(2020)wordt deze overschrijding nog groter. De verkeerstoename op de N302 ten gevolge van nieuwe ontwikkelingen, waaronder de verwezenlijking van het bedrijventerrein, maakt integraal deel uit van het verkeersmodel. 2.7.
- Door de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek is onderzoek gedaan naar de invloed van de N302 op de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van oktober 2006 (hierna: het TNO-rapport). Naast berekeningen die betrekking hebben op de autonome ontwikkeling van het verkeer op de N302 zijn tevens berekeningen uitgevoerd waarbij rekening is gehouden met de door het proviniciebestuur voorgenomen structurele maatregelen ter verbetering van de doorstroming en verkeersveiligheid op de N
- Daarbij is gebruik gemaakt van een aantal door het provinciebestuur gedefinieerde varianten die ervoor moeten zorgen dat deze doelen worden gerealiseerd. In het TNO-rapport wordt geconcludeerd dat bij de autonome ontwikkeling in 2004, 2010 en 2012 overschrijdingen plaatsvinden van de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) op en direct naast een gedeelte van de N
- Bij de varianten wordt in 2010, 2012, 2015 en 2020 de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) overschreden, doch uitsluitend op de wegvlakken zelf. Voor het overige is er noch in de autonome situatie, noch bij de varianten sprake van overschrijding van de grenswaarden, zoals genoemd in het Blk
- De komst van het regionaal bedrijventerrein is in het TNO-rapport verdisconteerd. 2.7.
- Door Tauw is akoestisch onderzoek gedaan naar het wegverkeerslawaai in het plangebied. In het deskundigenbericht is vermeld dat uit de tabellen van dit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen die langs de Zuiderzeestraatweg liggen ten opzichte van de huidige situatie met ten minste 0,6 dB afneemt. Ten opzichte van de autonome ontwikkeling zal de geluidsbelasting in 2015 met ten hoogste 0,2 dB zijn toegenomen, aldus het onderzoek. 2.7.
- In de plantoelichting wordt onder meer ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. Daarin wordt vermeld dat rekening is gehouden met alle kosten die voortvloeien uit de aanleg van het bedrijventerrein, alsmede kosten van waterhuishoudkundige aanpassingen buiten het gebied, kosten van natuurontwikkeling, aanpassingen aan de verkeersstructuur in de omgeving en kosten die voortvloeien uit bijzondere wettelijke eisen op het gebied van duurzaamheid en beheer. In de plantoelichting staat dat in maart 2003 een exploitatieopzet voor de opstelling van het plan is gemaakt die uitwijst dat er sprake is van een sluitende exploitatie. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Het bedrijventerrein Lorentz-Oost past binnen het in het Streekplan opgenomen beleid om de regionale centrumfunctie van Harderwijk voort te zetten en Harderwijk te profileren als een krachtige en aantrekkelijke stad op het gebied van wonen, werken en voorzieningen. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. De locatie van het bedrijventerrein is in overeenstemming met het Streekplan. 2.8.
- Bij het opstellen van het plan is gebruik gemaakt van de VNG-brochure. Deze brochure heeft een indicatief en globaal karakter, waarin afstanden worden genoemd die bij bepaalde functies tot woningen gelegen in een rustige woonwijk aanbevolen worden. In de VNG-brochure is aangegeven dat een afwijking van de aanbevolen afstanden mogelijk is, maar deze dient voldoende te worden gemotiveerd en te worden afgewogen in het licht van het doel van deze normen, namelijk het voorkomen van milieuhinder in nieuwe situaties. Uit het overwogene in 2.7.
- blijkt dat op de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie B5" bedrijven in de milieucategorieën 4 en 5 zijn toegestaan, waarbij de grootste indicatieve afstand vanwege mogelijke hinder 500 meter bedraagt. Deze indicatieve afstand geldt ten opzichte van een rustige woonwijk. Gelet op het deskundigenbericht kan het gebied waarin de woningen aan de [locaties] staan worden aangemerkt als een landelijke omgeving met woningen. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afstand tussen de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie B5" en de nabijgelegen woningen toereikend is om milieuhinder ten gevolge van de bedrijven tegen te gaan. 2.8.
- Gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek en hetgeen daaromtrent in het deskundigenbericht is vermeld heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verwezenlijking van het regionale bedrijventerrein niet zal leiden tot een ernstige toename van geluidhinder. 2.8.
- Blijkens de plantoelichting heeft de gemeenteraad onderzoek verricht naar de financiële haalbaarheid van het plan, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een exploitatieopzet. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de exploitatieopzet onjuistheden bevat dan wel leemten in kennis vertoont. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd is. De omstandigheid dat het onderzoek naar de financiële haalbaarheid is uitgevoerd in 2003 maakt dit niet anders. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de nodige infrastructurele investering voor de aanpassing van de N302 overweegt de Afdeling dat die aanpassing geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan. 2.8.
- Vast staat dat het luchtkwaliteitonderzoek is verricht na het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Indien verweerder in het kader van het besluit omtrent goedkeuring van het plan constateert dat ten aanzien van bepaalde aspecten geen onderzoek is verricht door het gemeentebestuur mag verweerder op de desbetreffende punten onderzoek verlangen van het gemeentebestuur, aangezien het verrichten van zorgvuldig onderzoek ingevolge artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening primair de verantwoordelijkheid is van het gemeentebestuur. De in dit geval gekozen handelwijze, waarbij in opdracht van het gemeentebestuur onderzoek naar de luchtkwaliteit is verricht na vaststelling van het plan, is niet in strijd met dit artikel. Deze handelwijze staat er niet aan in de weg dat verweerder, in het kader van zijn taak om te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of het recht, het onderzoek naar de luchtkwaliteit bij zijn besluitvorming betrekt. Uit de stukken is gebleken dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit in de besluitvorming is meegenomen. De omstandigheid dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit na de vaststelling van het plan heeft plaatsgevonden, behoeft derhalve niet te leiden tot onthouding van goedkeuring aan het plan. 2.8.
- In het plangebied zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan die zijn genoemd in de categorieën 4 en 5 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Uit het overwogene in 2.7.
- volgt dat hieronder tevens bedrijven vallen die zijn gericht op het vervaardigen van chemische producten. In het luchtkwaliteitrapport is uitgegaan van de categorie "Overige industrie". Het vervaardigen van chemische producten valt niet onder deze categorie zodat in zoverre niet is uitgegaan van de maximaal mogelijke invulling van het bedrijventerrein. Evenwel is in het luchtkwaliteitsrapport tevens een berekening uitgevoerd waarbij is uitgegaan van een verdubbeling van de emissie van bedrijven in de categorie "Overige bedrijven". De aldus in aanmerking genomen emissie is hoger dan die voor de categorie "Chemische bedrijven". Ook uit die berekeningen blijkt dat geen sprake is van overschrijding van de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het luchtkwaliteitrapport in zoverre onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont. 2.8.
- Met betrekking tot de in het onderzoek naar de luchtkwaliteit gehanteerde verkeersintensiteiten en emissiefactoren overweegt de Afdeling dat appellanten sub 1 niet aannemelijk hebben gemaakt dat het verkeersaanbod in 2005 niet strookt met de in het luchtkwaliteitrapport berekende verkeersintensiteiten in 2010 en dat de emissiefactoren voor 2010 geen betrouwbaar beeld van de effecten van het plan geven. 2.8.
- Uit het overwogene in 2.7.
- volgt dat de N302 deel uitmaakt van de hoofdontsluitingsstructuur van het plangebied. In de huidige situatie is in een zone langs de N302 reeds sprake van overschrijding van de grenswaarden van het Blk
- In het luchtkwaliteitrapport van 23 december 2005 is evenwel geen onderzoek verricht naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van het verkeer op de N302 van en naar het bedrijventerrein. Gelet hierop was ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende onderzoek naar de luchtkwaliteit gedaan om te kunnen concluderen dat na planverwezenlijking wordt voldaan aan het Blk
- Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van appellanten sub 1 is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd wat betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie 3", "Bedrijfsdoeleinden, categorie 4" en "Bedrijfsdoeleinden, categorie 5". 2.8.
- Ter zitting heeft het gemeentebestuur van Harderwijk de Afdeling verzocht toepassing te geven aan de bevoegdheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten in geval van vernietiging. Daartoe is aangevoerd dat in het nader ingediende TNO-rapport de concentratieberekeningen voor de N302 zijn uitgevoerd waaruit blijkt dat het Blk 2005 niet aan goedkeuring van het plan in de weg staat. Ten aanzien van dat verzoek wordt als volgt overwogen. Ter zitting heeft het gemeentebestuur gesteld dat de reconstructie van de N302 zeker zal plaatsvinden. Daartoe is aangevoerd dat de benodigde gronden grotendeels door de provincie zijn verworven en reeds financiële reserveringen zijn gedaan. Gelet hierop kon hiermee bij het opstellen van het TNO-rapport rekening worden gehouden. Appellanten hebben de juistheid van het TNO-rapport niet, althans niet gemotiveerd, bestreden. Ook anderszins bestaat geen grond voor het oordeel dat het TNO-rapport onjuistheden bevat dan wel leemten in kennis vertoont. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat niet kan worden voldaan aan de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden. Hierin ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover vernietigd, in stand te laten. Proceskostenveroordeling 2.
- Verweerder dient ten aanzien van appellanten sub 1 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van appellant sub 2 bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van appellanten sub 1 gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 14 februari 2006, kenmerk RE2005.25961, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie 3", "Bedrijfsdoeleinden, categorie 4" en "Bedrijfsdoeleinden, categorie 5"; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dit is vernietigd geheel in stand blijven; IV. verklaart het beroep van appellant sub 2 ongegrond; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan appellanten sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VI. gelast dat provincie Gelderland aan appellanten sub 1 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren w.g. Van Dorst Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007 325-464.