(2)is aangegeven op de bij deze voorschriften behorende kaart; daarop zijn alle panden aangeduid, die als beschermingswaardig kunnen worden aangemerkt vanwege hun plaatsingseigenschappen, grootte- en vormeigenschappen en uitdrukkingseigenschappen; […]; […]; f. het behouden en waar nodig versterken van het bestaande beeld van de onbebouwde omgeving (w.b. straatprofiel, materiaalgebruik, etc.); […]. 2.
- Voorop wordt gesteld dat niet in geschil is dat het perceel ligt in een gebied dat is aangewezen als een beschermd dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet
- Voorts is niet in geschil dat de erfafscheiding, nu deze in een beschermd dorpsgezicht is geplaatst, een licht-bouwvergunningplichtig bouwwerk is. 2.
- Voor zover appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat door hem in beroep niet is gesteld dat zich één of meer van de in artikel 44 van de Woningwet genoemde weigeringsgronden voordoet, is dit terecht. Appellant heeft in beroep uitdrukkelijk aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het betoog van appellant leidt, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. 2.
- Appellant voert aan dat de erfafscheiding niet past in het doeleinde als omschreven in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften, te weten het behoud van de ruimtelijke en functionele karakteristiek van Oud Borne. Volgens appellant gaat het daarbij niet alleen om de bescherming van monumentale en beeldbepalende gebouwen, maar ook om het open houden van onbebouwde gronden, omdat deze gronden voor een belangrijk deel bijdragen aan het zichtbaar maken van de cultuurhistorische ontwikkeling van de kern. Daarbij wijst appellant op een uitspraak van de Afdeling van 21 april 1998, no. E01.96.
- 2.
- De erfafscheiding betreft een houten hekwerk van circa 1 meter hoog dat blijkens overgelegde foto's bestaat uit verticale en horizontale balken die, met enige tussenruimte, aan elkaar zijn verbonden. 2.
- De artikelen 12, eerste lid, aanhef en onder f, en 12, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften strekken ertoe aan de inrichting en bebouwing van de betreffende gronden op zodanige wijze gestalte te geven dat de openheid binnen het plangebied zoveel mogelijk wordt gewaarborgd en het zicht op de monumentale dan wel andere beeldbepalende panden zoveel mogelijk wordt behouden. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt met de plaatsing van de erfafscheiding beoogd te voorkomen dat op het perceel wordt geparkeerd en wordt de betreffende ruimte open gelaten. Hiermee wordt tevens bereikt dat het zicht op de schuur, een beeldbepalend pand dat in het bestemmingsplan als beschermingswaardig is aangeduid, gewaarborgd blijft. Gezien het vorenstaande past de erfafscheiding, mede gelet op de geringe hoogte en de open constructie ervan, in het in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder f, genoemde doeleinde. De erfafscheiding is derhalve niet in strijd met het bestemmingsplan. De Afdeling wijst er in dit verband nog op dat de welstandscommissie, die onder meer tot taak heeft advies uit te brengen over de plaatsing van bouwwerken in het beschermd dorpsgezicht, positief heeft geadviseerd over de plaatsing van de erfafscheiding. Nu aan het verlenen van de bouwvergunning geen wettelijk voorgeschreven weigeringsgrond aan de weg staat, was het college gehouden de bouwvergunning te verlenen. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot dezelfde conclusie gekomen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink w.g. Boermans Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007 429-374.