijn aangemerkt als verwevingsgebied. Appellant verzoekt de door hem bij verweerders ingediende bedenkingen in het beroepschrift in te lassen. Standpunt verweerders 2.29.1. Verweerders stellen dat de gronden van appellant aan [locatie 11] overeenkomstig de aan de zonering ten grondslag liggende criteria zijn aangemerkt als extensiveringsgebied met het primaat overig, nu ze in de nabijheid van de kern van Reusel liggen. Vaststelling van de feiten 2.29.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.29.2.1. Appellant exploiteert een akkerbouwbedrijf aan [locatie 11] te [plaats]. De gronden behorend bij het bedrijf zijn in het plan aangemerkt als extensiveringsgebied met het primaat overig. Het bedrijf van appellant maakt onderdeel uit van lintbebouwing die, met kleine onderbrekingen van open kavels, aansluit bij de kern van Reusel. De meer aaneengesloten bebouwing van Reusel ligt op een afstand van circa 150 meter van het bedrijf van appellant. 2.29.2.2. In het plan (deel B, p. 133) is vermeld dat rondom steden en dorpen, niet-agrarische lintbebouwing en bebouwingsclusters (stank)zones zijn begrensd als extensiveringsgebied. Oordeel van de Afdeling 2.29.3. De Afdeling merkt allereerst op dat de ligging van de gronden aan [locatie 11] in een extensiveringsgebied niet leidt tot beperkingen in de huidige bedrijfsvoering van appellant. Anders dan appellant veronderstelt bevat de in het plan opgenomen zonering geen beperkende maatregelen voor een akkerbouwbedrijf. Het bezwaar dat als gevolg van de aanwijzing van de gronden als extensiveringsgebied geen hervestiging of nieuwvestiging van een intensieve veehouderij mogelijk zal zijn, kan niet slagen. Dit gevolg vloeit rechtstreeks voort uit de Rwc. Voorts is in artikel 30 van de Rwc een schadevergoedingsregeling opgenomen voor zover appellant ten gevolge van het plan schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen. 2.29.3.1. Het hiervoor onder 2.29.2.2. omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van extensiveringsgebieden is niet onredelijk. Verweerders hebben overeenkomstig dit uitgangspunt een stankzone rondom Reusel begrensd als extensiveringsgebied. Nu de gronden van appellant aan [locatie 11] binnen deze zone zijn gelegen, is de aanwijzing van deze gronden als extensiveringsgebied met voornoemd uitgangspunt in overeenstemming. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt van de zonering. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat de door hem genoemde gronden in de omgeving van zijn bedrijf voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel als gelijk geval kan worden aangemerkt. Aangezien verweerders in hun besluit tot vaststelling van het plan de door appellant ingediende bedenkingen hebben beantwoord en appellant in beroep niet aangeven op welke punten deze beantwoording door verweerders tekort schiet, kunnen de ingelaste bedenkingen niet slagen. 2.29.4. Gelet op vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De goedkeuring van rechtswege komt in zoverre niet voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van [appellant sub 13] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 14] Standpunt appellant 2.30. Appellant stelt dat de gronden behorend bij zijn bedrijf ten onrechte zijn aangemerkt als extensiveringsgebied. Hij vreest dat het toekomstperspectief van zijn bedrijf verloren gaat. Appellant verzoekt de door hem bij verweerders ingediende bedenkingen in het beroepschrift in te lassen. Standpunt verweerders 2.30.1. Verweerders stellen dat de gronden ter plaatse van het bedrijf van appellant overeenkomstig de uitgangspunten van de zonering als extensiveringsgebied zijn aangemerkt nu dit bedrijf binnen de 250 meter zone van het als A-gebied aangemerkte natuurgebied Oostelbeersche Heide ligt. Vaststelling van de feiten 2.30.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.30.2.1. Appellant exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 12] te [plaats]. De gronden behorend bij dit bedrijf zijn in het plan aangemerkt als extensiveringsgebied. Deze gronden liggen binnen een zone van 250 meter rond het als A-gebied aangemerkte natuurgebied Oostelbeersche Heide. 2.30.2.2. In het plan (p. 133 van deel B) is vermeld dat 250 meter zones rondom zeer kwetsbare natuurgebieden (A-gebieden) zijn begrensd als extensiveringsgebied. Oordeel van de Afdeling 2.30.3. Het hiervoor onder 2.30.2.2. omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van extensiveringsgebieden is niet onredelijk. Nu de gronden behorend bij het bedrijf van appellant binnen een zone van 250 meter van het als A-gebied aangemerkte natuurgebied Oostelbeersche Heide liggen, is de aanwijzing van deze gronden als extensiveringsgebied daarmee in overeenstemming. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt van de zonering. Daarbij betrekt zij dat op grond van de rijksuitgangspunten die als bijlage bij de Rwc zijn gevoegd en op grond van artikel 9 van de Rwc bij de vaststelling van het reconstructieplan in acht dienden te worden genomen, de extensiveringsgebieden aan dienen te sluiten bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden. De gevolgen van het aanmerken van de gronden als extensiveringsgebied vloeien rechtstreeks voort uit artikel 1 van de Rwc. Aangezien verweerders in hun besluit tot vaststelling van het plan de door appellant ingediende bedenkingen hebben beantwoord en appellant in beroep niet aangeeft op welke punten deze beantwoording door verweerders tekort schiet, kunnen de ingelaste bedenkingen niet slagen. 2.30.4. Gelet op vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid het reconstructieplan hebben kunnen vaststellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De goedkeuring van rechtswege komt in zoverre niet voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van [appellant sub 14] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellante sub 18] Standpunt appellante 2.31. Appellante stelt dat de gronden behorend bij haar bedrijf aan de [locatie 13] ten onrechte zijn aangemerkt als extensiveringsgebied. Gezien de aard van de omgeving zouden de gronden in een verwevingsgebied moeten liggen, aldus appellante. Standpunt verweerders 2.31.1. Verweerders stellen dat de gronden overeenkomstig de in het plan opgenomen criteria zijn aangemerkt als extensiveringsgebied nu ze deel uitmaken van een gebied dat in het streekplan is aangemerkt als GHS- landbouw, subzone Leefgebied kwetsbare soorten. Vaststelling van de feiten 2.31.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.31.2.1. Appellante exploiteert een gemengd bedrijf met legkippen en vleesvarkens aan de [locatie 13] te [plaats]. De gronden behorend bij dit bedrijf zijn in het plan aangemerkt als extensiveringsgebied. Deze gronden maken deel uit van een gebied dat in het streekplan is aangemerkt als GHS-landbouw, subzone Leefgebied kwetsbare soorten. 2.31.2.2. In het plan (p. 133 van deel B) is vermeld dat gebieden die in het streek