(2001)vervangt, staat onder meer dat bij de aanleg van 1000 vierkante meter of meer verhard oppervlak in stedelijk gebied, binnen het desbetreffende peilgebied een gebied van tenminste 10% van de toename in verhard oppervlak ingericht dient te worden voor extra waterberging. 2.7.
- Op kaart 4.2A uit het streekplan is ter plaatse van het plangebied de aanduiding 'risico wateroverlast' vermeld. Het oordeel van de Afdeling 2.
- Bij de toetsing van bestemmingsplannen op het aspect watercompensatie pleegt verweerder het door het hoogheemraadschap gevoerde beleid tot uitgangspunt te nemen. Dit beleid houdt in dat ten minste 10% van de toename van verhard oppervlak moet worden gecompenseerd met ruimte voor waterberging. Dat aan deze eis wordt voldaan, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting heeft hij desgevraagd te kennen gegeven dat hij geen documenten kan overleggen, waarin cijfermatig is gestaafd dat in het peilgebied voldoende open water is aangelegd om het tekort aan watercompensatie in het plangebied te compenseren. Voor zover verweerder heeft betoogd dat met de in het verleden gehanteerde norm van 6% aan watercompensatie kan worden volstaan, nu de waterbeheerder hiermee in 2001 heeft ingestemd, wordt overwogen dat na deze gestelde instemming, die dateert uit 2001, een norm voor watercompensatie is aanvaard van 10% van de extra verharding en dat het MOB-complex in een gebied ligt dat in het streekplan is aangeduid als gebied met risico op wateroverlast. Verweerder heeft voorts onvoldoende toegelicht, waarom aan de belangen binnen het plangebied, die zijn gediend met een beperking van de watercompensatie tot 6%, groter gewicht toekomt dan aan de belangen die zijn gediend met toepassing van de norm voor watercompensatie van 10%. 2.8.
- De realisering en exploitatie van het binnen het plangebied te ontwikkelen bedrijventerrein berust bij particuliere instellingen. Dat daaraan voor de gemeente zelf -als gesteld- geen kosten zijn verbonden, ontslaat het gemeentebestuur, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.7.
- is overwogen, echter niet van de verplichting de uitvoerbaarheid van het plan te onderzoeken en de uitkomsten van het onderzoek in de plantoelichting op te nemen. In de plantoelichting is wat betreft de economische uitvoerbaarheid dan ook ten onrechte volstaan met de opmerking dat het plangebied eigendom is van particulieren en er derhalve geen financiële consequenties voor de gemeente zijn. Door te concluderen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan hiermee voldoende is gewaarborgd, heeft verweerder het bestreden besluit ook in zoverre niet toereikend gemotiveerd. Conclusie 2.
- Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een voldoende draagkrachtige motivering. Het beroep -voor zover ontvankelijk- is gegrond. Het bestreden besluit dient deswege te worden vernietigd. Proceskosten 2.
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is ingesteld namens [drie appellanten]; II. verklaart het beroep van [appellant 1] gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 6 juni 2006, kenmerk 2006reg001303i; IV. gelast dat de provincie Utrecht aan [appellant 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Kooijman Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2007 177-528.